Vrijdag 05/06/2020

De Mona Lisa, een Antwerps jacht en een oplichter uit Merchtem

Op de ochtend van maandag 21 augustus 1911 staat in de gangen van het Louvre een man te morrelen aan een deur. Hij draagt een witte stofjas, het uniform van het onderhoudspersoneel van het museum. Wanneer een loodgieter voorbijkomt, wijst de man op een ontbrekende klink. De behulpzame loodgieter haalt een sleutel tevoorschijn en bevrijdt de man uit zijn benarde positie. De man wandelt het museum buiten, knippert met zijn ogen tegen het felle zonlicht en verdwijnt in de drukte van Parijs. Onder zijn stofjas houdt hij een schilderij van Leonardo Da Vinci geklemd.

De diefstal van de Mona Lisa, of La Joconde zoals het schilderij ook wordt genoemd (naar Lisa del Giocondo, de vrouw van een Florentijnse zijdekoopman) was niet bepaald een huzarenstuk. De dader had vooral stalen zenuwen nodig. En een portie samenvallende omstandigheden. Maandag was de sluitingsdag van het museum. De Mona Lisa had, net als alle andere schilderijen in het Louvre, amper bewaking. Het schilderij was niet vastgemaakt aan de muur. Augustus is de minst drukke maand in Parijs. En het enige onderhoudspersoneel die dag in het Louvre waren grotendeels schoonmakers.

De dief had zijn toevlucht gezocht tot een bezemkast, waar hij mogelijk de nacht doorbracht. Het enige wat hij moest doen, was wachten tot de suppoost voorbij was geschuifeld, dan het frame van de muur halen, het schilderij van het frame verwijderen en het houten paneel waarop de Mona Lisa is geschilderd onder zijn stofjas steken.

Het enige obstakel op weg naar buiten was die gesloten deur. De dief had de klink er al afgeschroefd toen de loodgieter hem aantrof. Nietsvermoedend bood de klusjesman de weldra meest gezochte man ter wereld de vluchtweg aan.

Het zou nog meer dan een dag duren voor de diefstal werd opgemerkt. De schilderijen in het Louvre verhuisden regelmatig naar de fotostudio van de museumfotografen, zonder ze uit te schrijven. Toen schilder Louis Béroud dinsdag de Mona Lisa van de muur wilde halen en alleen de vier haakjes aantrof, veronderstelde hij dan ook dat het schilderij zich in een van de ateliers bevond.

In trance

‘We hebben tenminste het frame nog’, blokletterde de krant Le Petit Parisien een dag later. Toen Béroud ’s middags nog altijd vruchteloos op de Mona Lisa stond te wachten, had hij alarm geslagen. In de hoek van een diensttrap van het museum vond de politie de glazen beschermingswand waarachter het schilderij werd tentoongesteld. Het losgewrikte frame was weggegooid.

Critici kwamen krantenkolommen te kort om de gebrekkige beveiliging van het Louvre aan de kaak te stellen. Voordat Jean Homolle, directeur van alle nationale musea in Frankrijk, die zomer op vakantie was vertrokken, had hij de veiligheidsmaatregelen verhoogd. Zo kregen de bewakers cursussen judo om zich te bekwamen in zelfverdediging. Inbreken in een museum? “Je kunt evengoed zeggen dat iemand de torens van de Notre Dame zou stelen”, had Homolle uitdagend gesteld.

“Ach, de veiligheid stelde in die tijd niks voor”, zegt Stéphane Gauffeny. De directeur van het OCBC (Office Central de lutte contre le trafic des Biens Culturels), een afdeling van de Franse gerechtelijke politie, zegt dat het culturele erfgoed in het begin van de vorige eeuw ‘passief’ werd beschermd. “Alarmsystemen bestonden nog niet, de inbraakbeveiliging stond nergens. Het enige wat men had, waren bewakers.” Gauffeny wijst er ook op dat de gang van zaken in een museum honderd jaar geleden anders was. “Men ging veel losser om met een collectie. Stukken werden vaak weggenomen om ermee te werken of ze te fotograferen. Dat is nu ondenkbaar.”

