Zaterdag 10/12/2022

De man die aan Nixon weerstond

Hij werd wereldberoemd op 20 oktober 1973 toen hij ontslag nam als Amerikaans minister van Justitie, liever dan het onderzoek naar de betrokkenheid van de Republikeinse president Richard Nixon bij het Watergate-schandaal lam te leggen en de speciale aanklager Archibald Cox te ontslaan.

Voor die dag had Richardson al een rijkgevulde carrière achter de rug. Hij had van alle Amerikanen in de geschiedenis het grootste aantal ministerposten bekleed: hij was onder Nixon onder meer minister van Opvoeding en Sociale Aangelegenheden, en minister voor Gezondheidszorg. In die jobs bouwde hij een reputatie op van degelijkheid en deugdelijkheid. "Ik haat alle vormen van valsspelen", zei hij, wat profetische woorden bleken.

Eigenlijk reikten zijn ambities verder. "Iemand moet president zijn", vertelde hij aan een vriend, "en ik ben geschikt voor de taak. Ik heb altijd geloofd dat we onze talenten tot het uiterste moeten gebruiken. Mijn capaciteiten komen enkel tot volle uiting als ik aan het hoofd kan staan van ingewikkelde regeringsinstrumenten. In alle andere situaties ben ik onderbenut in verhouding tot wat ik heb geleerd."

Onderbenut was hij zeker niet in 1973, toen president Nixon, na een massale verkiezingsoverwinning, aan zijn tweede ambtstermijn begon. De krant The Washington Post bleef echter doorboren op Watergate. In het gebouw met die naam was het hoofdkwartier van de Democraten gevestigd, en daar was in juni 1972, in de aanloop naar de verkiezingen, ingebroken (in hetzelfde gebouw woonde vele jaren en vele schandalen later Monica Lewinsky). The Washington Post vond meer en meer aanwijzingen dat hoge omes van de Republikeinse partij en de Nixon-regering niet alleen vooraf van de inbraak op de hoogte waren, maar er zelfs de opdracht toe gegeven hadden.

Het parlement eiste en kreeg een onderzoek. In die troebele tijden had Nixon een geloofwaardig minister van Justitie nodig (attorney general), en Richardson kreeg de job. De Senaat stemde echter niet zomaar met de aanstelling in. Eerst moesten zowel Nixon als Richardson toezeggen dat een special prosecutor, een speciale aanklager, zich met het onderzoek zou bezighouden. Richardson koos Archibald Cox, die onder de Democratische president Kennedy had gewerkt en die dus op steun van beide partijen kon rekenen. In mei 1973 werd Richardsons benoeming door de Senaat bekrachtigd. "Ik dacht dat ik Nixon kon helpen", zei hij hierover, "Ik wou hem helpen."

Hij stond voor de moeilijkste zes maanden uit zijn loopbaan. Want niet alleen Nixon verkeerde in moeilijkheden, ook diens vice-premier Spiro Agnew kwam - zij het om totaal andere redenen - in opspraak. Agnew werd beschuldigd van corruptie en het aanvaarden van steekpenningen.

Richardson deed echt wel zijn best om de vice-president te helpen, hij liet de vijf mensen die beschuldigingen uitten aan leugendetectortests onderwerpen. Om te vernemen dat ze de waarheid spraken en dat Agnew de hele tijd had gelogen. Richardson dokterde een regeling uit waarbij Agnew schuld bekende en aftrad. Dat geschiedde in oktober 1973, dagen voor de andere affaire culmineerde.

De hele zomer had het parlement hoorzittingen over Watergate georganiseerd. Met toenemende verbazing hoorden de Amerikanen de verhalen aan over inbraken, afluisterapparatuur, intimidatie enzovoort. Hoger en hoger gingen de beschuldigingen en uiteindelijk leek het aannemelijk dat de president zelf de opdrachtgever was.

Tijdens het onderzoek was ook gebleken dat Nixon alle conversaties die hij in het Oval Office had, op band liet opnemen. Archibald Cox wou die banden beluisteren, of ten minste een deel ervan, maar Nixon weigerde ze uit handen te geven. Richardson zocht naar een compromis maar vond er geen. Toen de president in wat later 'the saturday night massacre' (het bloedbad van zaterdagnacht) ging heten, het ontslag van Cox eiste, nam de minister van Justitie zelf ontslag.

"Ik kan enkel zeggen dat we in een situatie verkeren waarin de president, en ik heb geen aanduiding om dit in twijfel te trekken, geloofde dat de vertrouwelijkheid van presidentiële gesprekken van fundamenteel belang was."

"Het toppunt van ironie", schreef hij in 1996 in zijn autobiografie, "was dat zelfs een laattijdige blijk van openheid Nixon had kunnen redden. (...) Hij had kunnen zeggen: stuur Archie Cox met een vrachtwagen en dat-ie hem volstouwt met wat-ie maar wil. Als belastend materiaal was gevonden, kon hij zich publiekelijk verontschuldigen en grote spijt tonen. Het Amerikaanse volk, me dunkt, zou nog het liefst vergeven en vergeten."

Dat gebeurde niet, en Richardson werd weliswaar een held, maar kon een gooi naar het hoogste ambt vergeten. Zijn partij zou hem nooit vergeven.

Enkele jaren geleden kwam deze levenslange Republikein opnieuw in de belangstelling toen hij geld inzamelde voor de huidige, Democratische, president Clinton waarmee die zijn verdediging betaalde in de Paula Jones-affaire.

Richardson stierf op oudejaarsdag, na een hersenbloeding.

Rudi Rotthier

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234