Donderdag 22/04/2021

De Madonna en de pannenkoeken

Een voortreffelijk naslagwerk over de Vlaamse kunst in de zestiende eeuw

In de prestigieuze reeks Pelican History of Art verscheen een uitstekend overzicht van de Vlaamse kunst en architectuur tussen 1585 en 1700. Flemish Art and Architecture van Hans Vlieghe is een fraai boek vol ongewone zichten en inzichten, een naslagwerk als een kunstkamer, waarin men de tijd zijn vreemde werk ziet doen.

Het nieuwe deel uit de Pelican History of Art presenteert zich aan de lezer met Antoon Van Dycks portret van de Engelse koning Karel I tijdens de jacht op het omslag. Ook op de kleurenfoto kun je zien dat dit schilderij in werkelijkheid adembenemend is. Van Dycks penseeltoets wordt magisch in de weergave van 'skonings informele witsatijnen vest, zijn rode fluwelen rijbroek en de geniale passage van de gehandschoende hand die losjes een handschoen vasthoudt - om van het delicate profiel van de page tegen de blauw-gele hemel van een Engelse zomeravond nog maar te zwijgen.

Even verwonderde het wel dat de schrijver, Hans Vlieghe, uitmuntend Rubenskenner, als visitekaartje een werk van Van Dyck gekozen had. De praktische reden daarvoor zou kunnen zijn dat Pelican een Engelse reeks is en dat de zeventiende eeuw het Engelse publiek meteen aan Sir Anthony doet denken. Anderzijds kun je uit dit boek ook afleiden dat de door en door verfijnde schilderkunst van Antoon Van Dyck misschien meer invloed gehad heeft op de smaak van zijn opvolgers dan het rijke, robuuste werk van Rubens. Welk genre van schilderkunst de auteur ook bespreekt, telkens wijst hij erop dat in de latere zeventiende eeuw een duidelijke tendens bestond naar verfijning, snobisme, weelderige aankleding. Jachtstukken, stillevens, familieportretten, galante taferelen, geschilderde architectuur, allemaal getuigen ze van die mode.

De grote illustratie van het titelblad typeert dan weer de veelzijdigheid van de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Willem van Haecht schilderde in 1628 de kunstkamer van Cornelis Van der Geest. Kunstkamers waren een echte Antwerpse uitvinding: charmante, kleurrijke voorstellingen van verzonnen of echte kunstverzamelingen in mooie interieurs. Van der Geest bezat blijkbaar topstukken van Vlaamse en Italiaanse schilders: een Dürer, twee Rubensen en misschien ook een intussen verloren gegaan paneel van Jan Van Eyck hangen te pronken aan zijn wanden. Een geschikte omgeving om het bezoek te ontvangen van de aartshertogen Albrecht en Isabella en een hele stoet vooraanstaande Antwerpse kunstenaars, waaronder Rubens en Van Dyck gemakkelijk te herkennen zijn.

Misschien had Willem van Haecht zelfs gevoel voor humor: het contrast tussen de mollige, pretentieuze matrone, gevangen in zwart satijn en een molensteenkraag, die ik voor mevrouw Van der Geest houd, en de erotische kunstwerkjes en afbeeldingen van naakten om haar heen is wel grappig. Men kan zich in elk geval indenken wat een bloeiend kunstleven er nodig is vooraleer iemand op het idee komt om verzamelingen en verzamelaars te schilderen. Later ging men zelfs zo ver om kunstenaars te vragen zelf hun werk in het klein te kopiëren op zulke portretten van kunstverzamelingen. (Tweehonderd jaar later maakte William Turner, in dezelfde geest, miniatuurschilderijtjes voor het befaamde poppenhuis van de Engelse koninklijke familie.) En echt grote verzamelaars, zoals de landvoogd aartshertog Leopold Wilhelm, lieten verschillende versies van hun collectie schilderen, die ze dan uitdeelden als relatiegeschenken.

Cornelis Van der Geest moet belangstelling gehad hebben voor de geschiedenis van de kunst. De mogelijke Van Eyck is tenslotte een werk uit de vijftiende eeuw; de zestiende eeuw wordt vertegenwoordigd door een Madonna van Metsys en een pannenkoekentafereel van Pieter Aertsen dat vandaag, als ik me niet vergis, in het Antwerpse museum Mayer-Van den Bergh hangt. Om even goed te doen als hij zouden wij al rococomeesterwerkjes en bekende impressionisten in huis moeten halen. Maar in tegenstelling tot ons hoefde Van der Geest zich het hoofd niet te breken over een wetenschappelijke benadering van zijn collectie. Ongetwijfeld wist hij ongeveer wat beroemde schrijvers uit de Klassieke Oudheid over beeldende kunsten geschreven hadden en waardeerde hij het verschil tussen Nederlandse en Italiaanse stijlen, ongetwijfeld had hij ook smaak en een oog voor beleggingen. Hij kocht architectuurschilderingen, bloemstukjes, jachtstukken, zeestukken, landschappen, afbeeldingen van catastrofes, nachtelijke taferelen bij kaarslicht, portretten, religieuze, historische en mythologische voorstellingen. Zo rijk was de toenmalige kunstmarkt, zo groot de vraag.

