Zondag 19/01/2020

De meester van de anticlimax

Hij was als schrijver kort van stof, onvoorspelbaar en antirationeel. In al zijn verhalen, versjes, anekdotes, scènes waarin hij zijn eigen wereld van totale ontregeling schiep, vonkt een grillige, absurdistische, zwarte humor. Bij leven was de Russische miniaturist Daniil Charms (1905-1942) bij lange niet zo populair als hij nu, een halve eeuw na zijn dood, al enige tijd blijkt te zijn: zopas weer verscheen een zeer ruime keuze uit zijn werk in het Nederlands.

Piet de Moor

Op de kade van onze rivier had zich een grote menigte verzameld. De commandant van het regiment Sepoenov was te water geraakt. Hij kreeg een hele hoop water binnen, sprong tot aan zijn buik uit het water, schreeuwde en ging andermaal kopje onder. Met zijn armen sloeg hij naar alle kanten en opnieuw schreeuwde hij om hulp.

De menigte stond aan de kant en keek bedrukt toe. 'Hij verdrinkt,' zei Koezma. 'Ja, dat is duidelijk,' bevestigde een man met een pet op. En inderdaad, de commandant van het regiment verdronk. De menigte ging uiteen.

Ze zijn kort en laconiek en de humor erin is van de zwarte soort, de verhalen, gedichten, cycli, dagboekaantekeningen, sketches en brieven die de Petersburger Daniil Charms geschreven heeft. Tijdens zijn leven is er vrijwel niets van gepubliceerd, Charms' roem kwam pas lang na zijn dood. Nu is er onder de titel Ik zat op het dak een zeer ruime keuze uit zijn werk in het Nederlands vertaald.

In zijn gedecideerde bondigheid ligt de kracht van deze schrijver, die in 1937 moeilijkheden met de autoriteiten krijgt omdat hij in het kindertijdschrift Tsjizj ('Het sijsje') een gedichtje heeft gepubliceerd over een man die zijn huis verlaat en niet meer terugkeert. Vooral de voorlaatste strofe gaf aanstoot:

Eens liep hij in de morgenstond Het bos in en sindsdien, Van dat moment, Van dat moment, Heeft niemand hem gezien.

Na de publicatie van dit gedicht, waarin de overheid een toespeling meent te zien op de verdwijningen die onder Stalin in de jaren dertig schering en inslag waren in de Sovjetunie, wordt het werk van Charms een jaar lang uit het tijdschrift geweerd. Iemand heeft hem verdacht gemaakt. Op 1 juni 1937 noteert hij in zijn dagboek:

"Een nog verschrikkelijker tijd is voor mij aangebroken. Bij Detizdat (de uitgeverij, nvdr.) hebben ze aan een paar van mijn gedichten aanstoot genomen en zijn ze begonnen me kapot te maken. Ik word niet meer gepubliceerd. Ik krijg geen geld meer uitbetaald, onder het voorwendsel van onverwachte vertragingen. Ik voel dat er iets geheimzinnigs, boosaardigs gebeurt. We hebben niets te eten. We hebben vreselijke honger. Ik weet dat mijn einde gekomen is. Ik ga nu naar Detizdat om te horen te krijgen dat ik geen geld krijg." Een paar uur later schrijft hij twee zinnen op: "Ik heb bij Detizdat zojuist geen geld gekregen. Dit betekent onze ondergang."

Uit acute financiële nood ziet Charms zich gedwongen om tegen zijn vrouw te liegen, om spullen te verkopen die iemand anders toebehoren en om zijn horloge, een geschenk van zijn moeder, te verzilveren. Eerder al, in 1931, waren Charms en enkele vrienden uit de kring van Oberioe (een letterwoord afgeleid van Objedinenje Realnogo Iskoesstva, 'Vereniging voor Reële Kunst', een experimentele groep die het niet eens was met de officiële kunstdoctrine) gearresteerd en enkele maanden naar Koersk verbannen op beschuldiging van organisatie van en deelname aan een anti-sovjetgroepering van literatoren. Aan het einde van 1932 mocht Charms naar Leningrad terugkeren, een stad die hij altijd consequent Petersburg is blijven noemen.

Wie de wereld van Charms betreedt, doet er goed aan zich stevig vast te snoeren, want niets staat op zijn plaats bij deze schrijver, die in zijn notities steeds weer beklemtoont dat hij niet geïnteresseerd is in de overgeleverde logica. "Mij interesseert alleen 'onzin'; alleen dat wat geen enkele praktische zin heeft. Mij interesseert het leven alleen in zijn ongerijmde verschijningsvorm," noteert Charms eind oktober 1937. Die nadruk op wat vanuit het gezichtspunt van de logica onzinnig en dwaas is, maakt hem natuurlijk tot een onhandelbaar mens, zowel maatschappelijk als privé. Net zoals hij zichzelf in zijn verhalen klem rijdt, lijkt hij ook in al zijn relaties met mannen en vrouwen vast te lopen, in de vriendschap en in de liefde.

