Zaterdag 20/07/2019

'De mantel van de charlatan afwerpen? Dat lukt mij niet meer'

Een interview met Herman Brusselmans zonder over vrouwen en de liefde te praten, maar alleen over literatuur? Het lijkt een onmogelijke opdracht. Maar voor één keer wil de Gentse Volksschrijver toch graag de balans opmaken van 35 jaar 'compulsive writing'. 'Ik ga met moddervoeten door de porseleinkast van de literatuur.'

Er is een kleine bom ingeslagen in de bvba Herman Brusselmans. "Ik ben zopas ontslagen als columnist door Het Laatste Nieuws", zegt Brusselmans, zichtbaar van zijn melk. "Na negentien jaar trouwe dienst."

Nauwelijks heeft de schrijver me met een blaffende Eddie op de arm verwelkomd in zijn Gentse loft-hoofdkwartier of hij legt zijn zorgen open en bloot op de salontafel. "Budgettaire redenen", grimast hij. "En dus verdwijnt een flinke hap uit mijn inkomen. Als je iets weet?"

Net voor zijn 60ste verjaardag is het een opdoffer voor de auteur die er naast zijn romans ook een hels columnritme op nahoudt. Lichte paniek in de ogen: "Wat moet ik met die vrijgekomen tijd doen?"

"Maar de kommer en kwel verdwijnt op slag wanneer Lena binnenhuppelt. "Ah Lena, ge ziet er zo snel uit." De nieuwe 26-jarige Amsterdamse geliefde van Brusselmans is een sfeermaker. Keer op keer laat ze haar aanstekelijke lach door de ruimte galmen. Om tijdens het interview op de fameuze witte Ikea-bank geen duimbreed van Brusselmans te wijken. Af en toe frutselt ze een grijs haar uit zijn lokken of verwijdert ze een askegel. Of corrigeert ze ons. "Wat Herman schrijft, is gewoon fantastisch."

Hier heerst de god Verliefdheid, zoveel is zeker. Maar of de 34 jaar oudere Brusselmans nu echt naar Brussel zal verhuizen, zoals Lena graag wil, dàt blijft nog koffiedik kijken. "Ik moet daar nog eens zwaar over nadenken."

Eerst maar eens die 60ste verjaardag overleven, op 9 oktober. De Volksschrijver wil er liever niet te veel gedoe rond, al is hij vanavond wel de eregast bij Van Gils en gasten en worden her en der expo's en festiviteiten opgezet. "60 Jaar, ik schrik er zelf van. Je weet dat je geen twintig jaar meer gaat leven. Over twintig jaar ben ik hoogbejaard, maar in mijn hoofd ben ik soms nog 15 of 25."

Vooruit en voortgedaan: "Ik moet nog minstens tien boeken schrijven. Pas dan zal ik kunnen afbouwen."

Brusselmans' ritme lijkt de laatste tijd zelfs nog opgevoerd. Hij is apetrots op zijn zopas verschenen 75ste roman met de ironische titel Hij schreef te weinig boeken. Daarin toont hij zowel de zwartgallige, door demonen geteisterde Brusselmans als de hopeloos verliefde schrijver. Een frenetiek nachtboek, met als trigger zijn relatie met Lena.

Tegelijkertijd verschijnt de eerste serieuze biografie over hem. Academicus Rick Honings - weliswaar een harde fan - schreef Majoor van het menselijk leed waarin je Brusselmans ziet vervellen van Mooie Jonge Oppergod naar het Grote Meubelstuk van de Vlaamse Literatuur. "Ik vind het een eer dat iemand dat wou doen", zegt Brusselmans.

Het boek is de geknipte leidraad voor een trip down memory lane naar de roots van een schrijver die vanaf de eerste minuut het lezerspubliek in tweeën spleet.

Toen je er in 1987 resoluut voor koos om beroepsschrijver te worden, had je dan een idee van 'daar wil ik over tien of twintig jaar staan in de literaire wereld'?

Herman Brusselmans: "Nee, helemaal niet. Ik wou in de eerste plaats voltijds met schrijven bezig zijn. Twee uurtjes schrijven na je werk en dan weer vroeg op de volgende morgen? Dat zag ik echt niet zitten. Uiteraard was dat toen een sprong in het duister. Wie kon in Vlaanderen op dat moment van zijn pen leven? Jef Geeraerts en Hugo Claus, dat was het zo ongeveer.

