Zaterdag 30/05/2020

De man van die ene foto

Bij het bombardement van het station van Dachau voelde hij 'een neep aan zijn hart'. Lucien Van Puymbroeck had nummer 152.555 en op 25 april 1945 wist hij niet wat we nu weten: vier dagen later zouden de Amerikanen Dachau bevrijden. Zeventig jaar later lezen zijn nagelaten geschriften als een kennismaking. Met de gruwel en met de opa die Rik Van Puymbroeck nooit mocht kennen.

Misschien staat hij er nog, ik weet het niet, ik ben al jaren niet meer in de slaapkamer van mijn ouders geweest. Maar als kind wel. Op het nachtkastje links, de zijde van vader, stond zijn foto. Eenvoudige kader, twee pennen in het zakje van zijn kostuum, een zakdoek. Een 'neusdoek', noemt hij dat zelf op 9 april 1945, de dag van zijn aankomst in Dachau: "Alles gaat weg. Enkel zeep, tandenborstel, een neusdoek en mijn schoenen krijg ik terug. Mijn persoon heeft afgedaan, ik ben enkel nog een nummer: 152.555."

Ik bekijk de foto uit 1950. Hij is 46 en jonger dan ik nu zelf ben. Het is een ernstige man en ik herken eigenlijk niks. Misschien dat sleufje tussen neus en bovenlip, dat is nogal typisch: zelfs zijn achterkleinkinderen hebben het. Verder niks. Zoals je ook bijna niks weet. Verhalen kwamen er bijna nooit van de man die, zo zegt het overlijdensbericht, 'godvruchtig in de Heer ontslapen' is op 20 oktober 1956. Een weduwe, drie dochters en een zoon liet hij na en die zoon is mijn vader. "Opa heeft nog in Dachau gezeten."

Eigenlijk was dat het enige dat verteld werd. Daarna viel altijd wat stilte, pas in 2000 sloeg ik het gele mapje open waarop met pen 'Het leven in het kamp van Dachau' geschreven staat. Het geschrift is van de weduwe, je eigen grootmoeder, je herkent het van de verjaardagskaartjes die ze schreef. Binnenin 29 gelige bladzijden, nogal gelijkmatig volgetypt. Pagina 6 is verloren geraakt en helemaal achteraan lees je: "Geschreven door Lucien Van Puymbroeck op 1.12.1945. Herzien: 1.2.1946."

Blozende vrouwen

"9 april 1945. Rond de middag brengt een locomotief de enkele wagens, waarin een tweehonderd politieke gevangenen opgesloten waren, vanuit het station van Dachau, naar het kamp. 120 Belgen en 80 Noren."

Vandaag is Dachau een stadje met een geel station, wat hotels, even erbuiten ligt de KZ-Gedenkstätte. In dezelfde straat een Burger King, het leven heeft zich hervat, hij zou het niet herkennen. "Nu gaat het verder langs een brede macadamweg", lees je.

"Mooie villa's links en rechts. Mooie hovingen, groenende bomen en struiken. De lente! Gezonde kinderen spelen joelend en juichend. Ze kijken zelfs niet eens om naar de troep struikelende en strompelende burgers, voortgerammeld door hun SS-vaders. 't Schouwspel hebben ze reeds honderden malen gezien. Hier en daar aan de open vensters, blozende, gezonde en gevulde vrouwen die ons bekijken met harde ogen. SS-vrouwen!"

Al twee jaar eerder was hij in Gent opgepakt. De onderwijzer uit Sint-Amandsberg, die in 1941 met een paar kameraden de Oost- en West-Vlaamse divisies van het Belgisch Geheim Leger had opgericht, was verklikt. Door wie, blijft een familieraadsel, of vermoedens, in ieder geval onuitgesproken.

In maart 1943 wordt hij naar de gevangenis van Gent overgebracht. Zes maanden later naar het interneringskamp in Esterwegen. Op 24 mei 1944 van daar naar Kaisheim. Ten slotte Dachau, voor de laatste twintig dagen van gruwel.

Zelf schrijft hij later, over donderdag 26 april: "'t Is het ongelukkig einde. Nu de Amerikanen zo dichtbij zijn, moeten we weg op dodenmars." Dat hij nog naar Dachau gebracht was, had daar trouwens mee te maken. Uit angst voor de oprukkende bevrijders verhuisde Duitsland zo veel mogelijk gevangenen naar het oosten.

