Zondag 11/04/2021

De mooiste kinder- en jeugdboekeneen genot voor oog en oorPatrick Jordens en Annemie Leysen gidsen jong en ouder(s) door de Boekenbeurs

undefined

Een boek van Martha Heesen doet je weer beseffen dat kinderliteratuur wel degelijk een specifiek en toch absoluut volwaardig genre is. Bij Heesen zijn ‘doelgroep’ (wat een vreselijk woord om ‘jonge lezers’ mee aan te duiden) en een uitgebalanceerde inhoud én stijl perfect verzoenbaar. Zulke schrijvers zijn zeldzaam, en we moeten ze koesteren. Ik vermoed ook dat haar vermogen om met een dusdanige open blik naar kinderen en hun ‘besognes’ te kijken, er mede voor zorgt dat ze net die unieke boeken aflevert. Wat haar werk ook perfect genietbaar, gelaagd en boeiend maakt voor volwassenen.Dat geldt opnieuw voor haar jongste pennenvrucht Mijn broer, de nieuwe en ik. Toon, het hoofdpersonage, is tien en heeft last van sociaal geëngageerde ouders. Zo geëngageerd dat er om de haverklap een of ander ‘probleemkind’ wordt opgevangen in het gezin. Die tijdelijke én frequente adopties zijn vaak een bron van ergernis voor Toon, en meer nog, voor zijn volop puberende broer Jan. In zes hoofdstukken passeren evenveel adoptiekinderen de revue: van de geheimzinnige Rufus met zijn ingebeelde vriendinnetje die ’s nachts komt spoken, over de slungelige maar hyperintelligente Jirre die er op een mooie dag onverwacht vandoor gaat, tot de gedurig kwetterende Milo waar iedereen knettergek van wordt. Wie op basis van deze korte inhoud vermoedt dat je een opeenstapeling van meelijwekkende problemen over je heen krijgt, heeft zwaar buiten het talent van Heesen gerekend. Ze bekijkt de gebeurtenissen vanuit het perspectief van Toon, die niet in de eerste plaats begaan is met wat er scheelt, maar eerder met in hoeverre en hoe de ‘nieuwelingen’ vriendjes van hem kunnen worden. Op die manier krijg je veeleer een doorsnede van een zogenaamd ‘normale’ jongen in nogal ongewone omstandigheden. En wat een prachtig, geschakeerd portret is dat geworden! Heesens Toon is rijk aan tegenstellingen: nieuwsgierig maar ook afwachtend, soms pesterig of compleet radeloos, af en toe erg eenzaam, onbegrepen en verward, pendelend vaak tussen werkelijkheid en fantasie... Maar de randpersonages is de schrijfster evenmin vergeten: subtiel en suggestief verweeft ze net genoeg informatie over broer Jan, de ouders en natuurlijk de pleegkinderen door de verschillende hoofdstukken heen. Je leert iedereen wel wat ‘kennen’ in dit boek, en tegelijk blijft er voldoende ruimte voor je eigen verbeelding. Tot slot is er de meesterlijke humor, het relativeringsvermogen van de jonge Toon, die ondanks alles nog met een zekere verwondering en plezier in het leven staat. Ook mede daardoor weet Heesen je soms onverwacht te ontroeren: je leeft makkelijk mee met haar jonge kwetsbare held, die vaak - zonder het zelf in de gaten te hebben en zelfs tegen zijn zin - wat gehecht geraakt aan zijn ‘broers en zussen’, en hen telkens weer moet zien vertrekken. Mijn broer, de nieuwe en ik getuigt in al zijn lichtvoetige eenvoud van een gerijpt schrijverstalent, en van een persoonlijkheid die - ondanks of misschien juist dankzij een scherpe, bevragende blik - veel van dit complexe leven en van echte (!) mensen houdt. (PJ)