"Vanzelfsprekend denk je bij zo'n stap aan het financiële aspect. Ik had een job als bibliothecaris bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) en ik verdiende daar toen welgeteld 21.000 frank in de maand (nu zo'n 500 euro, DL). Ik dacht: enfin, ik moet dat toch kunnen bolwerken. Ik publiceerde in tijdschriften, ging de baan op met Tom Lanoye en deed allerlei optredens. Ik kon mijn eigen leven indelen en bij voorkeur 's nachts werken. En ik verdiende al gauw meer dan bij de RVA. Ook omdat mijn eerste echtgenote Gerda voor de nodige financiële back-up zorgde. Al had ik wel een paar boeken nodig om te beseffen: dit wil ik écht doen. Waren mijn eerste twee boeken afgewezen, dan was ik wellicht nooit schrijver geworden."

Vooral met De man die werk vond drukte je je stempel op de toenmalige literatuur. En brak je door.

"Doorbreken is een groot woord. Mijn twee eerste boeken Het zinneloze zeilen (1982) en Prachtige ogen (1983) zorgden voor veel animo in de pers. Maar verkopen deden ze voor geen meter. Toen ik bij De man die werk vond verhuisde van uitgeverij In de Knipscheer naar Bert Bakker, ging de bal wel aan het rollen. Dat boekje kreeg herdrukken. Maar overschat het niet: dat ging nog maar om een paar duizend exemplaren."

De generatie voor jou noemde zich de 'stille generatie'. "Zij gingen er prat op dat ze geruisloos aan hun bureau onleesbare bullshit zaten te produceren", zei je ooit over hen. Maar jij stampte tegen schenen en gooide de regels van vroeger in de lappenmand.

"Het waren op dat moment vooral de oldtimers die het nog deden: Walter van den Broeck en Hugo Claus (die net 'Het verdriet van België' had gepubliceerd, DL), misschien ook nog af en toe Ward Ruyslinck en Hubert Lampo. En ja, die stille generatie met onder meer Alstein. Die kwamen alleen maar in het nieuws door te zeggen: 'We willen niet in het nieuws komen'. Ze vonden alle mediagedoe en interviews niks. Met als resultaat dat niemand hun boeken kocht. Die hele jaren 70 lag er veel literaire grond braak in Vlaanderen."

Op zich was het dus makkelijk om de boel op te schudden? Je had snel door hoe belangrijk het was om mediageniek te zijn.

"Lawaai maken en daardoor in het zicht komen, dat was essentieel. Bij mijn debuut Het zinneloze zeilen voelde je meteen een clash tussen voor- en tegenstanders. Is dit literatuur of is dit bagger? Tegenstrijdige reacties losweken is altijd een zegen voor een debutant. Prachtige ogen kreeg vervolgens in het toonaangevende blad Vrij Nederland een barslechte recensie. Daar stond pure haat in ten opzichte van mij, ik herinner me nog altijd de naam van de recensent: Peter de Boer. Gevolg: mijn uitgever In de Knipscheer stootte me af, die dachten: dat wordt écht niks met die gast." (lacht)

Tom Lanoye was aanvankelijk je compagnon de route.

"Tom en ik hadden in Gent veel met elkaar te maken. Zijn boeken als Rozegeur en maneschijn (1983) en Het circus van de slechte smaak (1986) pasten bij de mijne, ze waren polemisch én grappig. Later ging Tom een heel andere weg op. Toch noemden ze ons een generatie. Ook Kristien Hemmerechts hoorde daar even bij: we waren een triumviraat. Je valt immers meer op als je een literaire groepering vormt. Wij vielen op: ene met lang haar, dan een homo en een heterovrouw met kort haar. (lacht) Vervolgens was er dan de bloemlezing Mooie jonge goden, waarvan ik de naam bedacht."

Jullie hadden geen podiumvrees?

"Nee, en dat is zeker belangrijk geweest bij onze opkomst. Het was de postpunk- en newwaveperiode en we gingen dan ook letterlijk optreden in punkcafés. Daar werd je al eens met bier overgoten en stonden er hanenkammen 'Fuck off!' te schreeuwen. Dáár verlies je je angst voor het podium. Al snel maakten we tournees met het pas opgestarte Behoud de Begeerte. Luc Coorevits, die wou wat reuring, die wou gedoe. Vrij geregeld begonnen ze ons te vragen voor televisie."

Zat daar een uitgekiende strategie achter?

