Woensdag 08/12/2021

De metafysica van het genieten

Eenvoudig maar niet simpel: Arjen Duinker. 'Ook al is het niet zo'

In De gids (1994) lichtte de Nederlandse dichter Arjen Duinker het streefdoel van zijn schijnbaar lichtvoetige dichtkunst toe: "Ik probeer dingen dichterbij te brengen - in de hoop dat ze mijn omgeving kunnen verrijken." Duinkers gedichten zijn dan ook vaak opsommingen, gevarieerde herhalingen, zonder diepzinnige beschouwingen of abstracte redeneringen. Deze dichter wil de dingen nemen zoals ze zijn, lezen we in enkele schaarse interviews. In Losse gedichten (1990) vat hij dat zo samen: "Ik bemin wat er zoal is, / zoals het is." Als een gevelreiniger wil hij de oogverblindende betekenissen en voorstellingen van de dingen wegpoetsen. Duinker schrijft geen poëzie waarin het begrip wordt nagejaagd. Betekenis staat immers in de weg van de pure sensatie. Ervaringen, sensaties, mogelijkheden vormen de voedingsbodem van deze hedonistische poëzie.

De ongebreidelde liefde voor de dingen is ook weer het centrale thema in Duinkers nieuwe dichtbundel Ook al is het niet zo. De dingen weten immers niets van zichzelf. De ontdekking van het ding achter het woord is voor Arjen Duinker en voor de lezer een intrigerende speurtocht. De taal benoemt. En elke naam is eigenlijk een reductie van het ding, een ijdele poging om dat ding te vatten. Taal is vooral een middel om ons te handhaven in de dagelijkse chaos, woorden pretenderen houvast te bieden. Maar eigenlijk is de realiteit ongrijpbaar, onbegrijpelijk. Dit besef ligt ten grondslag aan Duinkers opvallend beeldrijke en directe poëzie.

In zijn lofzang op het onbenoembare, waarin hij de dingen wil laten zijn zoals ze zijn, weerklinkt een ondertoon van mislukking. Want woorden zijn met betekenissen verbonden. Daar kan de dichter niet buiten. Nooit. Achter lichtvoetigheid liggen duisternis en somberte, zoals in Losse gedichten al duidelijk bleek.

Het ik in Duinkers poëzie is steeds weer een verbaasde observator, iemand die de dagelijkse sensaties ondergaat en gulzig beleeft. Hij tracht de hectische eenvoud van de realiteit gestalte te geven in zijn speelse enumeratie van onvergelijkbaarheden (ik speel even leentjebuur bij De Coninck). De levenslust probeert hij in woorden en beelden te vangen, veelal schijnbare of echte tegenstellingen. Dit is een manier om zich aan de logica van het willen begrijpen te onttrekken. Zoiets abstract als de verte, een centraal motief in de 'Seaport Terminal'-gedichten, wordt in het gedicht 'Vooruitzicht' omschreven in tegenstrijdigheden, als "een gulle gever en een alleseter /die ons opslokt". En de golven van de zee zijn in 'Moet je luisteren' zowel uitlopers van de horizon als voorboden ervan, zowel melancholiek als krachtig. Die paradox zit ook al in de titel van de bundel. In 'Poëzie door een wereld door een poëzie' lees ik de regel "Zo is het, ook al is het niet zo".

Deze sterk ritmische observatiekunst van de gewone dingen thematiseert de gretige zoektocht naar datgene wat achter de vanzelfsprekendheid schuilgaat. Niets is immers gewoon, alles wekt verwondering. In een interview beweerde Arjen Duinker dat het hem in essentie gaat om sterke dingen, om krachtige dingen, om sublieme dingen.

Een parafrasering van Duinkers poëzie zou kunnen zijn dat wie zich niet vastlegt in taal, wie de dingen niet benoemt maar ondergaat, pas echt kan genieten van en open staat voor de wereld van zeer verscheiden indrukken. Het gaat namelijk niet om het begrijpen, wel om het zintuiglijke genot: "Maar ik hoef niet alles te weten / En nog minder kan ik begrijpen." Dat geeft zijn poëzie een herkenbaar naïef, simpel cachet, zoals in 'Wioe-wioe!': "De appel heeft geen weet van zijn ontstaan. / Is appel zonder het te weten. / Eenvoudig en magnifiek."

