Donderdag 29/07/2021

De mooie zomer

VOORPUBLICATIE. Had ik Cesare Pavese (1908-1950) maar leren kennen op mijn twintigste, verzucht de Italiaanse successchrijver Paolo Giordano. Want als geen ander wist deze memorabele schrijver in de emotionele troebelen van jongeren door te dringen.

Ik heb Cesare Pavese te laat leren kennen. Ik had hem graag voor het eerst gelezen op mijn twintigste, toen ik dezelfde gecompliceerde doldrieste gretige leeftijd had als zijn personages. Ik weet zeker dat het een troost voor me zou zijn geweest, en dat ik in bepaalde periodes altijd een van zijn verhalen bij me zou hebben gehad, in de binnenzak van mijn jas, als een soort kogelwerende plaat.

Maar nee, door een redeloze antipathie heb ik me lange tijd verre gehouden van zijn boeken. Het begon allemaal met mijn middelbareschoolexamen. Dat was in 2001, ik had weken zitten blokken op de schrijvers die de bookmakers dat jaar hadden getipt als de grootste kanshebbers voor het literatuuropstel, allemaal dichters: Montale, Quasimodo, Ungaretti, Saba. Maar toen kwam Pavese uit de lucht vallen. Ik wist praktisch niets van hem en was zo overdonderd dat mijn examen een marteling werd. Na zes uur leverde ik een onaffe tekst in die nergens op sloeg. Ik besloot dat het zijn schuld was en hield me daarna halsstarrig verre van alles wat hij geschreven had.

Lange tijd wist ik niet met hoeveel onzichtbare draden we juist met elkaar verbonden waren. Om te beginnen kwamen we uit dezelfde streek: als ik uit het raam van mijn jongenskamer keek, zag ik zelfs de straten waar de personages uit De duivel op de heuvels rondhingen, en de laatste regels van Vriendinnen ('en dat ze was gestorven voor het raam van waaruit ze Superga kon zien') verrasten me de eerste keer alsof ik een ansichtkaart kreeg toegestuurd uit mijn kindertijd.

Machteloos

Maar dat was nog niet alles. In mijn vaders familie, die oorspronkelijk afkomstig is uit de driehoek Santo Stefano Belbo-Neive-Canelli, in de Langhe, gaat het verhaal dat Pavese als kind naar de heuvel liep waar een geheimzinnige oudtante van mij woonde en dat zij hem wel eens wat te eten gaf (ik weet niet of het waar is, maar ik hoop het wel). En ten slotte, een veel belangrijker detail dat ik ontdekte toen ik een paar jaar geleden, door anderen aangespoord, eindelijk besloot om De mooie zomer te gaan lezen (eerst met mijn hoofd maar half erbij, sceptisch): Pavese sprak over mij als twintigjarige, met een luciditeit en een gekweldheid die ik daarvoor alleen maar bij Amerikaanse auteurs was tegengekomen.

Onze ruzie is nu bijgelegd. Soms, als ik weer eens de laatste pagina's van Leven als ambacht herlees, het verbrokkelde dagboek waarin Pavese de neerwaartse spiraal naar zijn einde beschrijft - 'Nu is de pijn er ook al 's ochtends' (16 mei 1950) - dan is het of ik de lijdensweg herbeleef van iemand die ik heel goed ken.

In 1950, een paar weken voor hij zelfmoord pleegde, won Pavese met De mooie zomer de Premio Strega. Was het al vrij uitzonderlijk dat niet een echte roman maar een verzameling van drie novelles de prijs won, nog opvallender was dat de verhalen niet tegelijkertijd tot stand waren gekomen, maar in de loop van bijna tien jaar. 'Elk op zich zou een boek kunnen zijn', schreef de auteur zelf, maar hij wees ook op hun verwantschap in 'moreel klimaat, in thematiek, sfeer'. Hoe ziet dat morele klimaat er dan uit? Je zou kunnen zeggen dat de novelles steeds draaien om de machteloosheid van sommige jonge mensen, hun onvermogen om deel te nemen aan het ingewikkelde, diabolische spel der lusten, de collectieve rituelen van de seks, de kunst, de roes - allemaal dingen waar ze wel vurig naar verlangen.

Zo zou Ginia (De mooie zomer) net zo schaamteloos willen zijn als Amelia, en zich net als zij willen laten schilderen 'van voren, in profiel; aangekleed, uitgekleed'. Om een kans van slagen te hebben laat ze zich door haar nieuwe vriendin meeslepen naar het atelier van de kunstschilder Guido en de verachtelijke Rodrigues, waar ze stap voor stap haar affectieve en vleselijke initiatie ondergaat, maar totaal vreugdeloos, alsof het om een mensenoffer gaat, een offer dat gebracht moet worden.

Zo ook de verteller van De duivel op de heuvels die, teleurgesteld over zijn eerste toenaderingen tot het vrouwelijk geslacht, in de bosjes meer vitaliteit en opwinding ervaart als hij zich, naakt en besmeurd met modder, samen met zijn vrienden Oreste en Pieretto verenigt met de aarde en overmand wordt door twijfels over zichzelf ('Ik dacht dingen die ik tegen niemand zei').

