Maandag 21/09/2020

De muzen van Struga

Internationaal poëziefestival in Macedonië

Reportage door Serge van Duijnhoven

In plechtige processie trekt de stoet internationale dichters achter twaalf in het wit gestoken Macedonische bloemenmaagden aan, die asters strooien over de balustrade. Onder ons kolkt het water van de Zwarte Drim. Nobelprijswinnaar Seamus Heaney rijdt langzaam voorbij in een gepantserde Mercedes, begeleid door patrouillewagens van de zwaarbewapende Macedonische policija. Bij het bereiken van de overzijde worden vuurpijlen afgeschoten, tegelijk barst een ongenadig onweer los. Burgers zwaaien met hun paraplu's. Geroffel klinkt vanuit de bergen. Of is het een militaire helicopter? Mannen in kogelvrije vesten kijken star voor zich uit, de loop van hun Zastava 7.62 pistoolmitrailleurs gericht naar de dikke spetters regen die op de grond kaatsen.

"Eerlijk gezegd voel ik me met al die soldaten en wegversperringen hier wel op mijn gemak", vertelde Seamus Heaney (door zijn knappe tolk consequent 'Mister Himus Sjini' genoemd) wat laconiek in de pianobar van het immense, lege hotel. "Een gevoel van homecoming. Het straatbeeld herinnert me aan mijn jonge jaren in Belfast." Drinkend van een bescheiden Skopsko Pivo, verzekerde de dichter dat hij er geen moment over gedacht had om af te zeggen voor het festival. "Natuurlijk hebben mijn naasten me afgeraden om juist nu naar Macedonië te gaan, maar mensen die om je geven zijn altijd bezorgd. Wij Ieren zijn misschien al een beetje meer vertrouwd met de situatie dan anderen. Maar we weten ook dat het geweld in het buitenland vaak erg wordt overdreven." Een dichteres uit Israel knikt driftig. "Ik voel me pas onveilig als ik geen soldaten zie op straat", zegt ze stoer.

Het door drugsoorlogen geteisterde Colombia had deze zomer zijn Cuppa del America. Sarajevo had tijdens de belegering zijn jaarlijkse filmfestival. En in Macedonië vond van 22 tot 27 augustus onder wel heel grimmig gesternte, het veertigjarige jubileum plaats van de Struga Poetry Evenings. Afzeggingen zijn er nauwelijks. Naast eregast Seamus Heaney, die dit jaar de Gulden Lauwerkrans in ontvangst mag komen nemen, is nog een dertigtal bekende en minder bekende dichters uit alle windstreken naar het trogdiepe meer van Ohrid afgezakt. Gearriveerd zijn Thomas Shapcott uit Australië, de Amerikaan Claude Freeman, Anne Marie Dinesen uit Denemarken, Jean Laugier uit Frankrijk, Jorhe Justo Padron uit Spanje, Skënder Rusi uit Albanië, Mohammed Bennis uit Marokko, Sergej Glavyuk uit Rusland. De volharding waarmee de internationale gasten te midden van wapengekletter, bomaanslagen en nerveus 'oogstende' Navo-soldaten, hun verzen willen laten klinken op de brug over de Zwarte Drim, wordt door de organisatoren van het festival ervaren als bemoedigend. Het Macedonische publiek kan het weinig schelen, want dat heeft heel andere zaken aan het hoofd dan de verskunst.

's Avonds trekken gure windvlagen geribbelde sporen over het donkere water van het meer van Ohrid. De late zomerzon verdwijnt achter de bergtoppen als een steen die over de rand van een put wordt geduwd. Achter de ramen van de verlaten eetzalen in het hotel gaapt een koele duisternis die uit de diepte van het meer omhoog lijkt te stijgen. De leren schoenzolen van de obers maken langgerekte piepgeluiden op het glanzende travertijn. Hotel Bicer heeft 500 bedden en zou moeiteloos een tienvoud van alle genodigde dichters kunnen herbergen.

Dichter en songwriter Jabir Derala (35), die ik in het centrum van Skopje ontmoette voor ik de bus nam naar het festival, is deze zomer niet van plan om naar Struga te reizen.

Er staan dikke wallen onder zijn ogen, zijn adem ruikt naar drank. "Er is werk aan de winkel. Flyers rondbrengen, posters ophangen, lobbyen bij politici, gevangenissen bezoeken, popconcerten organiseren voor de vrede: daar is behoefte aan. Aan verheven woorden en fijnbesnaarde avonden met collega-dichters heb ik even geen boodschap." Jabir heeft de daad bij het woord gevoegd, en een mensenrechtenorganisatie opgericht (Civil) die moet toezien op de rechten van politieke gevangenen en multi-etnische initiatieven moet ontwikkelen.

