Zaterdag 03/12/2022

De Mozart van de schilderkunst

'Van Dyck is overal invloedrijk geweest. In Antwerpen, Genua en Londen introduceerde hij een nieuwe stijl. In bepaalde opzichten was zijn invloed zelfs groter dan die van Rubens. En met enige overdrijving kun je zeggen dat de schilderkunst in Engeland niet eens bestond vóór Van Dyck.' De Britse Van Dyck-specialist Christopher Brown is commissaris van de schilderijententoonstelling in Antwerpen, die volgende week opent. Met 105 werken is het het grootste retrospectief van Van Dyck in deze eeuw. 'Van Dyck was een wonderkind. In dat opzicht kun je hem met Mozart vergelijken.'

Rubens was misschien een soort God de Vader. Van Dyck was wispelturig, hartstochtelijk, een rokkenjager maar ook een diep religieus man. Een wonderkind. Een natuurtalent met een kort, bewogen leven - op z'n twintigste had hij een 'natuurlijk' kind. Een schilder die goed en luxueus leefde, hoewel zijn laatste levensjaren niet van tragiek ontbloot waren.

Antoon van Dyck (Antwerpen 1599 - Londen 1641).

"Ja, hij sterft te jong," zegt Christopher Brown. "Zijn laatste jaren zijn ontroerend. Aan het einde van de jaren dertig verslechtert de situatie in Engeland snel: Londen wordt gevaarlijk, de burgeroorlog komt eraan, iedereen begint nerveus te worden, en aan het hof raakt het geld op. Volgens mij wou Van Dyck terug naar Antwerpen. Je mag niet vergeten dat Rubens gestorven was. Van Dyck wou zijn troonopvolger worden. Onafgebroken reisde hij tussen Londen, Antwerpen en Parijs, waar hij absoluut de opdracht wou binnenhalen voor de decoratie van het Louvre. Dat is inderdaad de reactie van een gefrustreerd schilder: hij was een bejubeld portret- en religieus schilder, maar hij wilde ook als historieschilder Rubens naar de kroon steken."

De opdracht van het Louvre ging ten slotte naar Poussin en Vouet. Van Dyck werd ziek. Acht dagen na de geboorte van zijn (wettige) dochter, Justiniana, stierf hij - op 9 december 1641. Hij werd begraven in de oude Saint Paul's Cathedral in Londen, die vijfentwintig jaar later, in 1666, samen met de rest van de binnenstad in vlammen opging. Van het grote grafmonument blijft niets over.

Portretten, historiestukken, religieuze taferelen, groepsportretten. Op de tentoonstelling in Antwerpen, die later naar Londen reist, wil commissaris Christopher Brown de 'totale Van Dyck' tonen. Brown, die sinds kort directeur is van het Ashmolean Museum in Oxford, Engelands oudste museum, was vanaf 1971 conservator van de National Gallery in Londen. Hij had er de 17de-eeuwse Vlaamse en Nederlandse meesters onder zijn hoede. De Van Dyck-collectie was er toentertijd vrij bescheiden. Er hing natuurlijk het ruiterportret van Karel I, dat het museum niet meer mag verlaten wegens te kwetsbaar. Langzaamaan heeft Brown de Van Dyck-collectie vervolledigd. Om ook daar de 'totale Van Dyck' te kunnen tonen.

"Het is niet zo moeilijk om Van Dyck te appreciëren," vindt Christopher Brown. "Rubens is moeilijker, zeker voor een breder publiek. Ook het religieuze werk van Van Dyck levert soms problemen op. Maar vreemd genoeg is Van Dyck ondergewaardeerd - hij wordt, zeker in Engeland, nog altijd beschouwd als een portretschilder, zij het een buitengewoon portretschilder. Maar volgens mij is Van Dyck even groot als Velázquez, hij is een van de grootste schilders van de 17de eeuw. Ik probeer in de tentoonstelling dan ook de appreciatie van zijn verwezenlijkingen te verruimen: hij is een voortreffelijk schilder van religieuze en mythologische taferelen, en ook van groepsportretten - er is altijd interactie tussen de figuren."