Duinkers poëtische personages zijn allen op zoek naar het mysterie, de rijkdom achter de schijnbare eenvoud, achter de logica die we menen te vinden in de werkelijkheid. In zijn streven naar het uitdrukken van de ruimte van het volledige leven, schuift hij onder meer de wetten der causaliteit aan de kant. Het ik wil de begrenzingen ontstijgen, hij wil tijd en ruimte ànders invullen. Zoals in het prachtige gedicht 'Terugtocht':

Soms zoek ik vroege rozen In de woestijn van alledag. Soms zoek ik late rozen In de tuin van mijn jeugd. En tussendoor ga ik soms Nieuwsgierig naar het ezeltje Dat tijdloos in zijn weiland staat. Tot verdriet van de planoloog. Tot ergernis van de golflobby. Tot woede van het wegennet.

Zelfs de natuurwet wordt omzeild: in 'Evolutietheorie' gaat de zon onder in het oosten. Duinker wil het onlogische in de wereld uitbeelden. Wat wij als talige wezens ervaren als oppositioneel is helemaal geen tegenstelling in die poëtische wereld achter de schijngestalte van de vanzelfsprekendheid. Het is een universum van alles en niets, waarin de verrukking van het zien, voelen en ruiken tot uitdrukking wordt gebracht. Precies hier schuilt het enigma. Het geeft Duinkers poëzie duidelijk iets mediterraans. Eerder is immers al gewezen op affiniteiten met de poëzie van Pessoa, Drummond de Andrade, Lorca, Neruda en anderen.

Diezelfde expressieve taalkracht spreekt uit Duinkers oden aan de gewone dingen. Abstracte begrippen baren verhalen, fabels, mythen, sprookjes. Zijn bundel staat er vol van. In 'Voor en achter' lees ik programmatisch: "Te kijken naar de verte alsof de verte een ding is, / Te kijken in de verte alsof de verte een verzinsel is." Poëzie biedt de dichter de vrijheid om dat gestalte te geven, in herhalingen en paradoxen, omkeringen, dubbelzinnigheden en opsommingen.

Duinker is een liefhebber van kleurrijk en gevarieerd woord- en beeldgebruik: fragmenten in spreektaal wisselen af met lyrische beschrijvingen van zintuiglijke ervaringen. En altijd weer is er die zangerigheid, door de vele bijna woordelijke herhalingen, het gebruik van anaforen en ritmische patronen. In die ongecompliceerde, directe taal weerklinkt op een gevarieerde toon de metafysica van het genieten, de levensbeschouwing van het pure waarnemen. In het slotgedicht 'Manvarier en ik' lees ik een zoveelste eigenzinnige formulering van dit aanstekelijke en vitale adagium: "- o wie daar en daarbuiten jaagt, // Blijft jagen, struikelend van wellust, de vlakte betreedt, / Waar de grassen hun adem inhouden onder zijn besliste tred, // En op de wereld jaagt met zijn glooiende zintuigen, ha!, / Terwijl hij fluistert en gilt, wie dat op zo'n manier kan, // Kan en doet, daar en hier, jagen om het rijke gevecht, / De grote strijd, om zijn zintuigen dag en nacht te beproeven."

Arjen Duinkers eigenzinnige idioom is helder en verrassend. Daar ontleent zijn aardse, mystieke poëzie, zonder illusies van begrippen, zijn pretentieloze karakter aan. Pretentieloos maar niet simpel of ondoordacht:

O ja, ik las vurige pleidooien, Smeekbedes en schotschriften, Maar ik heb geen antwoord En ik zal geen antwoord hebben. Bij de ingang van het technisch museum Huivert mijn jas. Ik ga hem halen.

Arjen Duinker, Ook al is het niet zo, Meulenhoff, Amsterdam, 61 p., 598 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234