Maar in zijn vertellingen kan Charms er zich met een kunstgreep van afmaken. Hij begint zijn verhaal, drijft de spanning op en breekt dan plots af, gebruikmakend van slotzinnen als "Nee, hier komen we vast te zitten. En we weten zelf niet wat we ervan zeggen moeten. Tot ziens." Het langste verhaal uit de bundel, de novelle De oude vrouw, wordt bruusk afgeknipt met de mededeling dat het manuscript tijdelijk besloten wordt "aangezien ik van mening ben dat het toch al rijkelijk lang geworden is". Het liefst laat Charms de lezer in medias res achter. Nauwelijks is hij met 'De schilder en zijn horloge' van wal gestoken, of hij coupeert al met "Ach! Ik zou nog meer kunnen schrijven, maar de inktpot is ineens verdwenen". Als de verteller van het verhaal 'Over Poesjkin' na twaalf regels dubben besluit dat hij toch maar iets over Poesjkin zal schrijven omdat Gogol te groot is om iets over hem te zeggen, bedenkt hij zich in de slotregels als volgt: "Maar na Gogol over Poesjkin schrijven is enigszins beledigend. Daarom kan ik beter over niemand schrijven."

Zo wordt de lezer de hele tijd op het verkeerde been gezet. In tegenstelling tot zijn epigonen - en hij kreeg er uiteindelijk heel wat - blijft Charms in zijn miniatuurvertellingen altijd onvoorspelbaar. Soms, in zijn elliptische, opsommende, aforistische en tautologische constructies gaat het hem kennelijk vooral om de lust van het formuleren zelf, het spel met de taal. Hij is de meester van de anticlimax. Een goed voorbeeld daarvan is het volgende verhaal (zonder titel) uit 'Cycli':

"Het is nuttig als een mens alleen dat weet wat hij hoort te weten. Ik kan daar een voorbeeld van geven: er was eens een man die iets meer wist en een ander die iets minder wist dan wat ze hoorden te weten. En wat gebeurde er? Degene die iets minder wist, werd rijk, en degene die iets meer wist, kon zijn hele leven redelijk rondkomen."

Charms kon niet omgaan met de praktische rationaliteit van een georganiseerde samenleving en hij functioneerde helemaal niet in verhoudingen met mensen die van hem een redelijke mate van voorspelbaarheid verwachtten. Hij hield van provoceren, de puriteinse sfeer in de Sovjetunie beviel hem niet. Een vrouw, schreef hij, is alleen de moeite waard als ze de belichaming is van lust, weelderigheid en zinnelijkheid. "Ze moet een verband dragen om haar geslachtsdelen om te voorkomen dat die druipen van het vocht. Als ze 's avonds dat verband afdoet, is het zo nat dat je het kunt uitwringen," luidt een passage in 'Verhalen en scènes'.

Maar in het dagelijkse leven vond Charms bij geen enkele vrouw een beetje innerlijke rust, zijn nerveuze excentriciteit was immers geen pose, maar gewoon zijn natuur. Na zijn terugkeer uit ballingschap in Koersk scheidde hij van zijn vrouw Esther Roesakova, wat gepaard ging met grote schuldgevoelens. Sinds hij met Esther was getrouwd had hij niets behoorlijks meer geschreven en zich van alle kanten niets dan ongeluk aangehaald," klaagde hij in zijn dagboek. Maar er was geen andere keuze dan uit elkaar te gaan: "Esther, als rationele geest, is mij vreemd. Op grond daarvan belemmert ze me in alles en irriteert ze me. Maar ik houd van haar en wil voor haar alleen het goede. Voor haar is het ontegenzeggelijk beter van mij te scheiden; in mij is niets dat van waarde is voor een rationele geest." En vervolgens roept hij God aan om hem bij te staan.

Charms knoopt in 1933 een hartstochtelijke relatie aan met de toneelspeelster Claudia Poegatsjova, maar ook die verhouding loopt uit op een bittere breuk. Toch slaagt hij er niet in alleen door het leven te gaan. In 1934 trouwt hij met Marina Vladimirova Malitsj, een verbintenis die hem een kater bezorgt: "Marina ligt er beroerd bij. Ik houd veel van haar, maar wat is het vreselijk om getrouwd te zijn", en een pagina verder in het dagboek: "Het 'geslachtelijke' kwelt me. Wekenlang, en soms zelfs maandenlang heb ik geen omgang met een vrouw."

Charms was trots op zijn werk. Zijn oeuvre was zijn leven. Talentloosheid beschouwde hij als een vloek. "Alle woorden moeten noodzakelijk zijn," vond hij, en ook: "Schrijf niet zomaar woorden op." Soms was hij plechtstatig ernstig: "De mens is niet bij machte zijn plicht te vervullen als hij er geen waarachtige Interesse voor heeft. Als de waarachtige Interesse van een mens samenvalt met de richting van zijn plicht, dan zal zo iemand tot een groot mens worden."