Pas in de tweede helft van de eeuw, toen hier naar Frans model ook academies werden opgericht, zag men in de vakliteratuur strikte ordeningen volgens onderwerp ontstaan: schilderijen waarin godsdienstige waarheden of moreel verheffende feiten uit de menselijke geschiedenis getoond werden, scoorden daarin het hoogst, afbeeldingen van concrete mensen - portretten - maakten minder indruk, afbeeldingen van dieren, landschappen en voorwerpen eisten volgens sommige theoretici het minst verbeeldingskracht - en verbeeldingskracht was nu net die goddelijke vonk in elke kunstenaar. Een laat-zeventiende-eeuws bloemstuk kan ons bedwelmen door zijn sensualiteit en virtuositeit, voor een laat-zeventiende-eeuwse intellectueel kon het evengoed overschat spul van geringe inhoud zijn. Cornelis Van der Geest beoordeelde nog nauwelijks op genre, zijn kleinzoon deed dat misschien al wel. En wij doen het ook.

Flemish Art and Architecture 1585-1700 is de opvolger van Art and Architecture in Belgium 1600-1800, het standaardwerk uit 1960 van Gerson en Ter Kuile. Hans Vlieghe koos voor een andere tijdsindeling: van de herovering van Antwerpen voor de Spaanse kroon, het begin van de katholieke consolidatie in onze gewesten, tot het einde van de zeventiende eeuw, de periode die men gemakshalve de Barok zou kunnen noemen. Hij koos ook voor een andere ordening van het materiaal. Oudere studies over de zeventiende eeuw bestonden gewoonlijk uit drie monografieën over de sterren Rubens, Van Dyck en Jordaens, gevolgd door enkele hoofdstukken over de rest. Dat leverde een vertekend beeld op, waarbij alle aandacht naar genieën ging zonder dat die genieën duidelijk in een omgeving geplaatst werden.

Vlieghe is vertrokken vanuit de kunstwerken zelf. Hij heeft ze zo genuanceerd mogelijk ingedeeld in categorieën: in vele gevallen is dat voor de hand liggend, in andere is de vindingrijkheid van de kunstenaars moeilijker te analyseren - zijn afbeeldingen van catastrofes te beschouwen als landschappen of historietaferelen? Moet men bij boerenscènes een onderscheid maken naargelang het landschap of stillevens van huisraad domineren? En net zoals kunstkamers konden afbeeldingen van slagvelden historische werkelijkheden vastleggen of decoratieve verzinsels zijn.

Je kunt je dit boek voorstellen als een weelderige kunstkamer, met dien verstande dat de schilderijen zoveel mogelijk samen opgehangen werden volgens onderwerp en volgens jaartal. Het levert ongewone zichten en inzichten op. Wanneer men nu aan Rubens denkt, denkt men niet aan landschappen, en toch was deze Vlaamse oppergod een begenadigd landschapsschilder - meer, Rubens' landschappen zijn ontroerend. Men kent Jan Brueghel, de zoon van Pieter, het best als een verfijnde bloemenschilder, in dit boek ziet men ook betoverende landschappen van zijn hand. En men ziet de tijd zijn vreemde werk doen: meesters die aan het begin van het boek nog slanke poppetjes in overdreven elegante houdingen penselen, blijken vijftig bladzijden verder plotseling de stijl van Rubens te imiteren en grootse taferelen vol struise lijven te borstelen. Familieportretten boden oorspronkelijk plaats aan meerdere generaties en diverse zijtakken, onder invloed van de Contrareformatie en haar nadruk op de Heilige Familie ziet men steeds vaker het kleine kerngezin afgebeeld worden.

De kunstkamer van Cornelis van der Geest bevat hoofdzakelijk schilderijen, slechts enkele beelden; door een deuropening kan men een blik werpen op een bouwwerk in de verte. Flemish Art and Architecture is op dezelfde manier samengesteld: kunsthistorici hebben zich nu eenmaal van oudsher veel meer beziggehouden met de zeventiende-eeuwse schilderkunst dan met de beeldhouwkunst, terwijl, zoals professor Vlieghe meermaals aangeeft, het standaardwerk over de Vlaamse religieuze barokarchitectuur in 1926 gepubliceerd werd door de Nederlander J.H. Plantenga. Sindsdien heeft niemand zich nog aan een nieuw overzicht van dit onderwerp gewaagd. Doordat Flemish Art and Architecture ook een naslagwerk is waarin de kunsthistorische onderzoeksresultaten van de afgelopen veertig jaar verwerkt en becommentarieerd zijn, moet het dit vertekende gezichtspunt op de drie kunsttakken wel in stand houden. In de bladzijden over schilderkunst profiteer je mee van Vlieghes onovertroffen kennis op dit domein. Anderzijds confronteerde dit boek me met mijn eigen gebrek aan belangstelling voor beeldhouwkunst. Aan het begin van de zeventiende eeuw werkten er tien keer zoveel schilders als beeldhouwers in Antwerpen. Tegen het jaar 1700 waren het er nog maar tweemaal zoveel - het belang van de beeldhouwkunst nam in deze bloeiperiode dus gestaag toe.

