Woensdag 18/09/2019

De magie van het rondzwerven

Wandelen ontstond toen de mens begreep dat hij ook gewoon wat kon rondzwerven in plaats van ergens naartoe gaan, en dat dit ook leuk was. Flip van Doorn en Rory Stewart nemen ons mee op tochten door Nederland en Schotland en tonen dat rondwandelen nooit vrijblijvend is.

Diep in zichzelf beseft iedere wandelaar het, ook al zal hij het misschien niet altijd willen bekennen: hij is een romanticus, iemand die verlangt naar de tijd dat de natuur vrij spel had, de mens niet alles had verpest en je al wandelend nog ergens kwam; toen de wereld niet groter was dan een dagmars stappen.

Wandelen is dan ook een activiteit die in het romantische tijdvak werd uitgevonden. Daarvoor liep je alleen maar, om een litertje melk te halen bij de boer om de hoek bijvoorbeeld, of - in het geval van die boer - om je koe naar de wei te brengen. Geen mens die het in zijn hoofd haalde om zomaar wat in het wildeweg rond te gaan banjeren.

Dat veranderde dus in de romantiek. William en Dorothy Wordsworth maakten lange tochten door het Engelse Lake District. Samuel Johnson bezocht de Schotse Hebriden en maakte zich daarbij hooghartig vrolijk over het feit dat de mensen daar haver aten, graan dat een Engelsman alleen aan zijn paarden gaf.

In onze streken duurde het nog een hele tijd voor wandelen ingang vond, een kleine eeuw om precies te zijn. Zeker in het protestantse Nederland, waar werkethiek vooropstond, werd iemand die zomaar zonder reden de kuierlatten onderbond met een scheef oog bekeken. Tot een dominee er boekjes over begon te schrijven.

Die dominee heette Jacobus Craandijk. Hij was 22 jaar predikant voor een kleine gemeente in Rotterdam alvorens hij naar Haarlem verhuisde, waar de doopsgezinden - veelal afstammelingen van Vlaamse protestanten die na de val van Antwerpen in 1585 naar het noorden waren gevlucht - veel talrijker waren. Twaalf jaar lang doorkruiste Craandijk Nederland, wat resulteerde in acht boeken, uitgegeven tussen 1875 en 1888, samen 3.178 pagina's dik. Wandelingen door Nederland met pen en potlood, heette het werk, waarbij dat potlood sloeg op de litho's die in de boeken stonden, gemaakt door tekenaar en aquarellist Piet Schipperus.

Over deze Craandijk schreef Flip van Doorn, een verre achterneef van de dominee en al even gek op wandelen, De eerste wandelaar. Wie was hij, waarom deed hij het en wat dacht hij te zullen vinden? Dat zijn de vragen waar Van Doorn op focust.

Net zoals zijn geloofsgenoten Duyvis, Honig, Verkade en Albert Heijn was Craandijk een nijver kereltje. Aan die kapitalistische inslag koppelde hij een socialistisch gemoed. 'Zal de prediker ook de gebeurtenissen van den dag behandelen, ook staatkundige en maatschappelijke vraagstukken ter sprake brengen?' vroeg hij bijvoorbeeld in een van zijn opstellen, 'Waarom niet? De arbeiders- en onderwijsvragen, de binnenlandse staatkunde, het regeringsbeleid in Indië, 't wordt vrijelijk getoetst aan de beginselen van het Evangelie, aan den geest van Christus.'

Het bezoeken van wezen en gevangenen vond Craandijk dan ook een van zijn basistaken.

Een bezigheid van de ziel

Eenzelfde bezorgdheid lag ten grondslag aan zijn wandelingen. Hij wilde zijn land beschrijven zoals het was, omdat het door de toenemende industrialisering en het gebrek aan historisch besef waardoor heel veel oude landgoederen als steengroeve werden gebruikt, binnenkort onherkenbaar veranderd zou zijn.

Die instelling kan misschien vanzelfsprekend lijken, maar ze was het allerminst, zo blijkt uit het contrast met die andere wandelaar uit die tijd: Frederik van Eeden, niet de auteur van De kleine Johannes, maar diens vader. Hij was een zoon van een bollenkweker die zich opgewerkt had tot directeur van zowel het Koloniaal Museum als het Museum voor Kunstnijverheid, en in Haarlem de overbuur was van Craandijk. Op bijna escapistische wijze richtte hij zich op de beschrijving van de natuur tijdens zijn wandelingen. Hij is de man die het woord 'natuurmonument' entte, maar voor Craandijk was hij veel te eenzijdig. Van Eeden was wat wereldvreemd, zouden we kunnen besluiten uit De eerste wandelaar, terwijl Craandijk een scherpe neus had voor wat er leefde in zijn tijd.

Midden 19de eeuw kwamen de meeste Nederlanders bijna nooit hun dorp uit. Ze gingen wel eens naar een naburig dorp, maar daar lag de grens van hun wereld. Diligence, stoomtram en trein brachten daar verandering in, al was dat aanvankelijk door het ontbreken van een centrale tijd maar mondjesmaat. Alvorens op 1 mei 1909 in heel Nederland de Amsterdamse tijd ingevoerd werd, hield iedere plaats er zijn eigen klok op na. Zo kon je vroeger in Hilversum met de stoomtram aankomen dan je in Bussum vertrokken was.

