Woensdag 05/08/2020

De man die hiv een loer draaide

Mensenlevens redden, daar was het Paul Stoffels om te doen toen hij geneeskunde ging studeren. Hij zou ontwikkelingswerker worden, maar staat nu aan de top van de Amerikaanse farmagigant Johnson & Johnson. Toch wil hij van geen verraad aan zijn idealen horen. Als het door hem opgerichte Tibotec straks de krachtigste aidsremmer ooit op de markt brengt, zal ook Afrika daar beter van worden.

Door Erik Raspoet Foto Jimmy Kets

De rel hield Canada maandenlang in de ban. In de schijnwerpers stonden zes wanhopige aidslijders en één even wanhopige arts. Het was maart 2005 en het zag er beroerd uit voor de patiënten van Julio Montaner, een van Canada's topspecialisten inzake hiv-onderzoek. De klassieke behandeling, een cocktail van aidsremmers, sorteerde geen enkel effect meer. Zonder mirakel hadden de zes geen half jaar meer te leven. Maar mirakels gebeuren soms, in de medische wereld zelfs vaker dan in Lourdes.

In kringen van aidsdeskundigen heerste in die periode grote opwinding over twee experimentele geneesmiddelen. Klinische onderzoeken met TMC 114 en TMC 125 hadden spectaculaire resultaten opgeleverd, meer bepaald bij multiresistente aidspa- tiënten die op geen enkel conventioneel middel meer reageerden. De hoop flakkerde dan ook op toen professor Montaner de revolutionaire behandeling aankaartte. Maar dat was buiten het Canadese ministerie van Gezondheid gerekend. Montaner kreeg geen toestemming om de therapie te starten, omdat er nog twijfels bestonden over de efficiëntie en veiligheid van de experimentele medicamenten.

Meteen barstte in Canada een verhit debat over medische ethiek los. Gezondheidsrisico's aanvoeren als argument om terminale patiënten een laatste kans op redding te ontzeggen, het ging er bij veel mensen niet in. "De publieke druk was enorm", maakt Paul Stoffels het verhaal af. "Op een bepaald moment werden er bij de minister van Volksgezondheid zes doodkisten afgeleverd, als symbolisch protest. Pas in januari hebben de autoriteiten toegegeven, toen een van de patiënten al gestorven was. De andere vijf hebben uitstekend gereageerd op onze middelen. We zijn nu vijf maanden later en ze stellen het nog altijd prima."

Dokter Stoffels vertelt het met hoorbare voldoening. Begrijpelijk, want hij mag zich een van de vaders van dit medische wonder noemen. TMC 114 en TMC 125 werden ontwikkeld door Tibotec, het in Mechelen gevestigde biomedische bedrijf dat hij in 1994 samen met de Leuvense farmacoloog Rudi Pauwels oprichtte. Stoffels had er toen al een carrière als onderzoeker bij Janssen Farmaceutica op zitten, een carrière die begon met een langdurig verblijf in Afrika.

In die jaren nam Paul Janssen, de in 2003 overleden stichter van het gelijknamige geneesmiddelenbedrijf, de jonge arts uit Rijkevorsel onder de vleugels. De twee Kempische dokters delen overigens niet alleen hun voornaam. Net als zijn mentor combineert Paul Stoffels moeiteloos wetenschap met ondernemerschap. Want Tibotec is een succesverhaal, ondanks de geaborteerde beursgang van 2000. Twee jaar later betaalde Johnson & Johnson, de Amerikaanse farmagigant waaronder ook Janssen Pharmaceutica ressorteert, ruim 360 miljoen euro voor de overname van Tibotec en het zusterbedrijf Virco, dat hiv-resistentietests ontwikkelt.

Rentenieren is aan Stoffels echter niet besteed. Op 1 juni kreeg hij bij J&J een forse promotie: Stoffels is voortaan wereldwijd bevoegd voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. Of hij nu 22.000 dan wel 25.000 medewerkers onder zijn gezag heeft, hij wil er even vanaf zijn. "Geef me wat tijd om het uit te vissen", zegt hij. "Het is allemaal nieuw, ik zit pas drie weken op deze stoel."

Die stoel staat sinds 1 juni opnieuw in Beerse, op de campus 1 van Janssen Pharmaceutica. In Geel, luttele kilometers hiervandaan, draait intussen de productie van de eerste Belgische aidsremmer op volle toeren. De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) geeft eerstdaags groen licht voor TMC 114, waarna niets de wereldwijde commercialisering ervan nog in de weg staat. Naar algemene verwachting zal TMC 125 nog voor het einde van volgend jaar volgen.

