Donderdag 19/05/2022

'De mens is gemaakt om te vechten'

Die vuisten. Die spieren. De mens is gemaakt om te vechten, betoogt hoogleraar David Carrier. En hij staat op en haalt uit naar de verslaggever.

Het begon allemaal met een stevige ruzie. Het ging over potvissen, herinnert hij zich. David Carrier, hoogleraar vergelijkende biomechanica aan de Universiteit van Utah, had in een vakblad betoogd dat potvissen die stompe kop niet voor niets hebben, maar als stormram. Om te vechten. En, zo nu en dan, een walvisschip te rammen.

Daar was zijn oude vriend Frank Fish - sorry, de man heet echt zo, zegt Carrier - het niet mee eens. Frank Fish, de walvissenexpert. Die Carrier begreep er niks van, en trouwens, wat bemoeide hij zich eigenlijk met walvissen?

"Op een congres in Australië liep het helemaal uit de hand", vertelt Carrier, aan de keukentafel van zijn gastvrouw, evolutiebioloog Frietson Galis. "Frank begon in de gang tegen me te schreeuwen. Woedend was hij. Hij zwaaide zijn gebalde vuist voor mijn gezicht: ik zou je hiermee een hengst kunnen geven, het is dat mijn hand daar niet voor is geëvolueerd.

"Waarop er opeens een gedachte door me heen schoot: wacht eens... misschien is-ie dat wél."

En ruim tien jaar later stond u in een lab een ongewoon experiment uit te voeren. U nam menselijke armen van dode donoren, en maakte er een soort stormrammen van, om te meten welke krachten de botten bij het stompen opvangen.

"Er ging jaren voorwerk aan vooraf. Eerst deden we experimenten waarbij we vechtsporters op verschillende manieren tegen een boksbal lieten slaan, om de krachten te meten. Op een gegeven moment had ik een paar studenten die het idee hadden om de arm van een kadaver in een schommel te hangen, zodat we sensoren konden inbouwen om de krachten op het bot te meten. Dat hebben ze gedaan."

Maar een heibel dat het gaf.

"Dat gaven onze experimenten daarvoor ook al. Soms is het haast komisch, de weerstand die ons onderzoek oproept. Ik maak vrij vaak mee dat mensen bij voordrachten de zaal uitlopen, of dat studenten demonstratief hun hoofd op tafel leggen als ik het woord neem. Een paar jaar lang heb ik het zelfs vertikt over dit onderwerp te praten, zo zat was ik alle kritiek. Met name in de VS ligt ons onderwerp zeer gevoelig. Ík lig gevoelig. Mensen houden hier gewoon niet van."

Want u brengt een grimmige boodschap: we hebben die vuisten niet voor niets. Het kwaad zit niet daarbuiten; het zit ingebouwd in ons lijf.

"Ik denk dat veel mensen bang zijn dat als we bewijs vinden dat we anatomisch gespecialiseerd zijn voor agressie, het op de een of andere manier wangedrag en agressie zou rechtvaardigen. Dat je kunt zeggen: tja, het is nu eenmaal onze aard om te vechten in de kroeg. Het is onze natuur om zwakkere groepen te discrimineren, uit te buiten, te doen wat we maar willen."

Volgens het boekje gingen onze verre, aapachtige voorvaderen zo'n 6 miljoen jaar geleden rechtop lopen omdat het klimaat verdroogde. Het landschap werd opener, je moest wel rechtop staan, om je kind te dragen, roofdieren te zien, het hoofd koeler te houden.

"Er zijn allerlei uitstekende verklaringen voor het feit dat we rechtop gingen lopen. Maar wat in al die mogelijke verklaringen ontbreekt, is vechten. Na al onze experimenten kunnen we zeggen: voor vechten biedt het een voordeel als je tweebenig bent, omdat het je armen en handen vrijmaakt. Dat wil niet zeggen dat het dé reden is waarom we tweebenig werden. Maar misschien wel een van de redenen. De grote mensapen zijn een relatief agressieve groep. Misschien klommen ze uit de bomen omdat het makkelijker is om op de grond te vechten. En is een van de redenen dat we tweebenig werden concurrentie tussen de mannetjes om de vrouwtjes."

Vuisten zijn beslist niet de enige aanpassing waarin Carrier onze innerlijke vechtjas herkent. Het duurt niet lang of de 60-jarige hoogleraar hopt als een bokser door de keuken van zijn gastvrouw en maait met zijn armen om zich heen. Om maar even te laten zien waar je semitendinosus precies zit, en hoe je de gluteus maximus aanspant als je uithaalt, vertelt hij terwijl de verslaggever zijn vuist ontwijkt.

En dan moeten de vragen over de bijlen en speren nog komen.

