Woensdag 28/10/2020

De moraliteit van de dingen

'De erfenis van de utopie', Hans Achterhuis' analyse van techniek en maatschappij

Marnix Verplancke

In Anarchism, State and Utopia, bijna een kwarteeuw oud en nog steeds een van de basiswerken van de politieke filosofie, vraagt Robert Nozick ons het volgende gedachtenexperiment uit te voeren. Stel je voor dat er een gedachtenmachine zou bestaan die je alle gewenste ervaringen zou bezorgen. Nooit meer werken bijvoorbeeld, een uitzinnig nummertje met de filmster waar je al jaren op valt, of godganse dagen euforisch liggen blowen, maakt niet uit, het komt allemaal voor de bakker. Nozicks vraag is nu of wij onszelf, of sterker nog, onze kinderen voor onbepaalde tijd op zo'n machine zouden willen aansluiten.

Aanvankelijk zouden we daar misschien bevestigend op antwoorden, maar bij nader inzien is het 'voor onbepaalde duur' er te veel aan. Onophoudelijk gelukkig zijn en nergens ook maar de minste weerstand van ondervinden blijkt na verloop van tijd verdacht veel gelijkenis te vertonen met een geestelijke dood. En wie vindt daarin nu de ultieme bevrediging?

Nozicks gedachtenmachine heeft in de literatuur haar pendant in de drug soma, die iedereen slikt in Aldous Huxleys dystopische roman Brave New World. In die heerlijke nieuwe wereld is het leven vlak. De klassieke werken uit de wereldliteratuur zijn er wegens hun ouderwetse karaktertekeningen onbegrijpelijk geworden. Pijn en verdriet bestaan er niet meer. Iedereen is gelukkig en de maatschappij loopt als een trein: vaarwel hooligans, stakers en politici.

Wat de verhouding tussen individu en gemeenschap betreft zijn er twee uitersten denkbaar. Enerzijds is er het rechts-anarchisme van een Max Stirner, die de autonomie van de persoon vooropstelt en daarom iedere maatschappelijke dwang afwijst. Het leven verloopt dan in horten en stoten, iedere nieuwe dag is ook een nieuw gevecht. Diametraal daartegenover staat iemand als Karl Marx, die de maatschappij primordiaal vond en het individu als een onbeduidend schakeltje in het dialectisch proces van de geschiedenis aanzag. De meeste utopieën, of ze nu literair zijn of politiek-filosofisch, scharen zich aan de kant van Marx. De overheid heeft er alles zo goed georganiseerd dat je als mens alleen nog maar hoeft te doen wat er van je verwacht wordt. En meestal mag je ook niet méér doen.

De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis probeert in zijn studie De erfenis van de utopie de kerk in het midden te houden. Als kind van zijn tijd keert hij zich tegen utopisten als Marx, Marcuse, Horkheimer, Bloch en Brecht, maar hij is wel zo verstandig om, anders dan vele hedendaagse anti-utopisten, zich daardoor niet in het kamp van Stirner en consorten te laten dwingen. Achterhuis' positie is die van de redelijkheid, die van Albert Camus en Hannah Arendt.

Om het vanaf het begin duidelijk te stellen: De erfenis van de utopie is geen geschiedenis van het utopische denken. Wat het dan wel is, valt niet zomaar in een zin te omschrijven. Het is een studie die wil nagaan wat er specifiek is aan utopieën, waar ze vandaan komen en waarom ze succes blijven hebben. Maar bovenal is het een filosofische zoektocht naar de waarde van het utopisme voor ons, levend aan het einde van een eeuw die de Sovjet-Unie en China voortgebracht heeft en waarin een aantal fellow travellers nog steeds beweert dat Cuba misschien niet de hemel op aarde is, maar dat het land zonder economische sancties zeker dicht in de buurt zou komen.

Achterhuis begint zijn boek met een uiteenzetting van tien eigenschappen van utopieën. Behalve de aanwezigheid van dwang en geweld, het belang dat aan opvoeding en onderwijs gehecht wordt en de afkeer van liefde, zijn de belangrijkste dat deze voorstellingen van ideale werelden uitgaan van de volstrekte maakbaarheid van wereld en mens. Alles wat is, kan anders zijn, en het komt de centrale leiding toe dit 'anders' te bepalen en te verwezenlijken.

