Vrijdag 18/10/2019

De man die niet kon kiezen

Boeken over Paul Van Zeeland, de memoires van Pierre van Outryve d'Ydewalle

Maria De Waele

P aul Van Zeeland wordt nog steeds geassocieerd met de woelige jaren dertig. Hij was premier van twee regeringen die de economische crisis met enig succes bestreden, bracht als kandidaat van 'democratisch België' bij een tussentijdse verkiezing in april 1937 Rex-leider Degrelle een verpletterende nederlaag toe, maar moest kort na die triomf aftreden wegens onzorgvuldigheden met publieke fondsen.

Twee historici van de UCL, Michel Dumoulin en Vincent Dujardin, wijdden onlangs een boek aan Van Zeelands leven en werk. Dat werd aangekondigd als de eerste biografie - maar twee jaar geleden verscheen al de doctoraalscriptie van de Leuvense historica Brigitte Henau, die ook Van Zeelands carrière behandelde. Beide boeken bestrijken grotendeels hetzelfde terrein. Dumoulin en Dujardin kregen wel inzage in het archief van Leopold III, wat niet iedere sterveling gegeven is, maar zij voegen weinig toe aan de conclusies van Henau. Ook de toon van beide werken verschilt enigszins. Henau benadert Van Zeeland nuchter en afstandelijk, Dumoulin en Dujardin pakken de oud-premier meer met fluwelen handschoenen aan, als een lid van het old boys' network waar zij zich ook toe rekenen. De aandachtige lezer zal meermaals merken dat zij lastige vragen behoedzaam vermijden.

Paul Van Zeeland, in 1893 geboren, studeerde voor en na de Eerste Wereldoorlog economie in Leuven en specialiseerde zich in monetaire economie aan de Amerikaanse universiteit van Princeton. Hij maakte in de jaren twintig snel carrière bij de Nationale Bank, waarvan hij in 1931 vice-gouverneur werd. Tegelijk was hij verbonden aan het bekende Institut de Recherches Economiques van de Leuvense universiteit, waarvan de grote invloed op het economische en politieke beleid ook uit deze biografieën blijkt. Tussendoor bouwde Van Zeeland geduldig aan een uitgebreid netwerk van relaties in de wereld van de universiteiten, de haute finance en de politiek. Vanaf het midden van de jaren twintig onderhield hij ook contacten met de Franstalige conservatieve vleugel van de toenmalige katholieke partij, waar men een autoritairdere staatsinrichting genegen was, met een sterke regering en een zwak(ker) parlement. De invloed daarvan op Van Zeelands politieke opvattingen zou lang doorwerken.

In het begin van de jaren dertig publiceerde Van Zeeland enkele opvallende artikels over de aanpak van de economische crisis, die ook de aandacht van het paleis trokken. In 1932 werd hij een paar maal door Albert I ontboden. Meteen ontwaakten zijn politieke ambities voorgoed. Van Zeeland raakte er steeds meer van overtuigd dat hij de oplossing voor de crisis had: een planmatige en geleide aanpak van de economie, met de overheid in een centrale rol.

Maar zijn eerste ervaring met de politiek was van zeer korte duur. Na een regeringsherschikking in juni 1934 kreeg minister van Financiën Gustaaf Sap, de eigengereide West-Vlaamse ondernemer en eigenaar van De Standaard, twee ministers zonder portefeuille onder zich. Een van hen was Van Zeeland. Ze kregen onmiddellijk ruzie. Beiden botsten niet alleen over de economische en financiële politiek, ze wantrouwden vooral ook elkaars ambities. Van Zeeland bood al na zes weken zijn ontslag aan en Sap zon op een middel om af te rekenen met de in zijn ogen verwaande nieuwlichter.

Na zijn korte regeerervaring was Van Zeeland er meer dan ooit van overtuigd dat hij, en hij alleen, het land uit de crisis kon halen. In de herfst van 1934 zou hij al een akkoord over een regeerprogramma bereiken met een andere ambitieuze nieuwkomer, Hendrik De Man, de nieuwe coryfee van de Belgische Werkliedenpartij en de auteur van het fameuze 'Plan van den Arbeid'. Hoewel er aanvankelijk enige wederzijdse sympathie bestond, zouden beider ambities daar snel een einde aan maken. Intussen bleef de werkloosheid stijgen, kwamen verschillende financiële instellingen in moeilijkheden en nam de druk op de Belgische frank toe. Op 23 maart 1935 werd Van Zeeland door Leopold III als informateur aangewezen. Na twee dagen had hij een bewindsploeg van katholieken, liberalen en socialisten klaar. Van Zeelands regering was relatief jong, telde verschillende politieke nieuwelingen en werd niet geassocieerd met de schandalen die de 'traditionele' politiek teisterden. De regering nam een dynamische start en mede dankzij de gunstige economische conjunctuur werd het beleid een succes.

