Zaterdag 21/05/2022

De machtige man met de rode mantel

Kader Abdolah over het mogelijke proces tegen de Iraanse ex-president Rafsanjani

catherine Vuylsteke

Foto's

Stephan Vanfleteren

De Iraanse ex-president Hashemi Rafsanjani (66): wordt hij de volgende Pinochet, in België aan de schandpaal genageld? De Iraanse balling en schrijver Kader Abdolah (46) was kinderlijk opgewonden bij de gedachte aan die mogelijkheid. Als er een zaak komt, komt hij ook. In België wonen zelfs. Hij weet niet of hij er goed aan doet nu te praten, maar hij moest, wegens zoveel herinneringen. Over de nieuwe revolutie heeft de auteur het, en over de oude. Over de machtige man met de rode mantel en over zijn moeder, die nu begrijpt wat Kader Abdolah al die tijd deed.

Een klein berichtje had schrijver Kader Abdolah in een Belgische krant gelezen. Over het feit dat generaal Pinochets victorie en vertrek geen eindpunt waren, en dat de zucht naar gerechtigheid in België schijnbaar wortel had geschoten. Damien Vandermeersch, de onderzoeksrechter die de Chileense dictator in het beklaagdenbankje wou krijgen met een second opinion over zijn zwakke gezondheid, werd immers andermaal benaderd. Door een Belgische Iraniër nu, een ingenieur en gewezen lid van de Iraanse communistische partij Toedeh. Hoewel die de Iraanse Revolutie in '79 steunde, werd ze in de jaren die op de overwinning volgden bloedig onderdrukt.

De anonieme indiener van de klacht werd zelf gemarteld, hij zat jaren achter de tralies maar overleefde de repressie van de mullahs. Wegens misdaden tegen de mensheid wil deze man de Iraanse ex-president Rafsanjani nu berecht zien. Wegens alle folteringen en executies, de willekeurige opsluitingen waarvoor hij tussen '83 en '89 verantwoordelijk was.

Kader Abdolah lijkt een beetje op die moedige onbekende. Hij kent hem vast wel, maar zegt dat het er niet toe doet. Twee linkse intellectuelen zijn het, de ene aangesloten bij Toedeh, de andere bij Fadaiejan. Twee idealistische jonge mannen ook, die Khomeini en de mullahs nooit vertrouwd hadden maar zagen dat zij het volk achter zich hadden. In de eerste jaren na de Islamitische Revolutie van '79 was er nog ruimte. De macht en de magie van de revolutie werkten nog na, en er was de rommeligheid die het komen en gaan van regimes met zich meebrengt. Maar tegen '83-'84 raakte alle oppositie in ademnood: arrestaties, folteringen, verdwijningen, executies. Officieel was er de Iraans-Iraakse oorlog, maar terwijl het volk oorlogspropaganda werd gevoerd, voltrok de interne schoonmaak zich haast geruisloos. Alleen de herinneringen zouden blijven, en de anonieme graven.

Ze lijken op elkaar, die twee gevluchte Iraniërs. De ene richt zich tot het gerecht, de andere tot de lezer. Met het eind deze maand verschijnende De Spijkerschrift in het geval van Abdolah. Met de tranen van een volk in het geval van beiden.

'Ik had een klein berichtje gezien." Kader Abdolah roert in het Zwolse restaurant in zijn kop muntthee en praat op die hem zo typerende manier. Traag en bedachtzaam, als een beeldhouwer die zijn materie kneedt. Niet met zijn handen, nee, maar met die zo opmerkelijke articulatie. Kader Abdolah spreekt alsof hij klank na klank de woorden heruitvindt, een nieuw Nederlands vindt.

"Ik wou... ik wou onmiddellijk reageren maar de tijd heeft me geleerd om even geduld te hebben. Ik dacht: ik wacht nog en ik ga maandag in mijn column in de Volkskrant reageren. Ik vond het interessant. Ineens krijgt België weer een plek in mijn hart en ik wilde graag in een café zitten in Antwerpen en een kop koffie drinken. Want opeens had Antwerpen of België iets. Iets van mij. Op een gegeven moment voelde ik dat een gedeelte van mijn geschiedenis op de grond van België viel. Dat was mijn eerste reactie.

"Als een jonge jongen voelde ik me opgewonden, en tegelijkertijd was het ook pijnlijk. Al die herinneringen kwamen boven. Een man of een vrouw - ik weet het niet - in België riep iets belangrijks op dat met mij ook te maken had. Met de dood van mijn broer. Of moet ik mijn neef zeggen? Maar we woonden samen, mijn oom was mijn geestelijke vader, mijn echte pa was immers doofstom. Zijn dood dus, en we moesten hem stiekem begraven in de bergen, mijn neef. Nog steeds durven we hem niet terughalen naar een officiële begraafplaats. Het was '83 of '84, hij was 22, 23, ik 28. Hij stierf en anderen belandden in de gevangenis: mijn zusjes, mijn vrienden, mijn kameraden. De Belgische kranten drukten met dat bericht op een zere plek van mijn geest. Maar ik dacht: Kader, even afstand nemen van je persoonlijke herinneringen. Doe een stap achteruit en kijk wat er aan de hand is.