De diefstal van de Mona Lisa was wereldnieuws. Dat heeft alles te maken met het het kunstwerk zelf. Nog voor het verdween, was de Mona Lisa meer dan een schilderij. Bijna levensecht en van een buitenaardse schoonheid. Veel toeschouwers reageerden op schilderij alsof het een echte vrouw betrof. Sommigen stonden uren naar haar te staren als in een trance. Het Louvre ontving liefdesbrieven aan de Mona Lisa en het schilderij werden haast bovennatuurlijke krachten toegedicht.

Bewonderaars genoeg, maar niemand had een idee wie het schilderij gestolen kon hebben, laat staan waarom. De Mona Lisa was bekend over de hele wereld, het schilderij werd onverkoopbaar geacht. Tenzij het een diefstal op bestelling betrof, bedoeld om de collectie van een obscure verzamelaar te vervolledigen.

“De politie dacht eerst dat de diefstal het werk was van de Bonnotbende”, zegt Stéphane Gauffeny. Onder leiding van Jules Bonnot maakte een groep criminelen dat jaar Frankrijk onveilig. Geïnspireerd door het anarchisme en het denken van Friedrich Nietzsche overvielen ze banken, wapenzaken en rijke, vooraanstaande burgers. Daarbij maakten ze gebruik van hoogtechnologische snufjes: automatische geweren en automobielen. Door hun ‘geavanceerde technieken’ wisten ze telkens weer aan de rijkswacht te ontsnappen.

Er volgden huiszoekingen bij de werknemers en oud-werknemers van het Louvre. De politie klopte ook aan bij Vincenzo Peruggia, die kortstondig in het Louvre werkte en de glazen beschermingswand vervaardigde waar het schilderij achter hing. Zoals iedereen moest ook Peruggia zijn rechterhand aanbieden voor vingerafdrukken. “Dat was toen state of the art”, weet Stéphane Gauffeny. “Het gebruik van de wetenschap in gerechtelijke onderzoeken begon in 1883 in Frankrijk, door dossiers te klasseren op basis van de lichaamskenmerken van de daders. Tien jaar later kwam de vingerafdruk uit Groot-Brittannië aangewaaid. Het was helemaal niet courant om daarmee te werken. Dat het in het onderzoek naar de Mona Lisa toch gebeurde, duidt op het belang dat men toen aan het onderzoek hechtte.” Maar ook in Peruggia’s Parijse appartement konden de speurders niets vinden. Een vergissing van formaat, zo zou later blijken.

Geheimagenten in de Metropole

De Mona Lisa won aan populariteit. Ze werd het gezicht van sigaretten en korsetten, figureerde op postkaarten en schopte het tot onderwerp van grappen en liedjes. Van icoon van de hoge kunsten tot uithangbord van de populaire cultuur en weer terug.

Een spoor naar de echte Mona Lisa bleef uit. Twee pistes leidden de Franse speurders onder meer naar België, weet Jérôme Coignard. De Franse auteur publiceerde vorig jaar Une femme disparaît. Le vol de la Joconde au Louvre en 1911. In zijn boek plaatst hij de diefstal van het schilderij in zijn context. Coignard beschrijft de Franse samenleving van 1911 en zet uiteen hoe de verdwijning van het schilderij ook de diplomatieke verhoudingen in rep en roer zette.

“Een Nederlandse detective had een tip uit het milieu van de kunstdieven gekregen dat het mogelijk om een Belgische filière ging”, vertelt Coignard. “De bende van Pinon, een verzameling oplichters en antiquairs, zou uit Brussel zijn afgezakt om hun slag te slaan in Parijs. Een van de leden was een Duitser, Otto Rosenberg.”