"Bij mij niet, maar bij Tom Lanoye wél: op zijn 16de wist hij al waar hij op zijn 25ste en bij wijze van spreken op zijn 40ste zou staan. We moesten in feite alles leren. Tom kwam uit de slagerswereld, ik uit de veehandel, hij uit Sint-Niklaas en ik uit Hamme. Allebei hadden we ouders die nooit boeken lazen. Ik heb me al vaak afgevraagd: wat zou er van me geworden zijn als mijn vader bijvoorbeeld professor was geweest en mijn moeder chirurg en ik was opgegroeid in een belezen milieu?

"Ik had geen flauw idee hoe die literaire wereld werkte. Zelfs bij het opsturen van een manuscript vroeg ik me af: hoe moet dat, moeten daar postzegels op? Mijn eerste uitgeverij In de Knipscheer koos ik puur op de naam. Ze bleek vooral minderheden te publiceren uit de Antilliaanse of Caraïbische gebieden. En Jos Knipscheer had één Vlaamse auteur: Eriek Verpale. Maar die stopte met schrijven, voor de zoveelste keer. De plaats van de Vlaming was vacant. Ik heb dan dat gat opgevuld, weliswaar slechts voor twee boeken."

Je eerste boeken stonden bol van nihilisme en pessimisme. Dat paste natuurlijk feilloos in de tijdgeest van de jaren 80.

"Je bent een kind van je tijd, maar dat zie je vaak pas achteraf. En vergeet ook niet de invloed van auteurs als Gerard Reve en J.D. Salinger, die mijn eerste boeken doordesemden. Ik nam her en der de archaïsche taal van Reve over, bijvoorbeeld met 'Het gij zoude'. Ook het gedetailleerd weergeven van de banaliteit, dat kwam rechtstreeks uit De avonden. Toch is die diepe zinloosheid en twijfel me blijven achtervolgen."

Kostte het veel moeite om je aan je grote voorbeelden te ontworstelen?

"Prachtige ogen is een pastiche op The Catcher in the Rye. De man die werk vond is heel reviaans.

"Toch moet je altijd weer je literaire vadermoord plegen. Dat gebeurde haast automatisch. Ook omdat ik plots die Joods-Amerikaanse literatuur ontdekte met Saul Bellow, Bernard Malamud en Philip Roth. Ik leerde ook Erich Kästner kennen en in de Franse literatuur Boris Vian. Dan waren er de Engelsen met de Angry Young Men en de toneelstukken en romans van John Osborne en Keith Waterhouse. Ook Alan Sillitoe pakte me bij de keel. Bij iedere schrijver dacht ik: zo wil ik ook schrijven."

Je leest nog steeds ontzettend veel, valt me telkens weer op.

"Meestal lees ik drie à vier boeken per week. Ik kan me niet voorstellen dat je als auteur niet leest. Dat is een kwestie van beroepsernst. Ik geef altijd het voorbeeld van een schrijnwerker. Als hij hier binnenkomt, dan kijkt hij toch ook meteen hoe die tafel of stoel is gemaakt? Zoniet, dan twijfel ik aan zijn beroepsernst of vaklust."

Je omschrijft jezelf als een compulsive writer, "zodra het in me opkomt, moet het eruit". In inspiratie geloof je niet, wel in zitvlees. Maar waarom moet er zoveel geschreven worden?

"Er móét niks geschreven worden. Niemand zit erop te wachten. Voor het geld doe ik het ook niet, al ben ik niet vies van het idee van broodschrijven. Bij vaste opdrachten kijk ik wel degelijk naar het geld. Hoe meer je schrijft, hoe meer je verdient, dat is logisch. Hoewel ik geen belang hecht aan geld én materieel bezit, hou ik van een appel voor de dorst, al is die misschien aan het rotten. Maar stel dat men me zegt: je krijgt 10.000 euro voor één stuk of je schrijft tien stukken voor elk 1.000 euro. Dan schrijf ik veel liever die tien stukken. Het komt bij mij toch echt neer op het plezier van het schrijven."

Waarom schrijf je naast je romans ook nog een waslijst aan columns: voor Woef, voor Humo, voor Nieuwe Revu, noem maar op?

"Heel simpel: omdat ik anders te veel tijd over heb. Ik kan mijn dagen niet vullen met enkel het schrijven van romans. Columns schrijf ik meestal in een geut, van twaalf tot een uur 's nachts. Dan heb ik nog vijf uur om aan een roman te werken. Daarna lees ik, dat is pure ontspanning.