Christopher Brown weet goed genoeg dat er een verschil is tussen de Britse en de Belgische appreciatie. In de Antwerpse verzamelingen zijn er bijvoorbeeld niet zoveel portretten van Van Dyck. Het ligt dan ook voor de hand dat Van Dycks portret van Isabella Brant, de echtgenote van Rubens, naar Antwerpen komt. "De National Gallery in Washington wil dat werk maar aan één tentoonstelling uitlenen. Wel, dat portret moet naar Antwerpen komen. Ook al omdat in de achtergrond de portiek van het Rubenshuis te zien is."

Maar globaal zijn de tentoonstellingen in het Koninklijk Museum en de Royal Academy hetzelfde. "Ik probeer een volledig beeld van de kunstenaar te geven en ook de twee publieken in gedachten te houden," verklaart Brown. "Het Antwerpse publiek zal zeker gegrepen worden door de uitstekende schilderijen uit de Engelse periode. Na de tentoonstelling zal niemand er nog aan twijfelen (hij lacht zuinigjes) dat Van Dyck een schitterend portretschilder is. De twee grote altaarstukken - uit de Sint-Augustinuskerk (in Antwerpen, ER) en een kruisiging uit Kortrijk - zullen dan weer compleet nieuw zijn voor het Londense publiek. Jammer genoeg kunnen we het prachtige altaarstuk uit Palermo niet laten overkomen. Het is zo groot dat het de deur niet uit kan."

Als ik Christopher Brown vraag wat de sterkte van Van Dyck is, aarzelt hij even. Dan zegt hij: "Wel, vreemd genoeg is het misschien niet eens zo'n moeilijke vraag. Uitzonderlijk aan Van Dyck is dat hij een wonderkind is. Op z'n veertiende of vijftiende doet hij met verf alles wat hij wil. Hij heeft een uitzonderlijk talent. Men heeft hem al vaker de Mozart van de schilderkunst genoemd - en misschien is dat een beetje gek, maar er zit een grond van waarheid in. Zijn talent is aangeboren. Dat is niet het geval bij Rubens - die moet hard werken. Sommige van diens vroegere werken, zoals Adam en Eva in het Rubenshuis in Antwerpen, zijn erg zwak. Hetzelfde geldt voor Rembrandt: zijn vroege werken zijn vaak onhandig. Niet zo bij Van Dyck: neem het zelfportret uit Wenen, dat de tentoonstelling opent. Dat staat als een huis. Hij schildert meteen met brio en groot meesterschap.

"Van Dyck heeft het vermogen om met verf bijna elk aspect van de zichtbare wereld - landschappen, textiel, gezichten - op een volkomen overtuigende manier weer te geven. En toch kunnen we niet van realisme gewagen. De illusie is belangrijk. Hij creëert een wereld met haar eigen referenties.

"Het is misschien gemakkelijker om te vergelijken. En - die arme Van Dyck toch - de vergelijking wordt steevast met Rubens gemaakt. Rubens, die een intellectueel kunstenaar is, grijpt altijd terug naar teksten: hij denkt erover na voordat hij die op een doek uitbeeldt. Bij Van Dyck vind je nooit een diepgaande analyse van een tekst in een schilderij."

Hun achtergrond en opleiding zijn dan ook totaal verschillend.

"Wel, ja, dat is tot op zekere hoogte juist. Maar belangrijker is dat zij tot twee verschillende generaties behoren. Rubens' vader werd verjaagd uit Antwerpen, ging in ballingschap, verloor het familiefortuin. Het leven van de jonge Rubens was onzeker. Zijn vader was bovendien een protestant..."

... waardoor het ironisch is dat uitgerekend Rubens de propagandaschilder van de Contrareformatie wordt.

"Ja, maar Rubens blijft persoonlijk geïnteresseerd in oecumenische ideeën, hoewel hij uitgesproken katholiek is. Uit zijn politieke correspondentie blijkt dat hij de katholieke zaak niet zo sterk is toegewijd dat hij de andere kant niet zou kunnen begrijpen. De generatie van Van Dyck is anders: Antwerpen is opnieuw in handen van de Spanjaarden gevallen, Van Dyck zelf wordt opgevoed in een sterk katholieke traditie. Ook diens vader had financiële problemen, zij het toen Van Dyck al wat ouder was, maar Van Dyck groeit op in een stabielere politieke en religieuze periode. De oorlog is min of meer gedaan, terwijl bij Rubens..."

Maar de vraag blijft: waarom is Van Dyck zo'n groot schilder?