Ook het vertrouwen van de publieke opinie leek hersteld, maar dat was schijn: in de verkiezingen van 24 mei 1936 kregen de drie traditionele partijen zware klappen. Het opvallendste resultaat werd geboekt door het autoritaire Rex, dat in één klap 21 zetels verwierf. Van Zeeland vormde snel een nieuwe driepartijenregering, maar zijn ploeg was verdeeld over verdere economische hervormingen en raakte vlug in ademnood. Op 7 maart 1937 lokte Rex in Brussel een tussentijdse verkiezing uit, met de bedoeling partijleider Degrelle met een monsterscore het parlement in te loodsen. Op verzoek van de drie regeringspartijen werd Van Zeeland, die nog altijd geen parlementair ambt bekleedde, de enige tegenkandidaat. De campagne verliep woelig, maar Van Zeeland triomfeerde: hij kreeg 76 procent van de stemmen, Degrelle amper 19. Zijn zege kreeg ook internationaal veel weerklank. Tijdens zijn bezoek aan de VS wijdde The New York Times twee lovende pagina's aan de Belgische wonderboy. Het begon de premier allemaal een beetje naar het hoofd te stijgen.

Maar zijn val was nabij. Op 16 maart 1937 diende Sap een klacht tegen Van Zeeland in, in verband met bezoldigingen die de premier van de Nationale Bank zou hebben ontvangen. Minister van Financiën Hendrik De Man werd belast met een onderzoek. Daaruit bleek dat Van Zeeland als premier inderdaad bepaalde fondsen van de Nationale Bank had gekregen, maar ze gebruikt had om medewerkers te betalen. De toon van het rapport was onverholen negatief: wat vooral opviel waren de vele voordelen en gunsten waarmee de top van de Nationale Bank zichzelf bedacht, terwijl veel Belgen het moeilijk hadden om rond te komen. De reacties bij de publieke opinie logen er niet om: uitgerekend Van Zeeland, een man met wie alles anders zou worden, was betrapt met zijn handen in de geldlade. Eind oktober 1937 nam hij ontslag als premier. Even later greep hij, opnieuw door het verzet van Hendrik De Man, ook naast het gouverneurschap van de Nationale Bank.

Van Zeelands carrière noch zijn imago heeft zich ooit van die affaire hersteld. De ex-premier was na zijn ontslag bijzonder bitter en heeft de overtuiging dat het premierschap hem toe-kwam nooit opgegeven. Zijn hele verdere carrière werd beheerst door één ambitie: terugkeren aan de top. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in volle Koningskwestie, nog tijdens de Kongocrisis van 1960, telkens probeerde hij terug te komen, zo niet als premier, dan toch als sterke man van de regering. De redder van de democratie van 1937 liet zich daarbij niet altijd kennen als een groot democraat en was maar al te zeer bereid een beroep te doen op zijn steeds uitgebreider relatienetwerk en op gestook in de coulissen. Van Zeeland wilde bovendien op zijn eigen voorwaarden terugkeren: aan het hoofd van een sterke regering, mèt bijzondere machten, die zich niet al te veel hoefde aan te trekken van het Parlement of van andere machtscentra.

Maar al zijn pogingen stuitten op heftig verzet, zowel binnen als buiten zijn partij. Was het een kwestie van afgunst, zoals Dumoulin en Dujardin volhouden? Of was er meer aan de hand? Op de vraag waarom zoveel andere politici Van Zeeland niet meer vertrouwden geven Dumoulin en Dujardin geen antwoord. Misschien is Van Zeelands houding tijdens de afloop van de Koningskwestie een betere aanwijzing. De ex-premier, sinds 1949 minister van Buitenlandse Zaken, was een groot voorstander van de onvoorwaardelijke terugkeer van Leopold III. Tijdens de cruciale nacht van 31 juli op 1 augustus 1950, toen Leopold troonsafstand deed ten voordele van Boudewijn, was de regering op het paleis bijeen. Op één minister na: Paul Van Zeeland. Die hield vol dat hij niet tijdig gewaarschuwd was, maar zijn afwezigheid sterkte het vermoeden dat hij Leopold op het beslissende moment in de steek had gelaten, wat die hem nooit vergeven heeft. Toen hij even later, in opdracht van Boudewijn, aan de vorming van een nieuwe regering werkte, zwollen de geruchten over opportunisme nog aan.

Van Zeelands pogingen tot politieke come-back hadden overigens iets zeer dubbelzinnigs. Ook Paul-Henri Spaak, in 1935 als minister onder Van Zeeland begonnen en een van de weinigen die diens terugkeer niet helemaal ongenegen waren, is in zijn memoires tamelijk hard voor de ex-premier. Die mocht dan bijzonder intelligent zijn, hij had maar weinig mensenkennis en maakte steeds dezelfde misrekeningen. Eigenlijk, zegt Spaak, kon Van Zeeland geen keuze maken tussen de politiek en het geld: hij wilde beide.