“Mijn dorp rustte uit in de arm van de rivier. Het had een lange reis door de tijd achter de rug. Ook de rivier was al een heel eind onderweg. Ze stroomde langzaam. Bijna langzamer dan haar naam, langzamer dan de Leie.” In een zuinige maar des te plastischer taal roept Paul De Moor de wereld op van schilder Roger Raveel; de wereld waarin hij opgroeide, het dorp Machelen aan de Leie, maar ook de wereld in diens hoofd: een schildershoofd.De eerste hoofdstukken beschrijven Raveels kindertijd: de sterke band met zijn vader, de ontdekking van zijn tekentalent (in een sprekend fragment, waarbij de bakkersvrouw hem daar voor het eerst van bewust maakt), zijn bijna-doodervaring als kleuter... Schitterende stukjes poëtisch proza zijn dat, sfeervol en suggestief, en in een mooie symbiose met de al even raadselachtige, intrigerende tekeningen van Raveel.Met de komst van de oorlog verdwijnt een soort naïeve verwondering bij de jonge Raveel, en doet er zich een kentering voor in zijn werk. De Moor beschrijft het als volgt: “Ik zou al het verschrikkelijke en al het mooie vastleggen. En ik zou mijn nieuwe wereld het verschrikkelijke mooie leven noemen.” Jammer genoeg komt deze ‘geromantiseerde biografie’ vanaf dan wat in de problemen: als Raveel afstand moet nemen van zijn grote voorbeelden als Van Eyck en Van Gogh, lost De Moor dat vooral op via ‘name-dropping’ en ook de verhouding tussen de Cobrabeweging en Raveel veronderstelt te veel voorkennis van de jonge lezer. Bovendien gaat het aanvankelijk aangenaam kabbelende ritme hier te hard stokken. Gemengde gevoelens dus bij deze De schilder, de duif en de dingen. Al blijft het zeker een zeer prijzenswaardige poging om het leven en oeuvre van een van onze belangrijkste eigentijdse kunstenaars meer weerklank te geven bij een jong publiek.(PJ)

Een overzicht geven van zo’n 32.000 jaar plastische kunst en dit voor kinderen, begin er maar aan! Beatrice Fontanel brengt het er met deze publicatie behoorlijk goed af. Te beginnen door de verzorgde, oogstrelende vormgeving! Ze kon natuurlijk putten uit tientallen meesterwerken om de lezer moeiteloos mee te verleiden. Maar de reproducties worden in dit boek ook met veel respect gepresenteerd, de bladspiegel straalt rust uit en nodigt daardoor uit tot echt aandachtig kijken. Knap bedacht is ook de subtiele tijdbalk die onderaan op de bladzijde telkens terugkeert, met daarop de periode gemarkeerd die besproken wordt.Inhoudelijk staat Mijn eerste stappen in de kunstgeschiedenis ook als een huis. Je voelt de gedegen research én de liefde voor de materie. En toch gaat het je ergens halverwege duizelen: het is werkelijk te veel om in één leesbeurt te bevatten. Niet per se problematisch natuurlijk voor zo’n overzichtswerk, maar een iets strengere selectie was toch een goeie zaak geweest om bij de les te blijven.Daartegenover staat dat je heel wat te weten komt over het hoe en waarom van de voortdurende gedaantewisselingen van de kunst in West-Europa: de ontdekking van het perspectief, de nieuwe tekenmaterialen, de maatschappelijke omwentelingen die weerspiegeld worden in de kunstproductie, noem maar op... Bovendien heeft Fontanel ook nog oog voor de meer anekdotische kant: Michelangelo die vier jaar lang op zijn rug op stellingen lag te schilderen aan het plafond van de Sixtijnse kapel, of arme Dürer die stierf aan een moerasgriep, opgelopen toen hij een aangespoelde walvis wilde tekenen. Af en toe verliest ze haar voornaamste doelgroep uit het oog, want wat moet een elfjarige zich in godsnaam voorstellen bij de “asymmetrische manier waarmee de Japanse miniaturen de vluchtigheid van het moment afbeelden”? Op andere momenten slaagt ze er meesterlijk in om helder en eenvoudig de kerngedachte van een bepaalde kunststroming bloot te leggen, zoals het kubisme of surrealisme.Geslaagd in een bepaalde ambitieuze opzet dus, al blijf ik toch met vragen zitten over de zin van een soortgelijke ‘encyclopedische’ uitgave.

Een meesterwerk dat Fontanel niet in haar overzicht heeft opgenomen, zoals allicht vele andere, is de Guernica van Pablo Picasso. Alain Serres heeft enkel rond dit ene pièce de resistance een erg knap kijkboek gemaakt, dat naar mijn gevoel directer aan de essentie van kunst raakt.Het begint allemaal op 25 oktober in 1881: terwijl Edison de gloeilamp uitvindt, wordt de kleine Pablo geboren “tussen de zee en de olijfbomen op de heuvels van Malaga”. Meteen is de toon gezet: enerzijds de link tussen ingrijpende gebeurtenissen in de wereld en het (artistieke) leven van Picasso, en anderzijds het poëtische taalgebruik van Serres om dit verhaal te brengen. We bladeren verder, als in een foto-album, en zien de eerste tekeningen van een uiterst begaafd kind, en later zijn blauwe en roze periode in Parijs. De doeken in allerlei stijlen en kleuren stapelen zich op: de hoge productiviteit en experimenteerdrift van Picasso zijn legendarisch.Maar dan lijkt alles stil te vallen: op 26 april 1937 wordt het Baskische stadje Guernica belegerd door aanhangers van dictator Franco en er vallen honderden onschuldige slachtoffers. Picasso zit veilig in Parijs, maar zijn nachtrust is voor altijd verstoord. Het betekent het begin van een overweldigende creatie: een fresco in zwart-wit op een doek van 7 meter lang, de fameuze Guernica. Het boek krijgt nu een heel andere sfeer, alsof donkere wolken komen overglijden. Maar het wordt er niet minder fascinerend op, integendeel. De manier waarop Serres het ontstaansproces en de zoektocht van Picasso in woord en beeld brengt, is al even gepassioneerd koortsachtig als de creativiteit van de meester zelf. De auteur doet ons zorgvuldiger kijken naar de details en globale compositie van die Guernica, laat ons beter nadenken over interpretatie, en verliest nooit de mens achter de artiest uit het oog. Je waant je in Picasso’s atelier, en ruikt als het ware de verf, zodanig worden je zinnen, geest en hart geprikkeld in deze passages. Als een ware kunstervaring kortom.De epiloog van het boek, eens de Guernica klaar is, hervindt het kleurpalet en helemaal aan het einde krijgen we nog een magnifiek portret te zien van Picasso’s kinderen die zelf aan het tekenen zijn. Alsof Serres wilde zeggen: nu is het aan jullie, kids! Een werkelijk prachtige ode aan de vrede en aan de kracht van de creativiteit. (PJ)