Het is dan ook een tevreden man die ons in Beerse te woord staat. Het geheim van TMC 114 en TMC 125? Onze eerste vraag doet hem naar pen en papier grijpen. Onder het schetsen van viruslichamen, celwanden, enzymen en chromosomen vertelt hij het verhaal van een verbeten strijd tegen een geniepige vijand. Dat zijn uiteenzetting wemelt van onmogelijke termen zoals protease inhibitors en non-nucleoside reverse transcriptase inhibitors moeten we maar voor lief nemen. Het gaat tenslotte om biomedische spitstechnologie.

Paul Stoffels: "Ik zal het simpel houden. Hiv is een retrovirus, een virus dus dat in een cel binnendringt en er zijn DNA in het chromosoom achterlaat. Zodra het virus zich in het erfelijk materiaal heeft genesteld krijg je het er niet meer uit. Erger nog, hiv gebruikt gastcellen om zichzelf te vermenigvuldigen. Telkens als een virus een cel infecteert, wordt het duizenden keren gekopieerd. Dat gaat ongelooflijk hard. Een gemiddelde patiënt heeft tussen de 100.000 en één miljoen virussen per milliliter bloed. Wat hebben wij nu gedaan om die massale invasie te stoppen? We pakken het virus op twee fronten aan. TMC 125 is een NNRT-remmer die belet dat het virus zich in het erfelijk materiaal van gezonde cellen nestelt. TMC 114 werkt dan weer op cellen die al besmet zijn. Het is een zogenaamde proteaseremmer, een middel dat voorkomt dat het virus zich vanuit geïnfecteerde cellen verspreidt."

De FDA heeft voor TMC 114 bij hoge uitzondering een accelerated approval verleend. Dat betekent dat jullie het product al op de markt mogen brengen, terwijl de derde en beslissende fase van de klinische tests nog niet afgelopen is. Vanwaar die haast?

Stoffels: "Omdat de resultaten van de eerste en tweede fase buitengewoon overtuigend zijn. TMC 114 is actief op 98 tot 99 procent van alle hoogresistente virusstammen. We hebben het voorbije anderhalf jaar in de trials zo'n 2.000 patiënten behandeld, allemaal rescue patients met een levensverwachting van drie tot zes maanden. Bij meer dan de helft van de patiënten heeft het middel tot een duurzame onderdrukking van het virus geleid. Dat is zonder meer spectaculair. Mensen die terminaal ziek waren, kunnen opnieuw een bijna normaal leven leiden. TMC 114 is nog niet op de markt, maar het middel heeft nu al honderden mensenlevens gered."

Komt u die mensen weleens tegen?

"Oh ja, en ze zijn allemaal heel dankbaar. Ik heb het al vaak gehoord: thanks to your research, I'm still alive. Dat compliment is natuurlijk voor de hele ploeg van Tibotec bestemd. Ga in Mechelen maar eens de sfeer opsnuiven. Het enthousiasme is groot, en niet alleen vanwege de bedrijfseconomische vooruitzichten. Al onze medewerkers hebben het gevoel dat ze essentieel werk verrichten."

Het heeft Tibotec meer dan tien jaar gekost om een eerste aids- remmer op de markt te brengen. Waarom zo lang?

"Het ontwikkelen van een aidsremmer is technisch even complex als een mens op de maan zetten. Want hiv heeft de geneeskunde voor ongekende uitdagingen geplaatst. Vooral de variabiliteit is verbluffend. Het halfleven van het virus bedraagt twee tot vier dagen, binnen dat tijdsbestek heeft de volledige populatie in het menselijk lichaam zich vernieuwd. Om de vier dagen krijg je dus een volledig nieuwe generatie, 100.000 tot één miljoen virussen per milliliter bloed. Reken daarbij dat het virus per replicatiecyclus 10 procent fouten in zijn erfelijk materiaal laat optekenen. Daar moet ik geen tekening bij maken, dat is Darwin tot de tiende macht.

"Daarom is het zo moeilijk om een adequaat middel te ontwikkelen. Het virus ontwikkelt telkens weer resistente stammen. Toch is er al veel vooruitgang geboekt sinds hiv werd ontdekt, nu precies een kwarteeuw geleden. Dat was, behalve een catastrofe voor de mensheid, ook een uitdaging voor de wetenschap. Dankzij hiv zijn zowel de virologie als de farmacologie er met rasse schreden op vooruitgegaan. Ook therapeutisch staan we nu veel verder. Met de eerstegeneratie-aidsremmers konden we het leven van patiënten hooguit twee jaar verlengen. De huidige behandeling met cocktails werkt veel beter. Patiënten die zich goed verzorgen, hoeven eigenlijk niet meer te sterven aan aids."