Spaak had niet helemaal ongelijk. Na zijn aftreden ging Van Zeeland met succes in zaken. Hij werd lid van het bestuur van maatschappijen uit de groepen Sofina, Empain en de Launoit en werkte verder aan zijn internationale contacten in de VS en in Groot-Brittannië. Hij was voortdurend op reis, wat betekende dat hij op politieke crisismomenten zelden in België was. Zo was de ex-premier een van de organisatoren van de grote leopoldistische manifestatie op de Heizel van 23 november 1947. Maar op de dag zelf was hij alweer het land uit, op weg naar Indonesië. Ook zijn Europese ambities werden door zijn andere activiteiten doorkruist.

"Een belangrijke figuur", "een invloedrijke politicus" lezen we op het achterplat van beide biografieën. Uitgevers moeten natuurlijk hun boeken verkopen. De vraag is of Van Zeeland, met uitzondering van zijn gloriedagen in de jaren dertig, werkelijk zo invloedrijk is geweest. Zijn vele contacten en internationale relaties mogen dan op papier indrukwekkend lijken, ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat het vooral bezigheidstherapie was. Het bracht Van Zeeland geen stap dichter bij de macht.

De Koningskwestie komt ook aan bod in het tweede deel van de memoires van Pierre van Outryve d'Ydewalle, de vorig jaar overleden oud-gouverneur van West-Vlaanderen. Het in 1994 verschenen, lijvige eerste deel was grotendeels gewijd aan zijn periode als kabinetschef van premier Hubert Pierlot en aan de eerste faze van de Koningskwestie tussen maart 1939 en augustus 1940. Zijn relaas eindigde met het vertrek van Pierlot en minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak naar Londen.

Het tweede, heel wat magerder uitgevallen deel begint met de terugkeer van d'Ydewalle naar België in september 1940. Hij brengt verslag uit over zijn activiteiten in de inlichtingendiensten, de evolutie van de publieke opinie en de laatste, wrede oorlogsmaanden. Deze memoires zijn vlot en direct geschreven, met veel aandacht voor het dagelijks leven tijdens de bezetting, de plantrekkerij en de vindingrijkheid van veel landgenoten, maar bevatten weinig nieuws.

In het eerste deel had d'Ydewalle al een genadeloos oordeel geveld over de entourage van Leopold III. Ook in dit tweede deel haalt hij vernietigend uit naar de medewerkers van het Huis van de Koning. Vooral Leopolds militaire raadgever, generaal Raoul Van Overstraeten, "het tabernakel van Laken", en zijn secretaris, de indiscrete en bemoeizieke Robert Capelle, moeten het ontgelden. D'Ydewalle is van oordeel dat het vooral aan Leopolds omgeving te wijten was dat de kloof tussen Laken en de regering nog groter werd. En dat Leopold in katholieke kringen op het idiote af werd verafgood, een verheerlijking die vroeg of laat wel als een boemerang moest werken. Aldus geschiedde op 7 december 1941, toen Leopolds huwelijk met Liliane Baels bekend werd gemaakt. Die dag had ook de Japanse aanval op Pearl Harbor plaats, maar het valt te betwijfelen of daar in België veel aandacht voor was. Door de bekendmaking van het huwelijk werden de illusies over Leopold brutaal stukgeslagen: de publieke opinie meende immers dat de koning "een streng bewaakte krijgsgevangene" was.

De oud-gouverneur laat zich ook scherp uit over de collaboratie, vooral over het Vlaamsch Nationaal Verbond. Door "haar dwaze houding heeft de partij Duitsgezindheid, Nieuwe Orde en Vlaamsgezindheid onder dezelfde noemer gebracht". Hij keert zich tegen degenen die volhouden dat de repressie vooral de Vlaamsgezinden trof en wel vanwege hun Vlaamsgezindheid. De grootste haat- en wraakgevoelens van de bevolking richtten zich immers tegen de collaborateurs, de handlangers van de bezetters.

Al in het eerste deel van zijn memoires bleek d'Ydewalle een bijzonder loyale medewerker en warme verdediger van Hubert Pierlot. Deze onvoorwaardelijke trouw werd onmiddellijk na de bevrijding beloond: op 14 september 1944 werd hij tijdelijk aangesteld als gouverneur van West-Vlaanderen. De geplande termijn van twee maanden werd er uiteindelijk een van 34 jaar. Maar d'Ydewalle blijft daar bijzonder kort over, zelfs de dynamitering van de IJzertoren krijgt frustrerend weinig aandacht.

Vincent Dujardin en Michel Dumoulin, Paul Van Zeeland, 1893-1973, Editions Racine, Brussel, 283 p. Brigitte Henau, Paul Van Zeeland en het monetaire, sociaal-economische en Europese beleid van België, 1920-1960, Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Brussel, 295 p. Pierre van Outryve d'Ydewalle, Mijn oorlogsjaren, Lannoo, Tielt, 208 p.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234