We zijn allang niet meer de gedrongen, massieve, pitbullachtige oermensen van miljoenen jaren geleden.

"Inderdaad. De Australopithecen, onze vroegste rechtop lopende, aapachtige voorouders, hadden enorme, versterkte gezichten, met zware wenkbrauwen, grote jukbeenderen en robuuste kaken. We denken dat dit aanpassingen zijn om klappen beter te kunnen opvangen. Maar vanaf ongeveer 2,5 miljoen jaar geleden, bij de mensachtigen, wordt het gezicht minder robuust. De traditionele verklaring is dat het door voedsel komt: we gingen koken, anders eten, hoefden minder hard te kauwen. Zelf denk ik dat het met spraak te maken heeft.

"Toch heeft ook hier niemand het over vechten. Je mag aannemen dat de Australopithecen veel vochten met hun armen en ledematen. Soms met stokken of botten, misschien. Maar de hominiden zullen steeds meer zijn overgeschakeld op wapens. Simpele wapens als een van de puntige stenen waarvan we er zoveel vinden, of een stok met een punt eraan. Omdat je daarmee vaker boven op het hoofd slaat zal het gezicht een minder belangrijk doelwit zijn geworden. Het zal de evolutie van kleinere gezichten makkelijker hebben gemaakt."

Ik denk dan: zijn we niet gewoon socialer geworden? In staat om te zeggen: hou eens op?

"Dat is zeker een mogelijkheid. Dat we tegenwoordig minder agressief zijn. Misschien zijn we veranderd van een gorilla in een bonobo."

We kregen wel meer sociale trekjes: een groter brein, oogwit, hechtere leefgemeenschappen.

"Interessant vind ik het idee dat ons kleinere gezicht misschien samenhangt met minder testosteron. Op een gegeven moment werd het belangrijk coöperatiever te zijn. Dus moest ons testosteron omlaag, voor een betere sociale omgang. Met als bijeffect dat ons gezicht minder robuust werd, want testosteron hangt samen met zwaardere gezichtsbotten.

"Ook hier geldt: het een sluit het ander niet uit. Aan de ene kant zijn we ongelooflijk bekwaam in samenwerken, zorgen, sociaal zijn, empathie. Dat is onderdeel van wie we zijn. Maar we kunnen ook zeer snel omschakelen naar de moordlustige-maniakmodus, de woeste-agressormodus. Dat deel is er ook."

Een januskop: we zijn zowel de snoezige bonobo als de onberekenbare chimpansee.

"Ja, en hoe verenig je die twee in één soort? In één individu? Ik denk dat daarvoor een verklaring is: onze baby's. We hebben van alle diersoorten het meest afhankelijke nageslacht. Een jaar of 15 duurt het voor ze, bij jager-verzamelaars althans, in hun eigen voedsel kunnen voorzien. En de mentale ontwikkeling - ergens goed in worden, ervaring opdoen - gaat zelfs nóg langzamer!

"Dat vergt een enorme ouderlijke investering. Van de moeder, én van de gemeenschap, want we hebben nog iets voor zoogdieren zeer ongewoons: de vader doet mee. Dat heeft gevolgen, want om jarenlang voor je nageslacht te kunnen zorgen, moet je ook als vader een enorme aanleg hebben voor onbaatzuchtigheid, empathie en samenwerking."

De gorilla van weleer is dus een brave huisvader geworden.

"Dat is één kant. Er hoort ook bij dat je moet kunnen veranderen in een raging monster, om je kinderen te verdedigen. Bij diverse andere soorten zie je dat uitvoerige ouderzorg samenhangt met grote dodelijkheid: spinnen, schorpioenen, gifslangen, wolven, beren. Bij mensen is het verschil dat het niet de vrouw is die gewapend is. Het wapen van de vrouw is het mannetje.

"In Nederland heb ik kennisgemaakt met de Groningse gedragswetenschapper Johan van der Dennen. In zijn boek The Origin of War, uit 1995 alweer, stelt hij dat oorlog is geëvolueerd als een soort vorm van ouderlijke investering. Dat is een enorm belangrijk idee, vind ik. Ik denk dat zijn werk lang niet de erkenning krijgt die het verdient."

U eindigt lezingen steevast met een grafiek van Steven Pinker, auteur van The Better Angels of Our Nature. Daarop zie je hoe dodelijk geweld door de eeuwen heen sterk afneemt: van jaarlijks ongeveer 40 moorden per 100.000 mensen in 1300, tot maar 1 nu.

"Ik vind het belangrijk om mensen eraan te herinneren dat agressie maar een deel van het plaatje is. De donkere kant. Er is nog een ander deel, net zo sterk en belangrijk. En ik denk dat die kant op het moment aan de winnende hand is. Dat is het punt van Steven Pinker. Er zijn ook redenen om optimistisch te zijn."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234