Dat het poëziefestival uitgerekend Struga als bakermat heeft uitgekozen en niet het toeristische en historische Ohrid, waar nog maar kort geleden de vredesonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is te danken aan de negentiende-eeuwse dichter Konstantin Miladinov. In zijn gedicht 'T'ga zajug' ('Zuidzucht') bezong de Macedonische Byron, die net als zijn Engelse tijdgenoot gedwongen was om in exil te leven (de Turkse sultan had een prijs op zijn hoofd gezet), hoe hij terugverlangde naar het vissersdorp van zijn jeugd. "Had ik maar vleugels als een arend / om naar mijn Struga terug te vliegen", dichtte Miladinov terwijl hij in Rusland wegkwijnde van de tuberculose. "Nog steeds zie ik en voel ik / hoe zij brandt, die vurige parel die in mij geplant / als kroonjuweel zal rusten / op Macedonië, mijn vaderland." Het vers is verplichte leerkost op scholen in Macedonië. Miladinovs hymne aan Struga verleende een stem aan een nationaal gevoel dat eeuwenlang door het Osmaanse gezag was onderdrukt.

Tijdens de openingsceremonie van het festival klimt een jongen in een wijde kosjula (wit hemd) achter de microfoon en begint op statige wijze, begeleid door trieste Macedonische volksmuziek, Miladinovs gedicht 'T'ga za jug' voor te dragen. Hier en daar rolt een traan. Een partijfunctionaris van de nationalistische regeringspartij VMRO, Bratislav Tashkovski, nodigt de dichters uit om naar voren te komen. "In whose name should I greet you, dear poets, if not in the name of the destiny of the Macedonian land and the Macedonian people!" De toon is gezet. Met veel stemverheffing en 'hoera voor Macedonië!'-geroep verklaart de politicus het internationale poëziefestival voor geopend.

De voordrachten lijken bijzaak. Er wordt nauwelijks geluisterd. Voortdurend piepen en sjirpen mobiele telefoons en ruisen de walkietalkies van de aanwezige soldaten. Het dondert in de bergen. Vanuit de verte klinkt een Macedonische smartlap. De microfoon galmt en zingt rond, of de versterking waait weg in het niets. Het publiek wiegt ongeduldig heen en weer, en raakt pas geboeid als Seamus Heaney achter de microfoon gaat staan en genoeglijk vertelt van zijn "utterly memorable days and nights at Struga in 1978", toen hij voor het eerst in aanraking kwam met "de wonderbaarlijke vitaliteit van het Macedonische leven en de Macedonische cultuur". De laureaat oogst fors applaus, maar de boel komt pas echt los als de Spaanse dichter Jorhe Justo Padron de Macedonische toehoorders paait met een smartelijke elegie, door hemzelf in de landstaal voorgelezen, voor het "heroïsche, in doodsnood verkerende en in de steek gelaten Macedonië". Het publiek joelt en klapt minutenlang; en daar lijkt het Padron ook vooral om te doen. Hij maakt wel vijf stijve buigingen. Tv-camera's zoemen beschuldigend in op wie nog niet de handen op elkaar heeft.

Anna, een journaliste van het genuanceerde dagblad Dnevnik, zegt na afloop dat ik de zin van de nationalistische peptalk moet kunnen begrijpen. "We hebben het nodig, nu. Voor jou mogen die woorden gezwollen lijken, maar voor ons is het een kwestie van voortbestaan. Zonder patriottisme zal ons land verkruimelen, en dat is heus geen retoriek!" Ik vraag me af hoeveel Albanezen de openingsceremonie hebben bijgewoond. Als er al geweest zijn, moeten ze hun tong stuk hebben gebeten van ergernis om alle Macedonische op-de-borst-klopperij. "Of er Albanezen waren?" reageert Ana geprikkeld. "Iedereen is welkom, nema problema. Als er geen Albanezen zijn, dan is dat omdat het festival ze blijkbaar geen zier interesseert. De Albanese cultuur is volkomen op zichzelf gericht, uit een panische afkeer voor alles wat slavisch of anders is dan het eigene."

In het 'park van de poëzie' mag de Ierse laureaat met de handen als kolenschoppen, een laurierboom planten, zoals alle winnaars van de Gulden Lauwerkrans voor hem. Het prieel staat vol met laurierbomen die veelal door inmiddels overleden dichters zijn geplant. Voor een rillerige dunne staak is een marmeren schrijn neergezet. "Behalve een dichter ben ik ook een plattelandskind, dus die boom plant ik met plezier," verklaart Heaney met een spade in zijn hand. De dichter leest, staand naast een hoopje aarde, het gedicht 'Digging' voor, een geserreerd portret van zijn boerende vader en turfstekende grootvader. "Between my finger and my thumb / The squat pen rests; snug as a gun", zo begint het gedicht. "Under my window, a clean rasping sound / When the spade sinks into gravely ground: / My father, digging. I look down. / (...)"