Zijn talent gebruikte Charms om een wereld te scheppen van complete ontregeling. Dat betekent niet dat het altijd slecht hoeft af te lopen, alleen is de goede afloop alleen maar een variant van een constellatie die fundamenteel absurd is. Dat is nu juist wat Charms lezen zo boeiend maakt. Er is geen plaats voor een moraliserend vingertje, geen ruimte voor kabbelend gepsychologiseer, de wereld die hij oproept is er een van bloedig geweld, van onbehouwen leedvermaak, van absolute onverschilligheid vanwege de deelnemers, een sadistisch universum waarin iedereen wordt gebruikt en waarin de onbeholpen personages, die zelfs van hun naam niet zeker zijn, dikwijls niet eens in staat zijn hun eigen voordeel te zien, of daar geen zin in hebben. Zo weigert de wonderdoener in De oude vrouw gebruik te maken van zijn toverkunsten:

"Hij wordt zijn woning uitgezet en hij weet dat hij maar met zijn vingers hoeft te knippen, of de woning is weer van hem, maar hij doet het niet, hij vertrekt gelaten uit de woning en gaat buiten de stad in een schuur wonen. Hij kan die schuur in een prachtig stenen huis veranderen, maar hij doet het niet, hij blijft in de schuur wonen en sterft ten slotte zonder in zijn leven ook maar één wonder te hebben verricht."

Charms, die zichzelf vaak als de schepper van de wereld voorstelde en poseerde als genie, creëerde een universum van slapstick en grandguignol, een wereld die tragikomisch is op het perverse af. Kunstgebitten en ledematen vliegen in het rond, mensen slaan elkaar zonder boe of ba dood en gooien elkaar als huisvuil weg, er wordt gekotst en verkracht, ontluisterd en ontmaskerd. Maar zodra het leven in kalmer vaarwater belandt, verzandt alles in verveling, landerigheid en onvermogen om ook maar iets te doen.

Zelfs als het goed gaat, is er wat aan de hand. "Met mij gaat alles verdacht goed," noteert Charms op zeker ogenblik over zichzelf. Maar wat moet Petja Gvozdikov met zijn verveling aan? "Petja liep naar de vestibule, koos uit het doosje een paar wat langere spijkers uit en bepeinsde waar hij ze in kon slaan. Als de kat er was geweest, was het natuurlijk interessant geweest de kat met zijn oor aan de deur vast te spijkeren, en met zijn staart aan de drempel. Maar de kat was er niet. Petja's oog viel op de piano. En uit verveling liep Petja daar op af en sloeg drie spijkers in het deksel van de piano."

In haast elk verhaal voel je de dreiging van repressie, vergelding, willekeur en terreur. Het is alsof de schrijver ons geen lichtpunt gunt, want in het wrede universum van Charms, die zijn brood verdiende met het publiceren van sprookjes en versjes, hoeven ook de kinderen "die in het beste geval wrede en grillige grijsaards zijn", niet op zijn genade te rekenen. In 1936 noteert hij in zijn 'Dagboekfragmenten': "Kinderen vergiftigen is wreed. Maar je moet er toch iets mee!"

Pose? Allicht, maar hij komt er wel telkens op terug. Kinderen zijn nog erger dan de doden, die ook al voor geen cent te vertrouwen zijn. In Charms' knekelhuis zijn de doden een bron van kwellende onrust voor degenen die het nog hebben overleefd. Ze kruipen in het rond, bijten in je been en besmetten je met hun lijkengif zodat je kort daarop zelf bezwijkt.

In oktober 1939 wordt Charms voor een paar dagen opgenomen in een psychiatrische kliniek. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken, maar de auteur wordt vrijgesteld van militaire dienstplicht. Op 23 augustus 1941 wordt hij opgehaald en afgevoerd met een van de zwarte raven, zoals de donkere auto's van de geheime politie worden genoemd. Volgens de overlevering is hij maar half aangekleed en op zijn pantoffels op het moment dat hij wordt gearresteerd. Op 2 februari 1942 overlijdt hij in een gevangenisziekenhuis, waarschijnlijk door verhongering. Niemand weet waar hij begraven ligt.

Hoe moeilijk zijn leven ook was, nooit heeft hij zijn verlangen opgegeven naar de kracht die hij in het leven en de kunst de 'zuiverheid' heeft genoemd, en op een zeldzaam ogenblik geeft Charms zich daarin ook bloot. In 1933 schreef hij vanuit Petersburg aan zijn geliefde: "Het is vreselijk te bedenken dat een mens geleidelijk aan alles went, of beter gezegd, vergeet waarnaar hij ooit hunkerde. Maar een andere keer is het al voldoende ergens vluchtig aan herinnerd te worden om alle wensen opnieuw te laten opvlammen, als ze tenminste vroeger, al was het maar voor een ogenblik, echt zijn geweest."

Piet de Moor

Daniil Charms (uit het Russisch vertaald door Margriet Berg, Yolanda Bloemen, Jan Paul Hinrichs en Marja Wiebes), Ik zat op het dak, Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 576 p., 1400 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234