In de herfst van 1911 trekken twee agenten van de Franse staatsveiligheid naar Brussel. Hun opdracht: de Mona Lisa met een list afhandig maken van het geboefte. Om het vertrouwen van de bende te winnen geven de agenten zich uit voor een Amerikaanse miljonair en diens secretaris. Ze nemen hun intrek in het chique Metropole-hotel aan het De Brouckèreplein, schaffen zich een blinkende automobiel aan en smijten het geld door deuren en vensters naar buiten. “Dat trok de interesse van de bende”, zegt Coignard. “Ze zeiden dat ze het schilderij hadden, maar de bendeleider deed er heel mysterieus over. Hij weigerde te onthullen waar het was en wie het in zijn bezit had.” De geheimagenten doen een ultieme zet. Ze lokken de bende van Pinon naar de haven van Antwerpen, waar ze een jacht hebben gehuurd om indruk te maken, de Georgina. Maar nog laten de bendeleden niet het achterste van hun tong zien.

Wanneer het geld op is, worden agenten terug naar Frankrijk geroepen. Vanuit Parijs en Londen laten ze nog brieven sturen onder de hoofding ‘Georgina’. Weer hapt de bende niet toe. “De Franse politie was het beu en liet een jonge agent de vrouw van een bendelid schaduwen”, aldus Coignard. “Door zijn onervarenheid rook de vrouw rook echter onmiddellijk onraad. Men heeft toen in zeven haasten huiszoekingen moeten organiseren, opdat er geen bewijsmateriaal zou verdwijnen.” Maar geen Mona Lisa.

De druk op de Franse politie neemt toe. Het enige wat ze hebben, is een vingerafdruk en een afgeschroefde deurklink, teruggevonden in een gracht. De loodgieter die de verdachte buitenliet, krijgt foto’s van alle personeelsleden te zien, maar moet voortdurend zijn hoofd schudden.

Exact een week na de diefstal biedt zich op de redactie van Paris-Journal een opvallend heerschap aan, dat zich baron Ignace d’Ormesan laat noemen. Glimmende schoenen, modieus pak, vilten hoed. De baron laat de hoofdredacteur een Iberisch beeldje zien waarvan hij beweert dat hij het in mei 1911 ontvreemdde uit het Louvre. Hij heeft het ook over twee eerdere diefstallen van beeldjes, die hij verkocht aan bevriende schilder.

Als een dag later een artikel over de merkwaardige diefstallen verschijnt, schiet de politie in actie. Als de bende kunstdieven echt die beeldjes uit het Louvre stal, dan zouden ze wellicht de Mona Lisa ook hebben. Wat de politie niet weet, is dat de baron geen baron is, maar een avonturier-oplichter uit België. Het gaat om Géry Pieret, geboren in 1884 als de zoon van een advocaat uit Merchtem. Wanneer zijn vader sterft, hertrouwt zijn moeder met een magistraat van het Brusselse parket. Het gezin vestigt zich in Jette en Pieret schrijft zich in voor de cavalerie in een Brussels regiment. Na de dood van zijn vader deserteert hij. Hij zit zijn straf uit, herintegreert bij de cavalerie, deserteert weer en vlucht naar Parijs. Het is 1904. De 20-jarige Pieret vindt een baantje op de redactie van Journal des rentiers, een blaadje van de Franse bank Lepère. Daar ontmoet hij de Frans-Poolse dichter Guillaume Apollinaire. Hun gesprekken komen al snel uit bij kunst en literatuur.

Pierets ontslag op de krant, nadat hij een bankdirecteur probeerde te chanteren, is het begin van een vruchtbare correspondentie tussen beiden. Pieret keert terug naar België en vervoegt de jagers te paard in Doornik. Wanneer hij wordt veroordeeld voor diefstal, schrijft hij aan zijn vriend: “Mijn beste Kostro (Guillelmus Kostrowitzky is de Poolse naam van Apollinaire), ik verlaat binnenkort de gevangenis. Ik heb me voor de Krijgsraad zo briljant verdedigd dat ik de minimumstraf heb gekregen: 14 dagen cel. ‘Mijne heren’, zei ik aan de gezworenen. ‘U hebt te maken met een artiest. En kunst pardonneert alles!’”

In 1911, na omzwervingen in Californië en New York, belandt Pieret weer in Parijs. “Apollinaire heeft hem toen aangeworven als zijn secretaris”, zegt Coignard. “De schrijver was zo gefascineerd door Pieret dat hij zelfs een roman op hem baseerde.” De vriendschap bekoelt wanneer Pieret de diefstal van drie Iberische beeldjes ter sprake brengt op de redactie van Paris-Journal. Vanwege zijn constante geldgebrek biedt Pieret zelfs een beeldje te koop aan.