Heaney steekt de spade in het zand. De handeling geschiedt gedecideerd, eerder stram dan soepel, maar heeft toch iets sacraals. Alsof je de dichter hier in de Macedonische aarde de grondlagen van zijn stoffelijke verleden bloot ziet leggen. En alsof je, vanuit het zand, drie mannen elkaar de hand ziet reiken, drie boerenzonen hier ziet graven, opeenvolgende generaties die in verticale lijn een hele eeuw omvatten. "By God, the old man could handle a spade. / Just like his old man."

De spade die begon in de handen van de turfsteker, ging over als schop in de handen van de landarbeider, en werd uiteindelijk een "squat pen, snug as a gun" tussen duim en wijsvinger van de schrijver. Met in zijn knuisten nu een echte spade, bevindt Heaney zich voor even boven aan de ladder van de tijd - zijn handen overlappen die van zijn grootvader de turfsteker. "My grandfather cut more turf in a day / Than any other man on Toner's bog. / Once I carried him milk in a bottle / Corked sloppily with paper. / He straightened up / To drink it, then fell to right away / Nicking and slicing neatly, heaving sods // Over his shoulder, going down and down / For the good turf. Digging." Plotseling krijgt de opmerking over het 'homecoming gevoel' dat de dichter gisteren beschreef in de pianobar, een heel andere lading. De rijzige Ier met het knoestige postuur, blijkt niks te veel te hebben gezegd. Seamus Heaney is hier, aan het andere einde van Europa, volkomen in zijn element. Hij geeft de spade door met een plechtig gebaar aan zijn Macedonische collega's. En de overige dichters verdwijnen moeiteloos in de hoekige schaduw van een ferme Ier met drie paar handen. "(...) The cold smell of potato mould, the squelch and slap / Of soggy peat, the curt cuts of an edge / Through living roots awaken in my head. / But I've no spade to follow men like them. // Between my finger and my thumb / The squat pen rests. / I'll dig with it."

Het handjevol journalisten dat de moeite heeft genomen om via de 300 kilometer lange omweg naar Struga te rijden (de normale weg via Tetovo is afgesneden door de rebellen) is alleen geïnteresseerd in politieke issues. Dagenlang blijven ze hengelen naar een verlossend inzicht van de geletterden op het festival, een bemoedigend woord, een steun in de rug voor de nationale Macedonische zaak. Maar niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henri Lévy en Alain 'Finkielkroat' in vorige Balkanconflicten het publieke debat domineerden. "Veel interessanter dan het geven van een obligate opinie of analyse," spreekt Seamus Heaney overtuigd, "is het juist om te bepalen in hoeverre dichters verschillen van geschiedkundigen of toekomstvoorspellers."

Toch probeert Heaney zijn Macedonische collega's nog een beetje moed in te spreken. "Aan de huidige situatie kleven voor- en nadelen, moet u maar denken. Het slechte nieuws is dat Macedonië nu bekend raakt als een land waar burgeroorlog dreigt. Het goede nieuws is dat het conflict de Macedonische poezie een zekere glans zal verlenen, glamour. Het succes van de Ierse literatuur in de wereld, is deels te danken aan het geweld in Noord-Ierland. Persoonlijk sluit ik me aan bij Václav Havel, die zei: 'Ik geloof in hoop. Hoop verschilt van optimisme; hoop is ergens aan werken dat de moeite loont.' Ik denk dat u hier in Macedonië werkt aan een oplossing; daarom ziet het er naar mijn indruk toch lichtjes hoopvol uit. Meer kan ik er niet over zeggen..."

In het centrum van Struga, dat voor zestig procent uit Albanezen bestaat, heerst een gespannen rust. Avdi (24), een Albanese kappershulp, legt me uit dat zijn volk altijd heeft moeten leven met de minachting en afkeer van de slavische Macedoniërs. "Wij waren dat gewend en hebben ons lot altijd ondergaan. Nu, voor het eerst, is ónze haat aan de oppervlakte gekomen. Open en bloot. De Macedoniërs zijn dat niet gewend, en verkeren in paniek. Het merendeel van mijn volk wil nog steeds met de Macedoniërs samenleven. Maar uit slavische mond komt alleen nog oorlogstaal. Erg onverstandig, want Albanezen uit alle windstreken zullen ons in geval van oorlog te hulp schieten. Zes miljoen Albanezen zullen over één miljoen slaven heen walsen. De Macedoniërs hebben geen schijn van kans."