"Ach, veelschrijvers zijn ook niet zo'n uitzonderlijk verschijnsel. Grunberg publiceert ook veel. Waarschijnlijk omdat hij schrijft zoals ik: graag en heel snel. Die snelheid wordt je vaak kwalijk genomen. Doe eens trager, dan wordt het beter, zeggen ze dan. Waarom doe je 'ns geen twee jaar over een boek? Ik ben het daar niet mee eens. Ik geloof niet dat een roman daar beter van wordt. Overigens is mijn volgende boek, Feest bij de familie Van de Velde, ook al klaar en ben ik nu bezig aan Achter een struik, voor het najaar 2018."

Kortom, je bent gewoonweg niet te temperen.

"Ik kan mezelf toch niet bij de teugels nemen en zeggen: Herman, schrijf eens niet vandaag, je hebt al genoeg geschreven?"

Ben je dan nooit moe? Of zijn er dagen waarop je totaal geen zin hebt om te schrijven?

"Geloof me, ik word veel vermoeider van een lang interview. (lacht). Schrijven raak ik nooit beu, wel het gedoe errond. Tijdens het schrijven bevind ik me fysiek in een andere wereld, mijn tijdsbesef verdwijnt compleet. Ik weet dat het een vies en besmet woord is, maar ik amuseer mij. Literatuur is voor mij een spel, een divertissement. Dat wordt scheef bekeken, want Willy Sommers en K3 zijn ook amusement. Maar ook Dostojevski is in wezen amusement. En Lena merkt het meteen aan mij: als ik geschreven heb, dan ben ik opgewekter in mijn sms-en of whatsapps."

Bestaat de kans dat je het binnen tien jaar toch beu wordt?

"Het moment zit eraan te komen. Maar het is nog niet zover. Het gebeurt wel eens dat ik een dag of drie niet schrijf. Tot ik kregelig word en weer aan de slag moet. Ik hoop minstens nog tien boeken te kunnen schrijven. Ik ben nooit verlamd geweest. Wel had ik periodes dat ik doodziek was en mijn angstaanvallen amper kon bedwingen. Schrijven was toen ook een hulp. En wanneer schreef ik boeken toen ik alcoholicus was en zo vaak op café zat? Ik weet dat niet eens meer."

"Wie heeft er nu een oeuvre van vijftig boeken die vol bullshit staan en die veroordeeld zijn tot het predicaat: het is altijd hetzelfde boek? Wat niet waar is, maar goed", zei je ooit tegen de Volkskrant. Geldt die uitspraak na 75 boeken nog steeds?

"Kijk, je hebt gewoon je stijl. Claus varieerde ook op zijn thema's en personages. Marc Reynebeau heeft me ooit gezegd: wat jij moet doen, is een reis ondernemen van zes weken en dáárover schrijven. Maar dat zou niets opleveren. Denk je nu echt dat ik een ander boek zou pennen als ik naar Congo vertrek? Lopend door New York zou ik dezelfde grappen maken en dezelfde kijk op de wereld behouden."

Heeft die eindeloze grappenmakerij je jouw sérieux in de literaire wereld gekost, denk je?

"Natuurlijk. Als je tien serieuze zinnen schrijft en tien zinnen vol bullshit, dan denken ze: wat een potsenmaker. Terwijl ik met talloze registers speel, zelfs van de ene zin of alinea in de andere. Daar kies ik voor. Ik hoor ook vaak: je schrijft 500 bladzijden, schrap er 200 en je houdt een mooie liefdesroman van 300 pagina's over. Maar dat wil ik niet. Er is ook geen redacteur bij Prometheus die mag schrappen."

Uit alles blijkt dat je een hoge dunk hebt van literatuur. Maar tegelijk tackel je haar voortdurend.

"Literatuur is een prachtig vak. Maar de mensen pikken het niet dat ik tegen heilige huisjes schop. Als je de literatuur ziet als een huis, ben ik diegene die binnenstormt en overal rommel maakt. Ik bouw in de ene kamer iets op en breek in een andere kamer weer iets af. Veel schrijvers beschouwen de literatuur als een paleis waar geen krasje op mag komen. Terwijl ik de literatuur met de grote L niet hoog heb zitten. Ik ga met mijn moddervoeten door de porseleinkast. Ik lach met alles, met relaties, met de liefde en met mijn collega's."

Nemen je collega-auteurs je dat niet kwalijk?