Schnell! Schnell!

Na Gent en Esterwegen en Kaisheim zou je denken dat Lucien Van Puymbroeck niet zo snel meer verrast is, maar wat hij in Dachau ziet, lijkt hem te choqueren. Nog voor hij, "rechts af, een riviertje over" het concentratiekamp van Dachau binnenstapt ("een ijzeren hekken, waarop wij de spottende leuze te lezen krijgen: Arbeit macht frei") schrijft hij: "Mannen, in wit en blauw gestreept gevangenenkostuum, laden lijken uit die wagens. Eén man aan de kop, één man aan de voeten, en hop! Het lijk wordt neergegooid bij een stapel lijken nevens de spoorbaan."

En dan binnen: "De Lagerälteste Maenssarian, een Armeniër, komt ons bezichtigen. Hij is een misdadiger van gemeen recht, dief, aftroggelaar, homosexueel en handelaar in blanke slavinnen; een gevangene zoals wij, die overste is van de gevangenen en ijverig en onmeedogend de beestachtige bevelen van de SS uitvoert. (...) Met een gemene lach op zijn gelaat monstert hij ons en geeft ons de welkomstgroet: 'Hier komt ge binnen langs de poort en gaat ge buiten door de schouw!'"

Er staan veel uitroeptekens in de tekst van opa.

"Ja, wij zijn de gedoemden!"

"Schnell! Schnell!"

"Samen blijven en alles samen delen, goed en slecht. Dat is nu onze enige bekommernis!"

Wat je leest, is niet de tekst van iemand met literaire ambities. Hij had zelfs getwijfeld om te vertellen over Dachau en om dit neer te schrijven. Maar in 1953 herlas hij zijn notities en toen schreef hij: "Op 29 april laatstleden, heb ik de tekst ernstig en aandachtig nagelezen en acht jaar nadat ik mijn getuigenis neergepend heb, verander ik er geen letter aan."

Een roos bij barak 27

Het is april 2000 en met mijn vader rijd ik naar Dachau. Twee jaar eerder is zijn zoon en mijn broer overleden en in die autorit komen al die levens samen. Al dat verdriet. Van een man die in 1943 zijn vader zag vertrekken, hem twee jaar later terugzag en zag hoe zijn zusje, mijn tante, wegliep toen die doodzieke en graatmagere man terug aan de deur in Sint-Amandsberg stond. Haar vader een vreemde geworden, ze herkende hem niet. Het verdriet ook van een man die vijftig jaar later zijn zoon had verloren.

Daarover praatten we, in de auto, en in Hotel und Tafernwirtschaft Fischer waar we twee nachten verbleven. Hetzelfde hotel waar ik tien jaar later met mijn twee dochters overnachtte. Ze waren twaalf en negen, te jong misschien nog, maar ook met hen wilde ik Dachau zien. Zij legden een roos bij waar ooit barak 27 stond.

"Wij waren ondergebracht in kamer 4 van barak 27. In deze barak zijn vier kamers. Onze kamer beslaat een oppervlakte van 250 vierkante meter. Ze bestaat uit een slaapzaal en een eetzaal. Nevens de eetzaal is er een kleine wasplaats, waarin een tiental kranen, vier wc's en drie waterbekkens. De slaapzaal, dat is het hol, de hel! De SS komen daar toch niet. Wij slapen met vier in een bed van één man: typhuslijders, zieken met buikloop, tuberculozen en gezonden, alles dooreen."

Toen Paul Weller met The Style Council in München was voor de opname van de videoclip van 'Walls Come Tumbling Down', bezocht hij Dachau. Het ligt amper 15 kilometer verder. Onder de indruk van dat bezoek schreef hij 'Ghosts of Dachau', verschenen als B-kantje, je kunt het op YouTube vinden. Hij heeft niet veel tekst nodig. Weinig woorden, een graatmagere tekst, wel snijdend: 'The crab lice bite - The typhoid smells / And I'm still there. Handsome in rags - A trouserless man - Waiting helpless for dignity.'

Wat gek is, is die indruk. Je kunt Dachau niet vergelijken met, bijvoorbeeld, Auschwitz/Birkenau. Vandaag is, achter het hoofdgebouw waar een museum is en voorbij de met keien belegde Appelplatz, niks meer over. De dertig barakken, vijftien links en vijftien rechts, werden na de bevrijding afgebroken. Ze waren rot, verdorven, ziekte en dood ingesleten in muren, vloeren en meubilair. Vooraan zijn er twee heropgebouwd. Nadien enkel de grondplannen met een nummer. Veel keien, dat herinner je je nog. En veel stilte.

"We zijn blijde als we mogen opstaan. Wassen en dan weer appel! Stijf en stram staan we twee uren op 't appel. Gewrichten en voeten doen pijn. De kop is ijl. 't Is mij meer dan eens gebeurd rechtstaande te slapen."

"Middag. De soep wordt gebracht in thermosketels. Eén voordeel: ze is warm! Zes keer op de zeven watersoep, zonder vet met vergezette raapkool. Wij noemen dat Beierse macaroni. De chef schept in, zonder om te roeren. Het water is voor ons, de brij op de bodem voor hem en zijn trawanten."

Hosties smokkelen

Eerder heeft hij geschreven hoe hij een nummer is geworden, 152.555, van elke menselijkheid ontdaan. En dat lees je. Hij schrijft over een man in de kamer die in zijn droom "opnieuw de hel van Breendonk of Natzweiler doormaakt, en huilt en schreeuwt tot een makker hem wakker maakt." Over de moordenaar die met een stok binnenkomt en in het wild op neerliggende mannen slaat. Over de verdorven lucht, het mensenzweet en "zure rottende mensendrek".

Mijn opa is een diepgelovige onderwijzer uit Sint-Amandsberg, die niet weet wat hij ziet: "zieken en ouden van dagen die klappertanden, niet tegenstaande de deken die ze op hun rug hebben". Russen en Polen die dit regime al jaren doorstaan en die zo uitgehongerd zijn dat ze elke dag aanvallen uitvoeren op het broodtransport. Elke namiddag verplichte ontluizing, het enige goede: "Die dagelijkse controol heeft gemaakt dat van de vijfhonderd mannen uit onze kamer enkel een tiental aan typhus bezweken, terwijl in sommige andere kamers de ganse bevolking van vijfhonderd man in minder dan veertien dagen weggevaagd werd."

In Het boek der kampen, het onlangs bij Manteau prachtig heruitgegeven boek van Ludo van Eck en Sis van Eeckhout, lees je hoe Dachau eigenlijk het eerste officiële en professioneel opgezette concentratiekamp van de nazi's was. "Hier leerden de SS'ers hoe ze met de 'Untermenschen' moesten afrekenen", schrijven de auteurs. "Rudolf Hess, Adolf Eichmann en de meest sadistische kampcommandanten leerden in Dachau hun 'vak'."

De Münchner Neueste Nachrichten meldde op 21 maart 1933 de oprichting van het kamp: 'Ein Konzentrationslager für politische Gefangene in der Nähe von Dachau.' Nadien lopen cijfers uit elkaar. Het register van het kamp vermeldt 177.447 gevangenen op 26 april 1945, maar er waren er wellicht dertigduizend meer. Omdat twee nummeringen gebruikt werden (van 1933 tot 1940 van 1 tot 37.575, en van 1940 tot 1945 van 1 tot 161.944) en omdat in die laatste dagen nog hals over kop gevangenen werden weggevoerd. Ook Het boek der kampen schat het aantal op 200.000 van veertig nationaliteiten. En opa: "In april 1945 waren er 37.000, van 28 verschillende nationaliteiten."

"In barak 26, de barak van de priesters, mochten twee priesters per dag mis lezen. Die priesters lukten er soms in twee of drie hosties te consacreren. Die geconsacreerde hosties werden dan op alle mogelijke wijzen buitengesmokkeld door gevangenen die in Kommando werken. Van tijd tot tijd werd er ook zo een hostie bij ons binnengesmokkeld. Eén van de priesters die met ons in de kamer was, nam de hostie in ontvangst en verborg ze tot 's nachts. Zodra alles stil was en de chef en zijn trawanten hun roes uitsliepen, brak hij de hostie over een stuk vod in kleine stukjes, heel kleine stukjes, en deed elk stukje in een papiertje. Daartoe gebruikte hij wc-papier. We gingen naar een andere donkere hoek en communiceerden ons dan zelf."

Medische experimenten

Als iets blijkt uit zijn tekst, is dat mensen willen overleven. Zichzelf oppeppen. Alles beter dan slachtoffer te worden van de medische experimenten van kampdokter Sigmund Rascher en zijn collega Klaus Schilling. Mensen werden besmet met malaria en er werd gekeken: wat gebeurt er met wie geen medicatie krijgt, wat met wie het wel krijgt? Er zijn experimenten met de verlaging van lichaamstemperatuur: wat gebeurt als iemand 26 of 29 graden heeft? Hoelang leef je in water van 4 graden? 100 minuten, lees je in het museum.

"Een jonge Poolse priester vertelde ons dat hij in 1943 in de infirmerie ingespoten werd met etter van phlegmon. Snel ontwikkelde hij een gezwel. Tientallen zieken waren in hetzelfde geval. Dagelijks kwam de SS geneesheer de ziekte nagaan, maar er was streng verbod de zieken te verzorgen. Na drie, vier weken ijselijk lijden stierven de meesten. Een ziekenverzorger die een grote vriendschap voor de jonge priester opgevat had, riskeerde het de zieke Pool om te wisselen met een dode uit zijn afdeling.

Hij nam hem op in zijn ziekenzaal, opereerde hem en verzorgde hem tot aan zijn genezing."

En dan schrijft hij: "Boven de deur van de gaskamer stond 'Brausebat'. En op de deur een bericht: 'Vergeet zeep noch handdoek mee te nemen.' (...) Het crematorium was een vierkante plaats, heel rein en net, met vier gemetste ovens die tegelijk acht lijken konden verbranden. In de lijkkamer lagen de lijken opeengestapeld te wachten op verbranding."

Daar bestaan foto's van, het crematorium en het 'Brausebat' zijn te bezoeken en als je daar met een kind van twaalf en een van negen staat, word je heel klein. Is dit een mens is de titel van Primo Levi's boek over zijn verblijf in Auschwitz en al vaak heb ik dit citaat herlezen en herhaald: "Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort."

Warme verhalen

In Dachau beiert het door je hoofd, al moet wel dit gezegd. Alles wijst erop dat de gaskamer zelf nooit gebruikt is. Dachau was geen uitroeiingskamp. Wel relatief: "Weet nu dat geen gevangene levend uit Dachau kwam", schrijft Lucien Van Puymbroeck. "Soms werden er vrijgelaten, zogezegd om hun goed gedrag. Ze kregen hun klederen en hun bezittingen terug. Ze kregen ook hun geld terug en daarboven nog het loon dat ze met hun werk in het kamp verdiend hadden. Blij en hoopvol gingen ze weg en kwamen terecht achter het crematorium. Een schot in de nek, en ze waren voor eeuwig vrijgesteld."

Hij maakt een rekening. 160.000 nummers min 37.000 levende wrakken, aangetroffen op 29 april 1945. "Dat is ongeveer 123.000 in tien jaar. 12.000 per jaar. 1.000 per maand. Dat is een gemiddelde. In de maanden november en december van 1944 en januari en februari 1945 waren er 13.000 doden. Het grootste deel slachtoffers van de typhus."

Is er ook troost te vinden tijdens die twintig dagen? Weinig. "De Christus van Servaes is geen fantasie", schrijft hij. "De Duitsers hebben hem verwezenlijkt en op duizenden exemplaren gemaakt. Grote, driehoekige kaalgeknipte koppen, scherpe uitstekende schouderbladen, afgeteerde ledematen met grote beenderknobbels, ribben waartussen men de vingers kan leggen, holle ingevallen buiken waarover het vel in rimpels als zakken neerhangt."

Toch even is er iets. Als iemand een Noorse medegevangene vertelt over hoe een man is doodgeslagen, offeren de Noren zich op. "De ene neemt een mandoline en speelt, terwijl de andere melancholische Noorse volksliederen zingt. De chef krijgt een weemoedige bui. Hij weent en beklaagt ons, maar nog meer zichzelf. Ten slotte doet hij een halve ketel soep uitdelen."