Twee publicaties gewijd aan René Magritte, en daar zit de opening van het gloednieuwe Magrittemuseum in Brussel allicht voor iets tussen.Bij Ludion houdt men het simpel maar uiterst efficiënt: 135 eenvoudige woorden, telkens beginnend met een andere letter van het alfabet, staan naast evenveel schilderijen van onze befaamde surrealist. Je krijgt een raadselachtige, dromerige wereld te zien. Het levert een mooie, onderhuidse spanning op tussen hoe een beginnende lezer met taal de dingen probeert te vatten, en anderzijds de verbeelde werkelijkheid die Magritte daar naast plaatst. De schilder zou opgetogen zijn over deze frictie. Een meerwaarde voor wat oudere lezers is ook de vermelding van de bevreemdende titels die Magritte aan zijn doeken gaf. Een gigantische appel tussen vier muren heet bij hem De luisterkamer. Dat kan ook een mooie aanzet zijn om er met kinderen lekker op los te fantaseren. Magritte: gewoon buitengewoon is andere koek: in onvervalste pop-upstijl komen een aantal werken van Magritte tot leven, en heel even is dat best wonderlijk, af en toe zelfs betoverend. Maar veel meer dan een gimmick is het uiteindelijk niet, het werpt geen nieuw of verrassend licht op Magrittes oeuvre. Bovendien is de begeleidende tekst soms behoorlijk cryptisch, of gewoon erg stroef vertaald (“Speurend naar taal en verhaal verliest de toeschouwer zich in een poëtisch universum met eigen cadans”, pardon?). Die tekstfragmenten zijn ook duidelijk gericht op een ouder publiek, terwijl het spel met de driedimensionale beelden veeleer jonge kinderen zal bekoren. Een beetje vis noch vlees dus. Mooi en vakkundig gedaan, deze uitgave, maar toch te gratuit inspelend op de huidige Magrittehype. (PJ)

Een vierde boek over de mondige puber Sigiswald Vandebeek, daar werd naar uitgekeken! De vorige aflevering Goed bezig, Sigi wist te overtuigen door de bijzondere combinatie van balorige humor en subtiele gevoeligheid. Maar helaas, Sigi en Julia verbleekt genadeloos bij zijn voorganger.Bij het begin van dit boek staat onze 12-jarige held op de speelplaats in stilte te treuren omdat niemand in hem de geniale dichter herkent die hij in wezen is, althans volgens hemzelf. Tot hij wordt benaderd om toe te treden bij de ‘Dichters in de Mist’, een soort clandestiene literaire kring zoals je wel vaker aantreft op middelbare scholen. Het geheime clubje wordt ontdekt door de gevreesde Mr. Hofman, die hen daardoor kan chanteren om mee te spelen in de schoolvoorstelling Romeo en Julia. Voor Sigi een onverwacht godsgeschenk, want eindelijk kan hij zijn kersverse maar heftige verliefheid voor Heidelinde in volle glorie beleven op de planken. Maar een en ander draait anders uit dan verwacht...Het grote probleem aan Sigi en Julia is dat er eigenlijk geen ‘probleem’ is, behalve dan dat Vandebeek aanvankelijk naast de rol van Romeo grijpt. Jammer genoeg slaagt Simoen er niet in de lezer dat even spijtig en belangrijk te doen vinden als Sigi zelf, op enkele zeldzame momenten na. Door dat gebrek aan identificatie krijg je een opeenvolging van scènes, de ene al wat geestiger dan de andere, maar te zelden zorgen die samen voor de nodige spankracht. Het verhaal verliest zich meestal in oppervlakkige anekdotiek, is soms ook (te) nadrukkelijk behaagziek naar de tieners toe, en de climax aan het eind, bedoeld als een soort apotheose, komt al evenmin voldoende tot leven. Jammer, want enkele ingrediënten waren zeker aanwezig: Simoen, zelf leraar op een middelbare school, kent de leefwereld van adolescenten duidelijk door en door, dat bleek al uit zijn vorige boeken, en zijn vlotte schrijfstijl werkt bij momenten best aanstekelijk én onderhoudend. Maar Shakespeare verdiende meer, en beter! (PJ)