Een tweede centraal punt is dat utopieën altijd de hele samenleving willen veranderen. Een persoonlijke idylle of het verhaal van een pastoraal zich afwenden van de wereld is dus geen utopie. Thoreaus Walden is geen utopie; Skinners Walden II is dat daarentegen wel.

Als derde kenmerk brengt Achterhuis de holistische visie naar voren. Met een panoptische blik moet alles overzien en beheerst worden. De kleinste afwijking zou, zoals in dystopieën vaak gebeurt, tot chaos kunnen leiden, waarna het hele systeem in elkaar zou kunnen storten. Juist door dat laatste punt is het argument dat we van utopieën iets kunnen leren een illusie. Het zijn gesloten systemen die alleen maar in hun geheel geaccepteerd of verworpen kunnen worden. Ze kunnen alleen door een totale ommekeer geïnstalleerd worden en niet langs reformistische weg. Een deeltje ervan realiseren is onmogelijk. Dat betekent ook dat ruime maatschappelijke idealen als gerechtigheid, vrede of vrijheid niet utopisch zijn, aangezien zij best bevorderd kunnen worden zonder dat we daarom per se een revolutie moeten ontketenen.

Als eerste echte utopie vermeldt Achterhuis Thomas Mores Utopia, verschenen in 1516. Voor de zestiende eeuw was er wel sprake van Cocagne, maar het grote verschil tussen Luilekkerland en een utopie is dat de maatschappelijke orde in het eerste geval door God gegeven lijkt, terwijl die in het tweede van zuiver menselijke makelij is. Met de utopie krijgen we voor het eerst een niet-religieuze manier om over existentiële zaken na te denken. Terwijl men voorheen vluchtte in dagdromen over hoe het anders kon zijn, werd nu beschreven hoe men het anders kon maken. En dat het anders moest, was volgens velen zonneklaar. Het tijdperk van de renaissance en het humanisme waarin de utopie ontstond, kwam immers niet lang na de duistere periode die door Barbara Tuchman als 'de waanzinnige veertiende eeuw' gekenmerkt werd: een tijdperk van natuurrampen, oorlogen, ontbering, massale sterfte en godsdienstwaanzin.

Echt problematisch werd het utopische denken pas toen het serieus genomen werd en de filosofie binnendrong. Neem nu Jean-Jacques Rousseaus constructie van de algemene wil, zoals hij die in Het maatschappelijk verdrag beschrijft: "Het gaat erom het middel te vinden om de mensen te onderwerpen teneinde hen vrij te maken... Hun wil te binden met hun eigen goedkeuring. Hun instemming van kracht te doen zijn tegen hun weigering in en hen te dwingen zichzelf te straffen wanneer ze doen wat ze niet hebben gewild." Rousseau was, ook al zou men uit het citaat iets anders kunnen afleiden, helemaal geen dictator of machtswellusteling. Toen hij dit schreef, had hij de beste bedoelingen: de volstrekte willekeur van de adellijke klasse breken. Maar zoals wel vaker blijkt ook hier de weg naar de hel met goede bedoelingen geplaveid. Hetzelfde geldt trouwens voor Marx en Engels: veel goede wil, maar stekeblind voor de consequenties van hun ideeën.

Utopieën, zo betoogt Achterhuis in zijn schijnbaar eindeloze, maar ook heel diepgravende nieuwe boek, zijn onder te verdelen in twee categorieën. Enerzijds hebben we de sociale utopieën, en anderzijds de technische, en daar hebben we meteen een van Achterhuis' stokpaardjes: de techniek. Hij is immers niet alleen hoogleraar filosofie aan de Technische Universiteit Twente, hij schreef en redigeerde ook werken als Natuur tussen mythe en techniek, De maat van de techniek en het vorig jaar verschenen Van stoommachine tot cyborg.

Als prototype van de technologische utopie neemt Achterhuis Francis Bacons Het nieuwe Atlantis, waarschijnlijk geschreven in 1624 en drie jaar later postuum gepubliceerd. Dit werkje beschrijft een eiland dat door wetenschappers van Salomons Huis - in feite een voorafspiegeling van de Engelse Royal Society - wordt bestuurd en voorspelt onder meer telefoon, laserstralen en genetische manipulatie.