Visser Dimitar Ginovski (24), een stevige jongen met een donker ringbaardje, toegeknepen ogen en een zachte stem, neemt me mee het meer op in zijn houten schuit. Na een kwartier varen werpt hij zijn netten uit. De tijd heeft hier stilgestaan. De ouderdom van het bergmeer op de grens van Macedonie en Albanie blijkt uit de aanwezigheid van een vissoort (pastrumka) die elders op aarde alleen nog als fossiele afdruk wordt teruggevonden. De vangst ervan is verboden voor toeristen, en zelfs voor beroepsvissers uit de dorpen gelden strikte quota. De zon komt op boven de donkere ruïne van tsaar Samoil. Mistflarden drijven langs de oever. De boot dobbert rustig op de kabbelende golven. "Macedonie is hoe dan ook een prachtig land", zeg ik. "Wás een prachtig land", corrigeert Dimitar me. "We hebben liggen slapen, en worden wakker in een huis dat voor de helft is leeggeroofd. En wat een dief jat, geeft hij niet meer terug. De Albanezen zullen gek zijn. Met een paar strategische verrassingsaanvallen hebben ze in zes maanden bereikt waar ze anders zestig jaar op hadden moeten wachten." Dimitar trekt aan zijn netten, en hijst de eerste forel en kleine fossili-visjes aan boord. De pastrumka hebben uitpuilende ogen en lange blauwe vinnen. Ze smaken het lekkerst als ze gefrituurd zijn. De graat schijn je er met je tanden in één keer te moeten uittrekken. Vervolgens spuug je die op een bord en eet je de vis helemaal op. Aristoteles heeft ooit geschreven dat de dichtkunst "verheven is boven wat de tijd zoal zal leren". Een goede dichter is, met andere woorden, allerminst een notulist van de geschiedenis, en evenmin een 'ziener' of 'verkondiger'. De muze die hij dient is Caliope, die met de schone stem. Of Erato, die met de lier. Maar niet zo op de Balkan, en zeker niet in Struga, waar het gros van de dichters elk jaar weer lijkt weggelopen onder de stijve hoepelrok van Polyhymnia. Op het gebied van orerende dichters die hun pastorale obsessie combineren met politieke ambities, heeft de regio een traditie hoog te houden. Nergens anders in Europa gaan de twee zo klef en desastreus hand in hand. Misschien heeft het ermee te maken dat de fase van nationbuilding op de Balkan nog in volle bloei is. Misschien ook dat dichters zeker in de rurale gebieden nog echt op handen worden gedragen, terwijl politici bij het volk gehaat zijn en gezien worden als nepotisten en zakkenvullers. Radovan Karadzic, Nicolaj Koljevic, Vuk Draskovic, Vladimir Boskovski (de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken), Ljupco Georgievski (de premier van Macedonië, net als Boskovski lid van de nationalistische partij VMRO)... allemaal beschouwden ze zich voor korte of langere tijd als uitverkoren door de muze van het 'bloed en bodem' - de schutsdame van de eigen ethnos die spreekt in lofzangen en hymnen. En allemaal stonden ze ooit op die vermaarde brug in Struga, tussen de bloemenmaagden die asters uitstrooien over het ijskoude water van de rivier; de plek waarover Seamus Heaney zei dat "de poëzie in onze tijd nergens meer tot leven komt dan daar, aan de monding van de Zwarte Drim".

Wat Radovan Karadzic heeft uitgespookt, is genoegzaam bekend. De vlammen die opstegen van Sarajevo stonden al beschreven in zijn versbundel voor kinderen getiteld Zwarte Sprookjes. En wie wil weten wat premier Ljupco Georgievski nog allemaal in petto heeft voor zijn land, leze zijn in broeierige seks en doem gedoopte debuut Apocalypse, of het megalomane vervolg daarop, De Stad, waarin de dichter beschrijft hoe hij het landerige plaatsje Delcevo verlaat om "het volk" te redden van de chaos in de woelige hoofdstad Skopje. "Mijn bundels hebben één terugkerend thema", verklaarde Georgievski in 1994 aan Frank Westerman, destijds Balkan-correspondent voor de Volkskrant, "de wereld is slecht en lelijk. Er zit niets anders op dan haar te verwoesten en van de grond af aan weer op te bouwen."

Niemand van de dichters laat zich verleiden tot het betweterige engagement waarmee Franse filosofen als Bernard-Henri Lévy en Alain 'Finkielkroat' in vorige Balkanconflicten het publieke debat domineerden

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234