Waarom is er dan zoveel ophef over de levensreddende aids- remmers van Tibotec?

"De behandeling met cocktails gaat met zware neveneffecten gepaard en is loodzwaar. Patiënten in een vergevorderd stadium slikken tot twintig pillen per dag, dat is nauwelijks vol te houden. TMC 114 en TMC 125 zijn veel gebruiksvriendelijker. We hebben trouwens nog een aidsremmer in de pijplijn, TMC 278. Dat is een enorm potent middel, waarmee we dit najaar naar fase drie van het klinisch onderzoek willen gaan. TMC 278 heeft vooral een preventieve werking. Het heeft het vermogen om het virus bij pas gediagnosticeerde patiënten volledig te blokkeren. Met één pil per dag, een spectaculaire vooruitgang."

TMC 278 werd nog ontwikkeld door het hiv-onderzoeksteam van wijlen Paul Janssen. Wat had hij met hiv?

"Zie je, de ontdekking van hiv was een schok voor de geneeskunde en farmaceutische industrie. Het virus tastte het geloof in de menselijke onoverwinnelijkheid aan. Dokter Paul - want zo werd hij door iedereen genoemd - was als briljante uitvinder van geneesmiddelen meteen gefascineerd door de complexiteit en de hardnekkigheid van hiv. Hij beschouwde het als een uitdaging, misschien wel de moeilijkste uit zijn carrière. TMC 278 noemde hij liefkozend zijn wereldkampioen, omdat het middel zo veelbelovend was. Jammer dat hij de commercialisering van onze aidsremmers niet meer kan meemaken."

Paul Janssen eindigde tweede bij de verkiezing van de Grootste Belg, na pater Damiaan. Was u verrast of hebt u misschien zelf een sms'sje gestuurd?

"Ik zal het niet ontkennen: ik heb een keertje meegestemd. Voor mij was die tweede plaats geen verrassing. Welke Vlaming heeft nog nooit een geneesmiddel genomen dat door dokter Paul werd uitgevonden? Die verkiezing was natuurlijk maar entertainment. Toch is het ook een erkenning van zijn genie. Dokter Paul mag als een van de grootste vernieuwers van de moderne geneeskunde worden beschouwd. Als ondernemer was hij een succesvolle non-conformist, een hoogst uitzonderlijke combinatie. Zijn belangstelling voor China is daar het beste voorbeeld van. Terwijl de hele wereld China links liet liggen als een communistisch bastion ging hij er geneesmiddelen produceren. Dokter Paul besefte toen al wat we nu allemaal kunnen vaststellen. Dat de Chinezen van nature handelaars en ondernemers zijn, geboren kapitalisten dus."

Is de populariteit van Paul Janssen niet misleidend? In werkelijkheid geniet de farmaceutische sector een barslecht imago. De pillen- industrie wordt geassocieerd met woekerwinsten en medische overconsumptie. Jullie spelen ook de rol van boeman in The Constant Gardener, een film over de gruwelijke exploitatie van Afrikaanse proefkonijnen. Vanwaar die belabberde reputatie?

"Laten we ophouden over The Constant Gardener, dat verhaal is van a tot z verzonnen. En die woekerpraktijken, tja, waar komt dat imago vandaan? Misschien ligt het aan de manier waarop ze in de Verenigde Staten producten zoals Viagra aan de man brengen. Dat is big business, er worden reusachtige promotiebudgetten tegenaan gegooid. In Europa gebeurt het veel bescheidener, maar die Amerikaanse campagnes berokkenen de hele sector een slechte naam. Ten onrechte en ik kan me daar blauw aan ergeren."

Maar heeft de sector de reputatie van geldzucht niet aan zichzelf te wijten? Ik denk dan aan het verzet tegen generische geneesmiddelen...

"Ik heb niets tegen generische geneesmiddelen, maar de overheden moeten wel oppassen dat het farmaceutische verhaal blijft kloppen. We moeten de gigantische investeringen voor het ontwikkelen van nieuwe middelen ergens terugverdienen. Met een winstmarge, als het even kan, want we werken nu eenmaal in een kapitalistische omgeving, waar de return on investment als basisregel geldt.

"Het klopt overigens dat de winsten in onze sector aan de hoge kant liggen, maar daar is een goede reden voor. Investeren in farmacie is per definitie riskant, al was het maar omdat je nooit weet of een nieuw middel echt op de markt zal geraken. Banken investeren dan ook niet in de geneesmiddelenindustrie, we zijn volledig aangewezen op durfkapitaal.