"Er is die ongelooflijke technische vaardigheid, het gemak waarmee hij schildert... Hij is een erg stijlvol, elegant kunstenaar. In een bepaald opzicht is hij verfijnder dan Rubens, meer gemaniëreerd. De spitse vingers die zo karakteristiek zijn voor een Van Dyck, zijn geen vingers uit de werkelijkheid. En toch aanvaarden wij ze als echte vingers. Ongetwijfeld romantiseert en verheerlijkt hij zijn personages. Zijn vrienden schildert hij waarheidsgetrouwer dan zijn belangrijke modellen, maar zijn portretten zijn altijd elegant."

Is dat een van de redenen waarom de Engelse koning Karel I Van Dyck absoluut als hofschilder wilde hebben? Een schilder die de adel verheerlijkt, een propagandist van de koninklijke macht?

"Nee, dat denk ik niet. Karel I was een opmerkelijk man: een groot collectioneur met een uitzonderlijk gevoel voor kunst. Hij was ook een beetje gek, als je ziet hoeveel geld hij aan kunst uitgaf. Vergeet niet dat hij de verzameling van de hertog van Mantua kocht, waarna hij ze helemaal naar Londen liet verhuizen. Hij had toen misschien wel dé grootste kunstcollectie. Zijn passie ging uit naar Venetiaanse schilderijen. Als jongeman zag hij in Madrid de grote Spaanse collecties en werd hij verliefd op Titiaan. Ook Van Dyck zelf koesterde een vurige bewondering voor de Venetiaanse meester. Dat zat erg diep: Van Dyck wilde denken en schilderen als Titiaan.

"Het schilderij Rinaldo en Armida - dat wegens zijn grote afmetingen jammer genoeg Baltimore niet mag verlaten - werd door Endymion Porter voor Karel I in Antwerpen besteld en gekocht (later verenigde Van Dyck zich met Porter in een dubbelportret; zie pagina 27, ER). Toen Karel I dit schilderij in 1630 in Londen onder ogen kreeg, dacht hij dat het gemaakt was door een wedergeboren Titiaan. Die schilder moest hij hebben.

"Rinaldo en Armida was een uitgelezen, ja perfect onderwerp voor Van Dyck (het gaat over een plotseling opbloeiende verliefdheid tussen gezworen vijanden, ER). In tegenstelling tot Rubens is hij niet echt geïnteresseerd in de klassieken, hij leest geen Latijn en schrijft ook geen brieven in het Latijn. Maar hij leest wel Italiaans en houdt van Torquato Tasso en Ariosto. Dat is zijn wereld: een romantisch universum met christelijke ridders. En dit doek deed het bij Karel I.

"Maar de hamvraag blijft: waarom eigenlijk wilde Van Dyck uit Antwerpen naar Londen vertrekken? Die rusteloosheid is natuurlijk een constante in zijn carrière. En waarom vond hij vorstelijke hoven zo aantrekkelijk?"

Hij wilde weg van Rubens.

"Zeker. Hun relatie was volgens mij erg ingewikkeld. Ze waren ook elkaars concurrenten."

Misschien wilde Rubens hem wel weg?

"Dat weten we niet. In de catalogus schrijft Katlijne Van der Stighelen dat Rubens misschien wel helemaal niet de aardige man was voor wie wij hem houden; misschien was hij wel jaloers en stuurde hij Van Dyck weg. Er bestaat een oud verhaal dat Rubens hem aanmoedigde om portretschilder te worden. Daar zijn twee kanten aan: ofwel Rubens herkende diens talent als portrettist, ofwel Rubens wilde gewoon geen concurrentie."

Waar is de basis voor zijn portretschilderkunst gelegd?

"In de tentoonstelling zijn twee vroege portretten uit de collectie van Vaduz, Liechtenstein. Ze zijn gedateerd in 1618, het jaar waarin Van Dyck tot de gilde in Antwerpen toetreedt. Dat zijn mooie, maar erg traditionele, stijve portretten. (Brown gaat kaarsrecht op zijn stoel zitten en legt zijn armen in zijn schoot) In 1621 schildert Van Dyck dan het fantastische, levendige portret van Frans Snijders, dat nu in de Frick Collection, New York, hangt. Wat is er in die drie jaar gebeurd? Volgens mij is zijn eerste bezoek aan Engeland, in 1620, belangrijk. In Antwerpen sprak Rubens hem wel over Venetiaanse schilderkunst, maar hij heeft daar geen echte Titiaan kunnen zien. In Engeland waren de grote collecties op dat ogenblik al gevormd. We weten weinig over zijn verblijf, maar dat moet zijn eerste echte contact met echte Italiaanse schilderkunst zijn geweest. Er komt plots ruimte en beweging in zijn schilderijen, en een zekere ongedwongenheid."