Ik vernam in elk geval met plezier de auteursnaam achter Manneken Pis. Zijn schepper heette Hiëronymus Duquesnoy, de actiefste beeldhouwer in Brussel ten tijde van Albrecht en Isabella - bijna al zijn werk ging verloren tijdens latere Franse bombardementen. De echte erudiet moet dan weer plezier beleven aan de voetnoot bij dit jongetje: 'Sporen van waterspuitende fonteinbeeldjes in de Nederlanden en Italië', een artikel dat terug te vinden is in de Gentse Bijdragen tot de Geschiedenis en de Oudheidkunde. In Rome beschouwde men Hiëronymus' zoon François Duquesnoy - Francesco Fiammingo - als de evenknie van Bernini. Hij beeldhouwde er voor de grootste kerk - Sint-Pieters - en de grootste verzamelaars. Na François' dood eigende zijn broer Hiëronymus II zich alle resterende materiaal toe en bouwde er in Vlaanderen een bloeiende, zij het kortstondige carrière mee op. Tijdens de voltooiing van een bisschoppelijk grafmonument werd Hiëronymus II Duquesnoy beschuldigd van sodomie met zijn leerlingen in de Gentse Sint-Baafskathedraal, veroordeeld en levend verbrand. Het is ongetwijfeld het meest dramatische feit uit Flemish Art, en het doet je wegdromen over films in de trant van Derek Jarmans Caravaggio. Er bruiste meer in die barokke beltsnyders dan we zouden denken.

Dat blijkt ook uit de sporadisch geïllustreerde levensloop van de Mechelse beeldhouwster Maria Faydherbe, tante en misschien ook leermeester van de bekendere Lucas Faydherbe. Volgens een document uit 1633 had ze vakbroeders uit haar geboortestad smalend "dozijnwerkers" genoemd; het leverde haar moeilijkheden met de Sint-Lucasgilde op. Maria Faydherbe is de enige bekende vrouwelijke beeldhouwer uit deze periode; samen met de schilderes Clara Peeters vertegenwoordigt ze de vrouwelijke inbreng in dit boek. Het getuigt wel van een nieuwe benadering wanneer zelfs in overzichtswerken, waaruit hoe dan ook blijkt dat kunstbeoefening "wezenlijk een mannelijke activiteit" was, vrouwennamen niet meer puur als curiosa behandeld worden.

Wat de bouwkunst aangaat, volgt de auteur noodgedwongen, zoals iedereen voor hem, de inzichten en de grote lijnen uit 1926, aangevuld met recente preciseringen en details. Het doet je vermoeden dat in ons land een schrijnend gebrek aan architectuurhistorici heerst. De Nederlander Plantenga reisde na de Eerste Wereldoorlog Brabant door op zoek naar interessante kerkelijke gebouwen, fotografeerde ze, liet een groot aantal grondplannen en opstanden uittekenen. Het klinkt als primitief veldwerk, maar het was baanbrekend - een foto van een kleine, vervallen kapel in Neder-over-Heembeek, toen enkel te voet bereikbaar, tekent de situatie.

De charme van dit gebouwtje krijgt in Flemish Art één burgerlijke tegenhanger: Lucas Faydherbes gevel voor het huis Den Corenbloem in Mechelen laat je even aanvoelen wat zeventiende-eeuws wonen voor de goegemeente inhield - meer dan de pronkgevels aan Grote Markten, de theatrale portico's in de tuinen en de enkele kastelen die bewaard bleven. We zijn ons beter bewust van de intimiteit van het zeventiende-eeuwse wonen in Holland, dankzij de schilderkunst: denk maar aan Vermeer of De Hooch. De enkele binnenhuistaferelen uit Vlaanderen ogen in vergelijking daarmee stijf en protserig. (Dat is natuurlijk ook het voordeel van een overzichtswerk - je kunt de banden tussen de verschillende kunstvormen zien). Vervolgens vraag je je af: waar zijn al die andere gewone huizen van toen gebleven?

Naslagwerken en kookboeken hebben dit gemeen dat ze bedoeld zijn om creatief gebruikt te worden. Flemish Art and Architecture is een voortreffelijk werkinstrument voor kunsthistorici: het bevat wellicht de beste bibliografie die er op dit moment over deze periode te vinden is, ook over onderwerpen die binnen dit traditionele bestek van de drie schone kunsten slechts hier en daar vermeld kunnen worden: prentkunst, iconografie, het functioneren van de kunstmarkt, de toenmalige theoretisering van de kunsten. Lezers met voorkennis zullen hun gading vinden in de rijke wisselwerking tussen tekst en voetnoten. Voor anderen zou de beknoptheid van de tekst, gevolg van l'embarras du choix die de zeventiende-eeuwse Vlaamse kunst met zich meebrengt, soms te technisch kunnen lijken. Een zeer fraai, zeer degelijk eindejaarsgeschenk voor kunstminnaars met een voorkeur voor gouden eeuwen.

Hans Vlieghe, Flemish Art and Architecture 1585-1700, Yale University Press, New Haven/Londen, 340p., 3.375 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234