"Generieken vormen op zich geen probleem, wel de veel te korte termijn waarop patenten verstrijken. Kijk, het duurt steeds langer en het kost steeds meer om nieuwe geneesmiddelen op de markt te brengen. Terwijl de financiële put die je moet graven om een product te ontwikkelen dus steeds dieper wordt, wordt de periode om die put te delgen steeds korter. Want de generische producenten spelen kort op de bal. We hebben het bij Janssen al meermaals gezien. Dag één na het verstrijken van een patent ben je 80 procent van je marktaandeel kwijt. Het gebrek aan rentabiliteit dreigt het innovatieve karakter van de farmaceutische industrie te ondergraven."

Vervolg op pagina 70

Klinkt als een pleidooi pro domo. Moeten we bang zijn?

"(onverstoorbaar) Mag ik een voorbeeld van farmaceutische innovatie uit eigen huis geven? Bij Janssen worden onder andere stents gemaakt voor kransslagaderoverbruggingen. Herinner je de openhartoperaties van vroeger. Dat waren uiterst riskante ingrepen, die minstens zes maanden revalidatie vergden. Tegenwoordig steken cardiologen via een katheter een stent op en het probleem is van de baan. Pure routine. Maandag gaat de patiënt naar het ziekenhuis, woensdag kan hij alweer gaan werken. Allemaal dankzij de innovatieve kracht van de farmaceutische industrie. Zonder overdrijven: niemand heeft zoveel bijgedragen tot de volksgezondheid als de farmaceutische sector."

De commercialisering van TMC 114 is goed nieuws voor aids- patiënten in het rijke Westen. Maar 90 procent van de patiënten leeft in ontwikkelingslanden, vooral in Afrika. Wat hebben zij aan een wondermiddel dat ze niet kunnen betalen?

"Dat probleem ligt me na aan het hart. Mijn obsessie met aids is in Afrika ontstaan. Als student geneeskunde kreeg ik er begin jaren 80 in Congo mee te maken. Niemand had van aids of hiv gehoord, we konden alleen vaststellen dat de ziekenhuizen van Kinshasa volliepen met patiënten die aan een mysterieuze ziekte leden.

"Toen ik afgestudeerd was, ben ik voor Janssen naar Congo en Rwanda getrokken. Honderden mensen heb ik in die jaren zien sterven aan aids. In Kigali was het heel erg. In de leeftijdscategorie van vijftien tot vijftig jaar was één op de drie mensen met hiv besmet. In die periode heb ik mijn besluit genomen: ik wilde iets doen aan de aidsplaag. Door de burgeroorlog in Rwanda ben ik met mijn gezin halsoverkop naar België teruggekeerd. Toen heeft dokter Paul mij voorgesteld om in Beerse mee te werken aan zijn hiv-programma. Ik heb geen seconde geaarzeld."

Concreet: krijgen ze in Afrika straks TMC 114 te zien?

"Ik heb dat bij de top van J&J aangekaart, en ze delen mijn visie. Het is niet meer denkbaar dat je in het Westen aidsremmers verkoopt die in de ontwikkelingslanden niet beschikbaar zijn. We zijn nu al bezig met de plannen om TMC 114 in Afrika te verdelen. Niet gratis, want het moet leefbaar blijven, wel tegen generische prijzen."

Organisaties zoals Artsen zonder Grenzen voeren al jaren campagne voor goedkope geneesmiddelen voor ontwikkelings- landen. Mogen zij deze belofte als een overwinning zien?

"Zo zou ik het niet bekijken. Artsen zonder Grenzen had groot gelijk toen die campagne werd gelanceerd, maar ondertussen is er veel gebeurd. Er is nu een goede samenwerking tussen overheden, industrie en ontwikkelingsorganisaties. Dure geneesmiddelen zijn niet langer het probleem. In heel wat Afrikaanse landen zijn er voldoende hiv-geneesmiddelen beschikbaar, alleen ontbreekt de structuur om ze te verdelen. Wist je dat Tanzania met zijn 36 miljoen inwoners 1.500 dokters telt, van wie slechts de helft als praktiserend medicus werkt? Of neem Oeganda, daar studeren jaarlijks 100 artsen af, van wie de helft meteen naar het buitenland vertrekt.