"Ik weet niet of die wel alles lezen wat ik over hen schrijf. Onlangs vroeg iemand me: 'Maar Dimitri Verhulst: je kunt die niet uitstaan, zeker?' Of Griet Op de Beeck, die tackel ik af en toe ook graag. Ik lach ook met de woeste baard en de tuinbroeken van Jeroen Olyslaegers waarin je vier vluchtelingen kunt verstoppen. Hoewel Jeroen al dertig jaar bezig is, kan ik hem nu eindelijk opvoeren, sinds hij algemeen bekend is."

Het is bijna een eer om door jou uitgescholden te worden.

"Ja, als je in mijn boeken staat, dan beteken je iets. We hadden het daarnet over de stille generatie. Je hebt die nu ook, in de vorm van de eenmansguerrilla van Christophe Van Gerrewey. Of Yves Petry die zo graag de serieuze schrijver uithangt. Maar wees maar zeker: ik kan al die mensen onder ogen komen, ze geven mij geen klap in mijn gezicht. Ik heb geen vijanden in de literatuur."

Zit de mediapersoonlijkheid soms de schrijver in de weg? "Ik balanceer op de dunne grens tussen schrijver en charlatan", zei je eerder.

"De mantel van de charlatan volledig afwerpen zal mij nooit meer lukken. Nooit zal ik nog au sérieux worden genomen. Daarvoor heb ik me te veel laten gaan in geschriften en op tv. Als je in de jury van De slimste mens zit - wat ik dit jaar niet meer doe - verspeel je sowieso krediet bij de serieuze literatoren. Veel mensen kennen me overigens uitsluitend van tv. En daar moet ik ook steeds meer op mijn woorden letten. Programmamakers willen dat je scoort, maar met de rem op."

Heb je het gevoel dat er weer meer taboes zijn opgedoken?

"Zeker wel. Als er een verrechtsing in de maatschappij plaatsvindt, dan is er binnen de culturele wereld altijd een verenging aan de gang. Verrechtsing maakt zich sterk voor het hercreëren van taboes."

Je geeft je boeken wel titels mee als Guggenheimer koopt een neger. Is dat niet om problemen vragen?

"Ik wil er tijdens het schrijven nooit bij stilstaan of ik iemand choqueer. Of ik het kan inschatten? Soms wel, soms niet. Ik wil er gewoon niet over na moeten denken."

Je staat sinds een paar jaar niet langer alleen. Ook Marnix Peeters tast in zijn romans tegenwoordig de grenzen van de goede smaak af.

"Marnix Peeters doet het bewust. Hij wil bijna met ieder boek verder gaan en een statement maken over vrouwen die minderwaardig zijn en over stinkende negers. Ik weet niet wat hij daarmee wil bereiken. Wil hij de meest choquerende schrijver van Vlaanderen worden? Ik vrees van wel. Hij is goed op weg. Zijn boeken zijn prettig leesbaar, maar er zit geen enkele opinie achter of ze bevatten geen enkel sérieux."

Ooit oefende je veel invloed uit op schrijvers als pakweg Ronald Giphart, Christophe Vekeman en ook wel A.H.J. Dautzenberg. Zie je af en toe nog epigonen opduiken?

"Wel, ze duiken op bij de uitgeverijen. Maar de uitgeverijen weigeren ze tegenwoordig. Omdat hun werk te zeer op het mijne lijkt. (lacht) Wat ik zelf ondervond door een van mijn manuscripten onder de naam Peter van Oostende naar een uitgeverij te sturen. Waar het vervolgens geweigerd werd."

"Als ik de jonge generatie een schop onder de kont kan geven, zal ik het niet laten. Wordt het geen tijd om oude krakers als Herman Koch, Tom Lanoye en ikzelf af te lossen?", zei je bij gelegenheid van de Das Mag-bloemlezing De tien, die je mee samenstelde. Waar zit de vernieuwing in Vlaanderen?

"Er is natuurlijk het fenomeen Lize Spit, dat ongelooflijk gehypet is. Al vermoed ik dat ze met een ei in haar broek zit voor haar tweede roman. Maar verder?