Terwijl Achterhuis zich in zijn bespreking van de sociale utopieën een uitgesproken tegenstander van het ideële denken betoonde, komt hij hier veel minder heftig de hoek. "Technologie is de belangrijkste weg naar de verdinglijking van de mens geworden," schreef Herbert Marcuse, en Nikolaj Berdjajev voegde eraan toe: "De machine dwingt de mens machine te worden en zijn gestalte aan te nemen." Het zijn slechts twee staaltjes van een doemdenken dat volgens Achterhuis typerend is voor veel hedendaagse filosofie, die zich vooral op teksten baseert en het niet nodig acht naar de praktijk te kijken. Radio en tv werden ook geacht het menselijk intellect naar z'n moer te helpen. Na enkele decennia tv zijn we nog steeds niet algemeen debiel en of er nu minder gelezen en nagedacht wordt dan vroeger is nog maar de vraag. (Anderzijds hoedt Achterhuis zich ook voor het optimisme dat verwacht dat de techniek ons leven radicaal zal verbeteren. Radio en tv hebben ons niet wezenlijk slimmer of beter gemaakt. En ook het gejubel over Internet zal wel weer verstommen.)

Veel techniekhaters vergeten ook dat het leven van de modale westerling er door de techniek in deze eeuw een flink stuk gemakkelijker op geworden is. De elitaire, apolitieke Aldous Huxley verkeerde in een financieel zo comfortabele positie dat hij gerust kritiek op de techniek kon leveren. George Orwell, de wat proletarischer auteur van 1984, beschrijft daarentegen in The Road to Wigan Pier hoe de Engelse mijnwerkers in de jaren dertig en veertig verstoken van enige techniek mensonterende arbeid moesten leveren. Voor hem was de techniek een bevrijding.

Dit alles betekent echter niet dat Achterhuis zich niet bewust is van de ingrijpende invloed die techniek op ons mens-zijn kan hebben. Hij neemt de pil als voorbeeld. Die was veel meer dan een anticonceptiemiddel. Zowel de man-vrouwverhoudingen als de beleving van de seksualiteit zijn erdoor veranderd, en wel meer dan enige voorlichtingscampagne of actie ook maar had kunnen bewerkstelligen. De techniek is steeds meer een deel van onze maatschappelijke omgeving geworden, beweert Achterhuis, en willen we onze omgeving leefbaarder maken, dan moeten we daar rekening mee houden: de dingen bezitten moraliteit.

Met deze enigmatische uitspraak bedoelt hij dat ons gedrag vooral een reactie is op onze omgeving en niet het resultaat van een of andere aangeleerde moraal. Dwars tegen alle hedendaagse retoriek over de teloorgang van de moraal in, poneert Achterhuis heel terecht dat je snelheidsovertreders niet tot betere gevoelens zult brengen door op hen in te praten over moraal, of door hen een boekje over de deugd te laten lezen. Met een aanpassing van de rijweg en een snelheidsbegrenzer in de auto zijn heel wat betere resultaten te behalen. Want mensen bekeren lukt niet; hun gebruiksvoorwerpen veranderen daarentegen wel. Zo ook hoeft camerabewaking niet steeds gezien te worden als een aanslag op de privacy. Het is ook een vorm van sociale controle die gedelegeerd wordt aan technische apparaten. De moraal krijgt technische hulp.

In de nadruk die in deze benadering van de techniek op de maakbaarheid van onze omgeving komt te liggen en in het feit dat daarmee de maatschappij overduidelijk boven de individuele vrijheid gesteld wordt, betoont Hans Achterhuis zich misschien meer dan hij zelf zou willen een aanhanger van het utopische gedachtengoed. Meer dan eens vermeldt hij trouwens waar hij zijn inspiratie gehaald heeft: bij Skinner en diens Walden II. Het valt dus al bij al nog wel mee met die erfenis.

Hans Achterhuis, De erfenis van de utopie, Ambo, Amsterdam, 444 p., 990 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234