Is het geen probleem dat we zo weinig over Van Dyck weten?

"Er zijn bijna geen brieven en niet erg veel getuigenissen, zelfs niet aan het Engelse hof. Er is een beroemde brief van de hertog van Newcastle, die schrijft: 'I thank you for the sweetness of your conversation.' Dat is natuurlijk lief. En het is interessant dat een groot edelman zoiets schrijft aan een schilder: het bewijst dat Van Dyck zich in die kringen beweegt. We weten ook dat Van Dyck een gunsteling van de koning was: Karel I liet een speciale aanlegsteiger bouwen zodat hij vaak met de boot de studio van Van Dyck in Blackfriars (in de buurt van het Globe Theatre, ER) kon bezoeken.

"We hebben ook zijn zelfportret samen met Endymion Porter, een soort Freundschaftsbild. Van Porter weten we dat hij een levensgenieter was, maar zich ook in literaire en artistieke kringen bewoog. Dus vermoeden we van Van Dyck hetzelfde. Maar we hebben geen compleet beeld van Van Dyck. Toen hij stierf was de koning bijzonder bedroefd."

Was Van Dyck een koninklijk propagandaschilder?

"Hij schilderde de koning aantrekkelijker dan hij in werkelijkheid was. Karel I was erg klein, had weinig opvallende trekken, hij stotterde ook verschrikkelijk. Hij was dus niet echt imposant, maar is dat wél bij Van Dyck. Je mag ook nooit uit het oog verliezen waar die schilderijen in de 17de eeuw werden getoond. Als bezoekende vorst of ambassadeur zag je het indrukwekkende ruiterportret van Karel I aan het eind van een lange gang in het paleis hangen. Dat was inderdaad een onderdeel van de koninklijke propaganda. Het schilderij moest de politieke macht van de koning benadrukken."

U hebt ooit gezegd dat het jammer was dat de Engelsen alleen in hun eigen gezicht geïnteresseerd waren.

"Ja, natuurlijk. Cupido en Psyche (dat Van Dyck in Engeland schilderde rond 1639, ER) is een van de mooiste schilderijen van de 17de eeuw. Maar in Engeland werden bijvoorbeeld geen grote altaarstukken besteld. Er was wel een groep katholieken rond de koningin; ze hadden een kapel, maar moesten zich gedeisd houden. Het hof was protestant. Karel I had hem wel gevraagd om een serie wandtapijten te ontwerpen voor Banqueting House, met als onderwerp de Orde van de Kousenband. Dat zou boeiend geweest zijn. Maar aan het eind van de jaren dertig was het geld van Karel I op aan het raken."

Zijn er tijdens de voorbereidingen van de tentoonstellingen ontdekkingen gedaan?

"Ja, maar ze veranderen het beeld van Van Dyck niet ingrijpend. Er zijn geen nieuwe schilderijen opgedoken, als je dat zou denken. Je mag niet vergeten dat Van Dyck altijd al succesrijk is geweest, hij werd altijd al bewonderd en er is altijd al wetenschappelijke aandacht voor hem geweest."

Maar wie hij echt was weten we toch niet.

"We weten dat hij klein van gestalte was, geen intellectueel zoals Rubens, boordevol zelfvertrouwen. Hij was erg religieus en had toch een natuurlijk kind. Hij had nogal wat affaires met vrouwen en een groot vermogen voor vriendschap. Toch vonden sommigen hem afstandelijk en arrogant. Hij had een uitstekend leven, een stijlvol leven."

Hij schilderde de toenmalige jetset en wilde er ook toe behoren?

"Als hij nu zou leven zou hij zijn privé-vliegtuig nemen, niet de lijnvlucht."

Eric Rinckhout

Antoon van Dyck 1599-1641. Schilderijen in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplaats, Antwerpen. Van 15 mei tot 15 augustus. Dagelijks van 10 tot 17.30 uur. Dinsdag en donderdag tot 20.30 uur. Reserveren is aanbevolen. Tel. 070/233.799. Woensdag in Metro ook aandacht voor Van Dyck.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234