"Debutanten moet je eigenlijk steeds de tijd van vijf boeken gunnen. Pas dan kun je oordelen. Uitgeverijen schieten met hagel in het rond om iets te raken. Ze geven twintig boeken uit in de hoop een bestseller te treffen waarmee ze het verlies van de andere compenseren. Tegenwoordig zijn we allemaal individuen die in ons eigen hoekje ons boekje zitten te schrijven. Er zijn geen literaire bewegingen meer. In de vorige generatie had je dat nog wel met Saskia De Coster, Dimitri Verhulst en Yves Petry. Die waren echt zinnens de kussens op te schudden. Maar dat zijn intussen ook veertigers. Waar zijn de twintigers? Het landschap is enorm versplinterd."

Opmerkelijk is wel hoeveel oudere auteurs nu onverwacht hun moment de gloire beleven, zoals Herman Koch, Stefan Hertmans, Martin Michael Driessen of Wessel te Gussinklo.

"Ik vind het fantastisch dat die oudere auteurs nu echt doorbreken. Neem nu Stefan Hertmans. Hij heeft zijn hele leven geploeterd in de literatuur en schreef doodserieuze boeken die hij aan de straatstenen niet kwijt kon. Nu krijgt hij de beloning met Oorlog en terpentijn, best wel een goed boek."

Misschien valt er voor jou ook nog eens een grote literaire prijs uit de lucht?

"Denk je? Prestige zegt me nochtans niets. Ik heb liever dat een wildvreemde vrouw me op straat aanklampt en me vertelt dat ze van mijn boeken genoten heeft en dat ze haar leven hebben veranderd. Erkenning van de lezers, daar gaat het om. En aan de literaire kritiek heb ik me ook nooit veel gelegen laten liggen. Vanaf het moment dat je je nek uitsteekt, krijg je ofwel bloemetjes toegegooid of wordt er tegen je geschopt."

Vind je zelf nog je weg in het labyrint van je gigantische oeuvre?

"Ik ken mijn eigen werk best wel goed, zonder dat ik het herlees. Ik ben overigens ooit eens derde geëindigd in een kwis over mezelf.

"'Gigantisch', zeg je... Dat is ook relatief, hè. Oké, 75 boeken is veel. Maar als je dan kijkt naar Proust, Balzac, Dickens, Simenon, Boon, A.F.Th. Van der Heijden... Ach, als je drie of vier uur per dag aan je bureau zit en je schrijft goed door, dan krijg je dit soort oeuvre. Ik heb nooit begrepen waarom je drie jaar aan één boek moet zitten laboreren. Peter Buwalda is bijvoorbeeld al zes jaar bezig aan de opvolger van Bonita Avenue. Nu moet hij nog research doen over Chinese boortorens, zegt hij. Tja."

Dat zal jou niet meteen overkomen. Hij schreef te weinig boeken is alweer een kanjer. Het is een nachtboek waarin je bijna uur na uur noteert wat je overkomt.

"Het is een boek over een man alleen, 's nachts. Ik wist zelf totaal niet waar ik zou uitkomen. Nu zijn het 832 pagina's, evengoed was ik bij 3.000 bladzijden uitgekomen.

"De relatie met Lena was de trigger, ik wou er snel over schrijven. Het zit heel dicht op de werkelijkheid. Als Lena er is, dan schrijf ik hoe fijn het met haar is. Maar als ze er niet is, dan komt alle negativiteit naar boven. Dan gaat het over die eenzaamheid, de leegte, mijn argwaan en de angst om verlaten te worden."

Om het dan toch nog even over de vrouwen te hebben. We weten allemaal hoe belangrijk de moederfiguur voor je is. Komt het nog ooit, dat fameuze moederboek?

"Ik betwijfel het. Temeer omdat ik al in veel romans passages over mijn moeder heb verwerkt. Evengoed zou je kunnen zeggen: waarom schrijft Brusselmans geen vaderboek of een boek over zijn voetbalcarrière of zijn legerdienst? Ik heb ook een werktitel voor een boek over mijn jeugd: Theet 77, mijn oude thuisadres in Hamme. Maar zoveel van mijn familieleden zijn gestorven, bij wie zou ik nog informatie moeten opvragen of research moeten doen? Ook de buurt is onherkenbaar.

"Ach, ik werk niet zo thematisch. Dus misschien moet ik het toch laten rusten."

22/9, Vooruit, 20u: feestelijke voorstelling van het boek met Cath Luyten en biograaf Rick Honings. 7/10, bibliotheek van Harelbeke: opening expo over Brusselmans

Herman Brusselmans, Hij schreef te weinig boeken, Prometheus, 832 p., 24,99 euro.

Rick Honings,Majoor van het menselijk leed, Prometheus, 336 p., 24,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden