Donderdag 22/04/2021

De man van de intro

Op het Woodlawn-kerkhof van New York liggen Miles Davis en Duke Ellington 'broederlijk' naast elkaar onsterfelijk te wezen. Een opmerkelijke postmortale ontmoeting, alsof nog moet worden uitgemaakt wie van de twee de grootste legende is. Acht jaar na zijn dood wordt Miles door velen beschouwd als de invloedrijkste persoonlijkheid van de jazz, maar die eer komt in feite Ellington toe. Volgende week wordt zijn honderdste verjaardag gevierd, tegelijk de viering van bijna vijfentwintig jaar tenhemelopneming en ook wel van een hele eeuw jazz.

Didier Wijnants

Er zijn veel wegen die naar Duke Ellington leiden, zeker is alleen dat je Harlem moet passeren. Dat moet ook als je zijn graf gaat opzoeken op Woodlawn Cemetery in het noorden van New York. Volgens de toeristische gidsen kun je daarvoor het best trein 4 nemen, direct van Wall Street in het uiterste zuiden van Manhattan naar Jerome Avenue, waar de Bronx zijn dreigend karakter verliest. Maar de echte liefhebbers maken natuurlijk liever een omweg met trein A. Dat advies komt weliswaar niet rechtstreeks van Ellington, maar toch van zijn alter ego en eerste luitenant Billy Strayhorn: "You must take the 'A' Train / To go to Sugar Hill way up in Harlem / If you miss the 'A' Train / You'll find you've missed the quickest way to Harlem."

Trein A passeert eerst Central Park West, de plek waar John Coltrane lange tijd woonde, ook toen hij in 1962 met Ellington die legendarische opname maakte voor Impulse. Even voorbij Central Park maak je een tussenstop in 125th Street, vandaag ook wel Martin Luther King Boulevard genoemd. Harlem: in de jaren dertig en veertig het centrum van de Afro-Amerikaanse cultuur en dus van de creatieve jazz. Hier bevond zich ook het Apollo Theater, de smeltkroes van de jazz rond 1940, toen het orkest van Ellington de artistieke top had bereikt. De Cotton Club was toen al verhuisd naar downtown Manhattan, maar toen Ellington er in de jaren twintig zijn sporen verdiende, lag de club wel degelijk op de weg van trein A, enkele haltes verder noordelijk. Bij 168th Street kun je trouwens overstappen op trein 1, een handige manier om de Bronx te vermijden als je naar Woodlawn Cemetery gaat. Het kerkhof is een verlengde van het Van Cortlandt Park, een oase in de grimmige onderbuik van New York.

Tijd om de kaart van New York eens beter te bestuderen: bekijk de langgerekte vorm van Manhattan, een penis met het Financial District als kroon en de Bronx als teelballen (het ejaculaat moet zich dan ergens tussen Wall Street en Staten Island bevinden in de vorm van een beroemd standbeeld, maar dat zullen de Fransen beslist niet graag horen). Het Van Cortlandt Park annex Woodlawn Cemetry moet dus het schaamhaar zijn. Het kerkhof zelf dient zich nochtans schaamteloos aan: het is het soort begraafplaatsen waar gearriveerde Amerikanen hun opgestapelde dollars in dode steen omzetten, liefst in de vorm van walgelijke tempels met klassieke zuilen en frontons of - erger nog - exacte replica's van beroemde klassieke gebouwen.

Miles Davis en Duke Ellington delen er hetzelfde uitzicht, op de top van respectievelijk de plantsoenen Alpine en Wild Rose. Maar de grafstenen verschillen als dag en nacht. Voor Miles werd een indrukwekkend blinkend marmeren blok geplaatst met het opschrift 'In Memory of Sir Miles Davis', daarbij een trompet en een stukje partituur. Ellington kreeg een sober liggend tabletje onder een boom, alleen gemarkeerd door een klein Amerikaans vlaggetje.

Of dat een teken is van bescheidenheid, is wel uiterst twijfelachtig. Ellington stond niet bekend als een genereus man als het om zijn ego ging. Zijn zoon Mercer getuigde daarover tegen Francis Davis: "Duke Ellington zou alles gedaan hebben om aan de top te blijven, ongeacht wie hij daarvoor moest neerhalen, inclusief mezelf." Twee Ellingtons in de jazz, dat zou de naam alleen maar devalueren. Bijgevolg saboteerde Duke de carrière van zijn zoon op subtiele wijze. Een van de verhalen luidt dat hij Mercer naar het Musicraft-label lokte, waar hij er vervolgens op toezag dat alleen het minderwaardige materiaal het vinyl haalde. Hij liet zijn zoon ook klassieke muziek studeren, in het besef dat hij daarmee twee vliegen in één klap sloeg: hij kon zelf zijn voordeel doen met het studiemateriaal dat zijn zoon aandroeg én hij voelde aan dat doorgedreven klassieke studies Mercers natuurlijke feeling voor de jazz langzaam zouden uithollen.

Dat soort mens ligt dus onder die ogenschijnlijk bescheiden steen: een sluwe vos, bijna een doortrapt genie. Je kunt hem niet echt een showman noemen, maar hij was wel een briljant acteur die zijn dubbelzinnige positie als zwarte entertainer optimaal wist te verzilveren. Kijk zelf: dat kleine patriottische vlaggetje is toch de kroon op het werk. Zoiets zou Miles nooit op zijn graf dulden: "I am the greatest, en ik ben daarvoor niemand dank verschuldigd."

Voor velen was Duke Ellington de man die de jazz salonfähig gemaakt heeft. Anders dan bijvoorbeeld Louis Armstrong of de beboppers Dizzy Gillespie en Charlie Parker werd Ellington in brede kringen beschouwd als een te respecteren artiest, niet als een vaudevillefiguur. Hij gedroeg zich altijd als een heer, ondanks het feit dat hij evengoed de racistische vernederingen moest ondergaan die alle zwarte muzikanten ten deel vielen.

Geoff Dyer portretteert die tegelijk vernederde en toch altijd trotse Ellington heel fijntjes in zijn boek But Beautiful. Die trotse Ellington had ook zijn antwoord klaar toen hij in de jaren zestig als eerste jazzmuzikant ooit genomineerd werd voor een Pulitzerprijs. De bestuursraad van de Pulitzerstichting heeft hem die prijs uiteindelijk echter niet toegekend, wat Ellington deed opmerken: "Ik neem aan dat Onze Lieve Heer niet wou dat ik zo jong beroemd zou worden." Tien jaar later heeft de dode Ellington overigens mooi weerwraak genomen, want op Woodlawn Cemetery heeft hij in de verte Joseph Pulitzer himself in het vizier. Toeval bestaat niet.

Verwondert het dan dat het werk van zo'n man een eeuw na zijn geboorte (29 april 1899) en een kwart eeuw na zijn dood (24 mei 1974) nog altijd voor een groot stuk enigmatisch en mysterieus blijft? Nog altijd zijn onderzoekers druk in de weer met het reconstrueren van de fantastische orkestrale effecten die Ellington bedacht. Onder leiding van Wynton Marsalis wordt in het New Yorkse Lincoln Center (ook al op het traject van trein A) ijverig gewerkt aan de reconstructie van wat Zuivere Ellingtonia zou moeten zijn. Dat is een bij voorbaat verloren strijd. Ten eerste maakte Ellington geen partituren voor het nageslacht; voor hem waren dat werkinstrumenten, zijn muzikanten kenden de muziek uiteindelijk uit het hoofd. En ten tweede schreef Ellington - dat is toch alom bekend - heel expliciet met het oog op de kwaliteiten van zijn muzikanten. Op de partituur vermeldde hij meestal niet het instrument maar de muzikant: dit is de partij voor Johnny Hodges, dat is voor Ben Webster, Jimmy Blanton, Ray Nance, Cootie Williams, Harry Carney, Rex Stewart.

Als een meesterschilder wist hij de eigenaardigheden van elke muzikant optimaal uit te buiten. Je kunt de beste jaren van je leven vullen met het beluisteren van al dat fraais en je nooit vervelen (zie de Kleine Ellingtongids). Maar dat Marsalis dit verhaal wil recreëren is gewoon bedrog (en zelfbedrog). Het negeert ook twee andere cruciale aspecten van Ellingtons werk. Eén: Duke Ellington was een meester in het navigeren tussen de wetten van de dansvloer en de logica van het concertpodium. Sinds Ellington is het kundig balanceren in dit grensgebied een van de duurzaamste kenmerken van de jazz. Ik vermoed dat dat de reden is waarom een Cecil Taylor zich nog het liefst "a musician in the Ellingtonian tradition" noemt, eerder dan een jazzmuzikant. Twee: Ellington was de eerste componist in de jazztraditie die de grens tussen compositie en improvisatie bewust versluierde. Alle belangrijke jazzmuzikanten van vandaag zijn met dat thema bezig, van Tim Berne tot Dave Douglas, van Henry Threadgill tot Gerry Hemingway. Nog een aspect dat het mysterie vergroot.

Ellington zelf had met dat enigmatische karakter anders geen probleem. Typisch is de manier waarop hij zichzelf altijd graag aankondigde, met iets in de trant van: "The introduction is played by our piano player" (een mooie variante is te horen op de plaat The Afro-Eurasian Eclipse). Ellington 'acteerde' werkelijk alsof hij 'alleen maar' de intro placht te spelen. Dat is natuurlijk valse bescheidenheid. Toch is het opvallend dat hij als pianist lange tijd niet tot de absolute top gerekend werd. Die opvatting is intussen bijgespijkerd. Het inzicht is gegroeid dat de pianist Ellington net zoals de componist en de arrangeur een meesterschilder was. In een recent nummer van Down Beat schetste Billy Taylor het beeld van een pianist die zijn rechterhand allerlei frivole kronkels liet uitvoeren, terwijl zijn linkerhand voortdurend zei: nee, nee, nee. Ingebouwde tegendraadsheid was een constante bij Ellington.

Tegelijk zijn Ellingtons intro's helemaal niet zo futiel als hij graag liet uitschijnen. Ze blijken integendeel steeds bepalend te zijn voor de sfeer en de voortgang van een nummer. Vaak is het maar een flard, een klaterend beekje, misschien een korte melodie. Maar de toon is ermee gezet en de harmonische reikwijdte is bepaald. Weinig jazzpianisten hebben dat aspect goed begrepen. Thelonious Monk wel, die heeft die Ellington-trek uitgebouwd tot een eigen wonderbaarlijk idioom.

Wie dat ook begrepen heeft, is de Amerikaanse dichter Quincy Troupe, de man die eind jaren tachtig Miles Davis' hand vasthield bij het schrijven van diens autobiografie, een boek vol smeuïge verhalen waarin de trompettist zichzelf voortdurend ophemelt. Zijn ode aan Ellington hangt Troupe helemaal op aan het idee van de intro. In The Day Duke Raised schetst hij de natuurelementen op het ogenblik van Ellingtons dood: donder en bliksem, een opensplijtend wolkendek, de tenhemelopneming. En in de hemel wacht het orkest ongeduldig op Dukes komst:

"Listen, It is time for your intro, Duke Into that other place Where the all time great band Is waiting for your intro, Duke It is time for the sacred concert, Duke It is time for the music of God We are listening for your intro, Duke Let the sacred music begin."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234