Craandijk gebruikte die moderne transportmiddelen natuurlijk wel, maar veel liever ging hij te voet. Wandelen was immers een bezigheid van de ziel, schreef hij, die de blik naar binnen richtte. Het onophoudelijke getsjoek en gesis van tram of trein werkte dan alleen maar verblindend.

Opmerkelijke mannen

Hetzelfde idee treffen we aan bij Rory Stewart, auteur van De Schotse marsen. 'Op geen enkele andere wijze kan ik zoveel leren over een natie en over mezelf', geeft hij aan als reden waarom hij lange wandelingen maakt door het noorden van Engeland en het zuiden van Schotland.

In het boek vertelt hij hoe hij zes jaar geleden samen met zijn 89-jarige vader Brian de Muur van Hadrianus afwandelde, de historische grens tussen Schotland en Engeland die de Romeinse keizer in het jaar 122 tussen pot en pint op de kaart zette. In feite had ze 100 kilometer noordelijker of zuidelijker kunnen liggen. Alleen het feit dat het land daar op z'n smalst was en er dus minder gebouwd zou moeten worden, bepaalde de exacte locatie.

De Schotse marsen is een heel ander boek dan De eerste wandelaar, meer betrokken, levendiger en persoonlijker. Dat heeft natuurlijk alles te maken met die vader die meewandelt, ook al doet hij dat maar een heel klein beetje, de eerste drie mijl van de dag, daarna neemt hij een taxi.

Zowel vader en zoon zijn trouwens opmerkelijke mannen. Vader diende tijdens WO II in het Royal Highland Regiment, ging daarna voor de Britse geheime dienst werken in zowat heel Azië, klom op tot directeur van de Technische en Ondersteunende Dienst - de Q uit James Bond - en leidde na zijn pensioen de politie van Maleisië, waarna hij nog eens anderhalf decennium ondernemer werd in China.

Zoon Rory ging na zijn studie in Oxford voor Buitenlandse Zaken werken, doorkruiste Turkije, Iran en Afghanistan, ging lesgeven aan Harvard en gaf uiteindelijk alles op om conservatief parlementslid te worden voor Penrith and the Border, in het noordwesten van Engeland.

Wie ben ik, dat is wat Rory zich tijdens zijn wandelingen vooral afvraagt. Hij groeide op aan de rand tussen Hoogland en Laagland en beseft daardoor heel goed dat de grens tussen Schotland en Engeland artificieel is. Er is Engeland, Schotland en, zoals zijn vader het noemt, het Middenland, een strook van een paar honderd kilometer breed die ten zuiden van het Lake District begint en tot aan de Hooglanden loopt, waar het heuvelende Schotland overgaat in het bergachtige, en de mensen ook helemaal anders zijn.

20 miljoen stenen

Wat stelt de Schotse identiteit dan voor? Niet veel natuurlijk, wetende dat Schotland er ook maar gekomen is door de Picten uit te moorden, de Noorse koninkrijken op de Orkney's in te lijven, het Gaelische koninkrijk van Galloway onder de voet te lopen en de Lord of the Isles af te zetten.

En toch gaat Stewart op zoek, wandelend als Robert Macfarlane en redenerend met het nuchtere verstand van Robert Kaplan. Hij demonstreert die instelling door recht in te gaan tegen wat de Schotse schoolboeken vertellen over de Muur van Hadrianus, namelijk dat de Romeinen die niet hadden opgetrokken om de barbaren buiten te houden, maar dat het een tolmuur was, gebouwd om de soldaten een bezigheid te geven en te verhinderen dat de Schotten Engelse koeien en schapen zouden stelen.

Die muur, schrijft hij, bestond uit 20 miljoen uitgehakte stenen; 20.000 man bouwde er 10 jaar lang aan. Hij was 4,5 meter hoog en 130 kilometer lang. Om de 300 meter stond er een wachttoren, om de 1.500 meter een castellum en om de 11 kilometer een fort voor 1.000 man. Zo'n 300 jaar lang werd die muur bewaakt door 50.000 Romeinen, meer dan drie keer zoveel als er in heel Egypte gelegerd waren. En dat allemaal om te verhinderen dat er schapen gestolen werden? Dat maak je een nuchtere Brit niet wijs.

Vader en zoon Stewart hebben wat van de wereld gezien, en dat maakt dit boek zo uniek. Hun wandelingen door Schotland vertonen steeds gelijkenissen met wandelingen door Afghanistan of Maleisië, en die ene muur roept herinneringen op aan vele andere.

Maar Rory gaat door al die verhalen heen ook op zoek naar zijn vader. Hoezeer lijkt hij op hem? En hoe lang zal de man nog leven? Hoeveel tijd hebben ze samen nog? En dat blijkt niet veel te zijn. De Schotse marsen had uit drie delen moeten bestaan: het verleden, het heden en de toekomst van het Middenland. Dat derde is er niet gekomen doordat Rory's vader twee jaar geleden stierf.

Het zou trouwens toch een moeilijk deel geworden zijn om te schrijven, beseft Rory, want wie kan de toekomst voorspellen? De geschiedenis van een natie heeft wat dat betreft heel wat gemeen met het verloop van een mensenleven - of van een wandeling. 'Gewoon doorgaan', zoals de twee laatste woorden van het boek luiden, daar komt het op aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234