"Tussen haakjes, die braindrain is absurd. Terwijl Oegandese artsen naar Engeland, Canada en Australië uitzwermen, sturen wij peperdure expats om ginder de volksgezondheid op te krikken. Ach ja, het is vechten tegen de bierkaai. Oeganda beschikt over 8 dollar per patiënt per jaar, waarvan er welgeteld 1 dollar aan geneesmiddelen wordt besteed. Dan mag je de geneesmiddelen nog zo goedkoop maken als je wilt, je krijgt ze niet bij de patiënt. Ik zie daar maar één oplossing voor: geneesmiddelen subsidiëren en ontwikkelingslanden helpen bij de distributie. Wij als producenten doen alvast wat we kunnen, maar dat zal niet volstaan. Rijke landen moeten met geld over de brug komen, en ook in het Zuiden moet er veel veranderen. Het kan niet langer dat ontwikkelingslanden tien keer meer uitgeven aan defensie dan aan volksgezondheid."

Oeganda en Tanzania zijn modelstaten vergeleken met Congo, een land dat u al meer dan twintig jaar op de voet volgt. Hoe erg is het daar met de gezondheidszorg gesteld?

"Ik vind het pijnlijk om te zien hoe dat land steeds dieper wegzakt. Bij mijn eerste bezoek was er nog een redelijk wegennet, waren er nog degelijke scholen en stond de gezondheidszorg nog op een aanvaardbaar peil. Vandaag sterven in Congo ieder jaar duizenden vrouwen in het kraambed omdat men zelfs geen keizersnede meer kan uitvoeren. Met de wegen is het al even erg gesteld. Congo importeert massaal maïs om de inwoners van Kinshasa te voeden. Vierhonderd kilometer verderop in Kikwit laten de boeren hun maniokvelden braak liggen omdat er toch geen wegen meer zijn om de hoofdstad te bevoorraden."

Klinkt helaas bekend in de oren. Ziet u ook een oplossing?

"We moeten helpen, want op eigen kracht geraken landen als Congo er niet meer uit. Waarom zou België de gezondheidszorg van Congo niet kunnen heropbouwen? Dat is geen paternalisme, we gaan er ook niet heen om er te blijven. We sluiten een contract van tien jaar en na die periode zijn de Congolezen in staat om op eigen benen te staan. Ontwikkelingshulp, dat betekent voor mij dat je mensen in het Zuiden de instrumenten aanreikt om hun lot in eigen handen te nemen."

Een topman van de farmaceutische industrie die zich met de veren van een door idealen gedreven ontwikkelingswerker tooit. Is dat wel geloofwaardig?

"Ik zie de paradox niet. Mijn vader was zelf kaderlid bij Janssen. Als student geneeskunde wist ik het dan ook snel: de farmaceutische sector was niks voor mij, ik studeerde medicijnen om de mensen in het Zuiden te helpen. Vanaf mijn derde kandidatuur trok ik iedere zomer naar Congo. Ik ging helpen in het ziekenhuis van Kikwit. Daar heb ik het vak geleerd. Soms was het pure oorlogsgeneeskunde. De weg van Kinshasa naar Kikwit was toen al barslecht. Geregeld kantelde een zwaar geladen vrachtwagen om, met een half dorp bovenop de lading. Na zo'n ongeval werden er vijftien zwaargewonden tegelijk binnengebracht. Dan moest ik als studentje kiezen tussen leven en dood. Die patiënt kunnen we er nog door sleuren; aan die patiënt gaan we geen tijd meer verliezen."

En toch in de farmacie terecht- gekomen...

"Inderdaad, na mijn studie vroeg dokter Paul me of ik in Afrika onderzoek wilde doen naar tropische ziekten. Ik heb eerst getwijfeld, maar bij nader inzien leek het de logica zelve. Ik kon naar Afrika, en mijn werk was ontwikkelingsrelevant. Ik heb er nooit spijt van gehad. Ik werk dan wel in een kapitalistische omgeving, maar ik voel me nog altijd een ontwikkelingshelper. Sterker nog, vanuit deze stoel kan ik meer doen dan als arts in het Zuiden. Op het terrein kun je maar een beperkt aantal patiënten helpen, maar met een nieuw hiv-middel kun je miljoenen levens redden."

Slotvraag. Klopt het dat uw kruistocht tegen hiv een persoonlijk tintje heeft? U zou in 1995 met Rudi Pauwels Virco hebben opgericht om een gemeenschappelijke vriend te helpen die met hiv besmet was...

"Dat klopt, die gemeenschappelijke vriend leeft nog altijd. Meer nog, hij was de eerste patiënt die we met onze aidsremmers hebben behandeld. We zijn nu twee jaar later en hij maakt het uitstekend."

Vanuit deze stoel kan ik meer doen dan als arts in het ZuidenDat slechte imago vreet aan mij. Niemand heeft zoveel bijgedragen tot de volksgezondheid als de farmasector

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234