Hij warmt zich op aan verhalen. Hij hoort Max Cosijns, "de eerste medewerker van (de Zwitserse natuurkundige en ballonvaarder) Picard" vertellen van zijn reizen in de stratosfeer. Iemand uit Gembloux vertelt over de petroleumvelden van Amerika. Carlos, "de zeekapitein", vertelt over zijn reizen in de Stille Zuidzee en Zuid-Amerika. "Die namiddagen waren de kalme sterkende perioden van ons gevangenleven", schrijft hij.

Te vroeg gejuicht

Het wordt eind april 1945. En het gaat snel nu.

"23 april 1945 - Om 1 uur 's middags verzamelen de SS 2.400 Joden op de appelplaats. Ze blijven de ganse namiddag en gans de nacht ter plaatse. 's Morgens vroeg draagt men reeds lijken weg. 's Middags worden ze ingescheept in een gereedstaande trein. Drie dagen is die trein daar blijven staan. Drie dagen zonder eten, zonder drinken; opeengepakt in gesloten wagens, midden hun eigen uitwerpsels. Na drie dagen haalt men 700 lijken uit de wagens. De volgende dag vertrekt de trein naar een onbekende bestemming."

"Dinsdag 24 april, om 5 uur appel naar gewoonte. De SS zijn somber gestemd. In de nacht horen we duidelijk kanonnengebulder."

"25 april - De woensdagmorgen horen we dat het station van Dachau ook gebombardeerd werd. We voelen een neep aan ons hart. We zijn hier met vierhonderd Nacht- und Nebelgevangenen in onze kamer. Wat zal er met ons gebeuren? We monteren elkander op. Maar in ons binnenste blijft de onrust nazinderen. Sterven zo dicht bij de bevrijding?"

"'t Is donderdag 26 april. 't Is het ongelukkig einde. Nu de Amerikanen zo dichtbij zijn moeten we op weg, op dodenmars. Groepen vormen zich. De kameraden willen bijeen blijven. Ontroerende gesprekken hebben plaats: afscheidswoorden voor de geliefden, laatste wil. We zijn allen ter dood veroordeelden.

"Vrijdag 27 april. Een geheim bevel doet de ronde: 'Saboteren! Zo langzaam mogelijk werken! Zoveel mogelijk in de war sturen.' Enkele belangrijke gevangenen worden weggevoerd: Léon Blum met zijn vrouw, Prins de Bourbon, de Prins van Pruisen. Om half elf het lang verwachte mirakel: de sirenen huilen! Wij zijn gered. Wij wenen, zingen, klemmen de tanden opeen."

Hij juicht te vroeg. Nog twee dagen duurt het voor het kamp van Dachau echt bevrijd wordt. In die tijd worden nog honderden doden gemaakt en SS-officieren maken zich klaar voor de vlucht. Het wordt 29 april voor de Amerikanen echt poorten van het kamp openmaken en dan is er vergelding. Door gevangenen en door de bevrijders.

Op de laatste pagina schrijft hij: "De SS, vroeger zo arrogant, staan er nu wit, met getrokken gezicht, de handen omhoog. Enige minuten later komt de bevelhebber van de derde Amerikaanse divisie terug. Hij heeft zojuist het inwendige van het kamp bezichtigd en wit van ontroering over al het afgrijselijke dat hij gezien heeft, geeft hij een enkel bevel in de doodse stilte van tienduizenden gevangenen. 'All dead.' Onmiddellijk worden de tachtig overblijvende SS ter plaatse neergeschoten."

Nog een maand blijft Lucien Van Puymbroeck in Dachau. Waar hij de moed haalt, weet ik niet, maar hij wordt er redactiesecretaris van wat je een kampkrantje kunt noemen. Daar is geen spoor meer van. Tevergeefs zocht ik in het museum twee keer naar een teken van die man die ik nooit kende. Er liggen brillen, gebedenboeken, er hangen foto's. Maar niet hij. Er is alleen dat ene gele mapje met 29 volgetypte vellen papier. En twee foto's. Eén uit 1943, die ik eergisteren voor het eerst zag. En die andere die ik al mijn hele leven ken. Hij zal altijd de man van die ene foto blijven. Als hij 52 is, sterft hij. Soms word je zo ziek dat je niet meer herstelt.

MHet boek der kampen van Ludo van Eck en Sis van Eeckhout, Manteau, 319 p., 29,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234