Bekende cabaretier en mediafiguur Wouter Deprez is net papa geworden en heeft zijn ervaringen van zich af geschreven in afwisselend grappige en ontroerende brieven aan zijn eerste borelingske. Beetje jammer van de valse start. Deprez begint zijn openhartige correspondentie met zijn zoontje het verschil uit te leggen tussen een sms en een brief, en terloops schetst hij ook even de weg die een brief in de loop der tijd heeft afgelegd om bij de bestemmeling te geraken. Een flauwe en compleet overbodige intro. Met het tweede fragment, ‘Vannacht is je moeder je twee keer kwijt geweest’, zit de toon wel goed: in scherpe, soms poëtische, vaak beeldende bewoordingen geeft Deprez blijk van zijn verwondering, paniek, toekomstdromen, machteloosheid, maar vooral grenzeloze liefde voor dat wichtje dat zijn leven stevig ondersteboven haalt. Het is geen grote literatuur, maar de meeste miniatuurtjes vertederen en charmeren zonder dat het melig wordt. In de finale brief is Deprez op zijn best: daarin verbeeldt hij zich hoe vader en zoon op latere leeftijd samen een balletje schoppen, terwijl ze daar allebei eigenlijk een hekel aan hebben, maar het niet van mekaar weten en het enkel doen om samen te zijn. Glashelder neergeschreven en regelrecht naar het hart! Dat ‘hart’ is ook overvloedig en in allerlei vormen aanwezig in de minimale maar puike illustraties van Frow Steeman: met veel zwart en roodtinten geeft ze een grafische eenheid aan deze brievenbundel en voegt ze soms haar geestige picturale interpretaties toe. Haar speelse tekeningetjes evoceren vaak de wereld van het kind, waardoor de monoloog van Deprez hier en daar ook een beetje op een dialoog gaat lijken. Een lief cadeauboekje!(PJ)

Klaas Verplancke viert in 2010, zijn 20-jarig illustrator- en 10-jarig schrijverschap, met een overzichtsbundel van zijn plastische werk. The First Klaas Book werd een feestelijke uitgave, leeslint en linnen band toe, drietalig (Nederlands, Frans en Engels), en met meer dan 200 schilderijen, tekeningen en ook onuitgegeven illustraties. Die werden rond een twintigtal relevante thema’s gerangschikt. Joost Swarte beschrijft in de geestige inleiding hoe je ‘een echte Verplancke’ kunt herkennen. “De ledematen van een Verplancke zitten niet vanzelfsprekend op de juiste plaats”, is zo’n ijkpunt. En ook nog: “Een Verplancke is zwanger van betekenis, maar loopt daar niet mee te koop.” In vier gevatte teksten geeft Pieter van Oudheusden een boeiend overzicht van de evolutie in het werk van Klaas Verplancke: van dienstbaar illustrator, tot volwaardig en eigenzinnig schrijver-kunstenaar. Het prentenboek Jot, waarvoor hij, voor het eerst, ook de tekst bezorgde, en de Bologna Ragazzi Award voor de illustraties in Ozewiezewoze betekenden duidelijk een keerpunt in zijn carrière. Klaas Verplancke blijft altijd op zoek naar nieuwe uitdagingen. Zijn werk is voortdurend in ontwikkeling. Hij weigert zich te nestelen in een veilige ‘Verplanckesignatuur’ en een verworven staat van dienst. Van verdienstelijk ‘gaatjesvuller’ evolueerde hij in de loop der jaren naar een geïnspireerde en virtuoze kunstenaar, een ‘beeldenmaker’ (zoals hij zichzelf graag noemt), die met ambachtelijk sérieux verhalen vertelt in woord en beeld. Met humor en ernst, lichtvoetig en filosofisch tegelijk, verkent hij vol verbazing en optimisme de wereld om zich heen en verbeeldt hij meesterlijk wat hij daar ‘tussen de regels’ aantreft. Van die instelling en die ontwikkeling geeft The First Klaas Book, door de uitgekiende opbouw en de verscheidenheid van illustraties, een treffend beeld. Op de bijbehorende dvd zie je Verplancke aan het werk in zijn atelier en hoor je hem aan het woord over wat hem drijft en intrigeert. Een verhelderende documentaire bij een indrukwekkend boek. (AL)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234