Verwend door de aandacht laat de oplichter uit Merchtem ook nog verstaan dat de twee overige beeldjes in het bezit zijn van een vriend van Apollinaire, een zekere Pablo Picasso. “Apollinaire en Picasso zijn toen in paniek geslagen”, weet Coignard. “Apollinaire was een Pool en had een paar kleine veroordelingen achter zijn naam staan. Picasso werd door de politie in de gaten gehouden. Ze vreesden allebei uit het land te worden gezet.”

Apollinaire en Picasso willen de beeldjes in de Seine gooien, maar bedenken zich en dienen zich aan op de redactie van Paris-Journal. Apollinaire wordt gearresteerd en een week op secreet opgesloten. Coignard: “Vreemd genoeg is de naam van Picasso nooit verschenen in de Franse pers. De onderzoeksrechter had snel door dat zij niets met de diefstal van de Mona Lisa hadden te maken. Apollinaire werd buiten vervolging gesteld en Pieret kreeg tien jaar voor de diefstal van de beeldjes.”

Weer België

Géry Pieret was intussen in rook opgegaan. De interesse van de Franse politie voor de Belg verdween helemaal toen de echte dief zich bekendmaakte. In november 1913 kreeg Alfredo Geri, een antiekhandelaar in Firenze, een brief van een zekere Leonardo. De brief was afgestempeld op de Place de la République in Parijs. De schrijver beweerde het gestolen werk van Da Vinci in zijn bezit te hebben. Toen Geri de anonieme briefschrijver vroeg of het echt om de Mona Lisa ging, antwoordde ‘Leonardo’ dat hij het schilderij zelf stal uit het Louvre en bereid was het voor 500.000 lire terug naar Italië te brengen, “waar het thuishoort”.

Een gealarmeerde Geri lichtte de Italiaanse politie in, die een val opzette. De dief moest het doek te koop aanbieden in het Uffizi, waar het op zijn echtheid zou worden gecontroleerd. Als het schilderij echt de Mona Lisa was, zou de verdachte later worden ingerekend. Aldus geschiedde. De man die door de Italiaanse politie in zijn hotelkamer in Firenze werd gearresteerd, bleek niemand minder te zijn dan Vincenzo Peruggia, glaskunstenaar en oud-werknemer van het Louvre.

“De Fransen hebben vreselijk gefaald in het onderzoek”, vindt Jérôme Coignard. “De Mona Lisa heeft twee jaar in het appartement van Peruggia gelegen, die er dan ook nog eens zonder problemen de grens mee kon oversteken. Dat de huiszoeking niets opleverde kan ik nog begrijpen, maar dat de politie faalde door alleen zijn rechterhand te gebruiken voor vingerafdrukken, begrijp ik niet. De afdrukken van zijn linkerhand waren teruggevonden op het glas. Peruggia was bovendien eerder al veroordeeld, al zijn lichaamskenmerken stonden op een politiefiche.”

Blijft de vraag waarom de Italiaan het werk stal. Coignard heeft er wel een antwoord op. “Peruggia schreef in 1915 een verhaal over hoe de diefstal echt is gegaan. Dat hij in het Louvre werd benaderd door een Duitser die hem oppookte: ‘Kijk eens naar al die mooie Italiaanse kunstwerken. Jammer dat ze hier hangen, en niet Italië!’” Hij kan het niet bewijzen, maar volgens Coignard was die Duitser Otto Rosenberg. Lid van de Belgische bende van Pinon. Spion voor het Duitse regime, die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog de Frans-Duitse spanningen moest opdrijven. “In Berlijnse archieven uit 1911 heb ik waarschuwingen teruggevonden over Rosenberg, gericht aan de Franse politie. Ja, de Mona Lisa is terug, de dader is veroordeeld. Maar achter de roof van de eeuw zit voor mij een veel groter verhaal.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234