En zo ook Rosetta (Vriendinnen) die alleen in zelfmoord een uitweg ziet om te ontsnappen aan de gemengde gevoelens van spijt en heimwee die ze heeft overgehouden aan het mondaine leven in een opvallend vijandig Turijn en de lesbische ervaring met de meedogenloze Momina.

Vanaf de zijlijn

Alle verhalen van De mooie zomer draaien om een relatie waarin sprake is van dominantie, van emotionele onderwerping (van Ginia door Amelia, van Rosetta door Momina, enzovoort). En inderdaad, op welke leeftijd zijn we daar gevoeliger voor dan rond ons twintigste? Een voor de hand liggende conclusie zou zijn dat elk verhaal een Bildungs-verhaal is, maar dat is niet echt zo. Paveses visie laat veel minder ruimte voor hoop. Zijn personages, die vol onzekerheden op de drempel van de volwassenheid staan en daar de invloed ondergaan van sterkere types die meer lef hebben, voltooien niet echt de transformatie die daardoor op gang is gebracht. Hooguit lopen ze voor de eerste keer tegen hun eigen grenzen aan.

Ginia zal, ondanks de ondergane pijn en vernederingen, nooit zo vrij worden als Amelia; de ik-verteller van De duivel op de heuvels zal zich nooit zo durven

overgeven aan de roes als zijn vrienden; en Rosetta zal te zwak blijken voor de losse zeden van de beau monde. Het gaat daarbij niet om cultuurverschillen of om het resultaat van specifieke ervaringen: ze zijn uit ander hout gesneden. De barrière tussen wie het spel van de verleiding en de jeugd weet te spelen en wie alleen maar vanaf de zijlijn kan toekijken en een onhandige poging tot imitatie doet, is dus onoverkomelijk.

In Leven als ambacht schrijft Pavese aan zichzelf: 'Jouw dichtkunst moet wel dramatisch zijn omdat de boodschap bestaat uit de ontmoeting van twee personen - het mysterie, de bekoring en het avontuur van deze ontmoetingen', en hij gaat als volgt verder: 'Tot nu toe heb je vaak omgevingen tegenover elkaar gezet (noord tegenover zuid; stad tegenover land) omdat die de tegenstelling tussen die twee personen treffend weergeven.'

Ook in de verhalen van De mooie zomer worden tegenstellingen treffend weergegeven. Overal duiken symbolen op, tegengestelden die, hoe dicht ze ook bij elkaar staan, nooit echt bij elkaar komen: het platteland en de zomer, die verwijzen naar de kindertijd en de puurheid, tegenover de stad en de winter, die gedomineerd worden door de onzekerheden van de jeugd; de kunst tegenover gewoon werken; het echte, gehate leven in de buitenwijken tegenover het gedroomde, onwaarachtige leven van de beau monde. Zelfs de namen van de personages lijken gekozen te zijn om hun symbolische betekenis. Dat blijkt al meteen in de eerste novelle: Ginia is de afkorting van 'Virginia', en het lot dat haar wacht is inderdaad het verlies van haar maagdelijkheid, terwijl in de naam van de vrijgevochten Amelia malia, beheksing, schuilt.

De enige, nogal schrale troost voor degenen die niet geschapen zijn voor het diabolische spel van de jeugd is dat de geboren winnaars vroeg of laat hun verdiende loon krijgen. Amelia loopt syfilis op; Poli, het enfant terrible van De duivel op de heuvels, lijkt al feestend en coke snuivend volledig het spoor bijster te raken, en wordt uiteindelijk ziek. Momina verpietert van pure verveling en boosaardigheid. Het 'morele klimaat' wordt hier en daar onverholen moralistisch, en het is moeilijk om daarin niet de onderdrukte woede - en het leedvermaak - van Pavese zelf te horen doorklinken. De hele lijst van uitspattingen die hij ten tonele voert heeft iets obsessiefs en ook iets van (zelf)kastijding. Hij doet in dat opzicht niet onder voor schrijvers die vijftig jaar later zouden komen, toen syfilis had plaatsgemaakt voor andere geslachtsziekten en cocaïne voor synthetische drugs. Overigens 'zijn deze moderne nachten zo oud als de wereld', aldus Pieretto.

Bij voorbaat falen

Bij herlezing van Leven als ambacht en Paveses brieven valt op dat Pavese zich volledig verplaatst in de emotionele troebelen van zijn personages. Die afwezigheid van afweer is denk ik het kenmerk van grote schrijvers, van de werkelijk memorabele. 'Ik heb niets meer te wensen op deze aarde,' schrijft hij op 17 augustus 1950, 'behalve dat wat door vijftien jaar falen niet meer mogelijk is.'

Pavese biedt ons meer dan eens de gelegenheid om het toch al dunne membraan tussen de verhalen en zijn eigen ervaring door te prikken. En toch zou het te simpel zijn (en het is ook al te vaak gedaan) om de pijn van Ginia, Rosetta en de andere personages terug te voeren op zijn eigen tegenslagen in de liefde, zijn vermeende impotentie. Het a priori 'falen' waarmee Pavese zijn timide helden belast, betekent veel meer dan dat, het bevat een veel dieper geheim van de menselijke natuur. Weinig schrijvers uit de wereldliteratuur zijn er zo goed in geslaagd om wat we gewoonlijk geluk noemen, of juist het tegendeel ervan, niet te definiëren maar te isoleren.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234