"Er is iets moois in mijn land aan het gebeuren, iets prachtigs. Vooral voor een schrijver, een columnist, een journalist. Ik woon nu elf jaar in Nederland maar nog nooit heb ik zulke interessante journalistieke momenten beleefd als nu in de Perzische kranten. In mijn land is een nieuwe revolutie aan de gang, een journalistieke, met de pen als wapen. Kijk, tot voor twee, drie jaar was het onmogelijk om over de vrijheid te schrijven. We deden het wèl, ook sommige journalisten deden het. Ze werden opgepakt, vermoord. En wat ze ook zeiden, hoe hoog ook de prijs die ze betaalden, het drong niet door tot de diepste lagen van de maatschappij, het bleef in de intellectuele wereld hangen. "De schrijvers die eind '98 zijn omgebracht, deden hun best om een beetje vrijheid voor het land te krijgen, maar hun stem werd niet gehoord door de kruidenier, door de gelovige in de moskee. Nu is er iets moois gebeurd: islamitische intellectuelen, journalisten, lieden die het systeem in stand willen houden maar vermenselijken, zijn in beweging gekomen. Dat zijn mensen die tot drie, vier jaar geleden belangrijke functies hadden in de geheime dienst, de politie, de ministeries, of ze vochten aan het front. Kortom, het waren de gewichten in de geest van de Iraanse islamitische republiek. "Deze zonen en dochters van de revolutie stichtten verschillende kranten, ze pakten hun pen en vatten hun voortreffelijke journalistieke werk aan. Ze namen zo afstand van de conservatieve, hardlijnse mullahs. En het werkte ongelofelijk. Kijk, mijn moeder had nooit kunnen begrijpen waar Kader Abdolah mee bezig was, want ik was een Iraanse intellectueel die voor de vrijheid vocht. Nu volgt mijn moeder woord voor woord het werk van de journalisten. Zelfs in de bergen, in de moskeeën, volgt iedereen de discussie in Teheran, en dat komt door het werk van de journalisten die het regime van binnen kennen.

"Abdullah Nouri, minister van Binnenlandse Zaken onder president Rafsanjani en later (tot juni '98) onder Khatami, stichtte zo Khordad. Hij zette heel simpele dingen in die krant, maar omdat ze van zijn hand waren, werden ze heel gewichtig. Hij schreef dat een mens zich mag uiten, dat de oppositie zijn mening mag geven, en het bracht grote beweging in het land. Hij zorgde voor revolutie in de pers en stelde dat er in Iran geen vrije partijen waren. Wij hebben het altijd gezegd: geen vrijheid, geen vrije kranten, geen... We hebben het honderd jaar gezegd, maar het bracht niets in beweging. Als Abdullah Nouri dat zegt, is dat anders. Er bewoog wèl wat èn hij werd gepakt. In de gevangenis zit hij nu (in november '99 kreeg Nouri vijf jaar, CV).

"En kijk naar die man die twee jaar geleden nog een belangrijke functie bekleedde in de geheime dienst, Akbar Ganji (37), nu politiek commentator en hoofd van een blad. Hij zegt: wij moeten een vraagteken plaatsen bij de achtjarige oorlog met Irak. Iedereen weet dat die na vier jaar had kunnen eindigen, maar dat Rafsanjani mèèr wilde. Hij wilde Irak veroveren, de revolutie exporteren. Hij droomde ervan naar Israël te gaan. Daardoor zijn honderdduizenden mensen gestorven. Onze jongens, onze rijkdom.

"Wat Ganji schreef, was een aardbeving in de gedachten van de geestelijken. Kader Abdolah had het honderd keer gezegd, zelfs in buitenlandse bladen, maar dat helpt niet. "Hoe kwam het dat plots een deel van de zonen en dochters van de revolutie in beweging kwam? Het systeem wist niet, verwachtte niet, merkte zelfs in zijn ergste nachtmerries niet dat er eens een Khatami zou komen. Maar het volk, de vrouwen en de jongeren vooral, maakten hem met 20 miljoen stemmen tot president. Khatami was slim. Hij wist wat het volk wilde, hij wist dat we de tijd geen veertien eeuwen terug kunnen draaien, tot bij het begin van de islam. Hoewel schotelantennes in Iran verboden zijn, kwamen Khatami en de moslimintellectuelen erachter dat ze niet meer tegen satellieten konden vechten. Het was een Don Quichot-achtige strijd. Ze wisten dat ze niet konden winnen tegen internet, tegen BBC, tegen Voice of America."

"Vorige maand, tijdens de parlementsverkiezingen, gebeurde er iets prachtigs. Akbar Ganji schreef een paginagroot artikel waarin hij Rafsanjani aanviel. Hij noemde hem 'de peetvader'. En zelfs: 'de machtige man met de rode mantel'. Dat was weer een nieuwe, belangrijke zet. Die term bracht het land weer in beweging. Akbar Ganji had vragen bij de oorlog tegen Irak, bij het vermogen van Rafsanjani, bij zijn rol als president. Hij noemde tachtig schrijvers en intellectuelen op die tijdens zijn ambtstermijn gewurgd en vermoord werden in Iran en 350 anderen daarbuiten. Doodgeschoten waren ze, of teruggevonden met een mes in de rug.

"Akbar Ganji vroeg zich af welke negatieve rol Rafsanjani had gespeeld tijdens twintig jaar revolutie. Niemand kon dat geloven, die durf. Hij speelde met de dood, Ganji zette zijn leven op het spel. Niemand anders kon dat, niemand behalve hij, die van binnenuit komt, die met Rafsanjani heeft gewerkt, en met Khamenei. Hij kende het parlement, Buitenlandse en Binnenlandse Zaken, hij kende de oorlog en hij had zoveel contacten en documenten. Niemand behalve iemand zoals hij. Het was oorlog, het land kwam weer in beweging. Ganji's artikel werd door iedereen gelezen, ook door de miljoenen analfabeten.

"Rafsanjani was de rechterhand van de macht die na de dood van Khomeini ('89) uitgroeide tot de macht zelf. Hij was de man achter zoveel. De man achter de oorlog en de heropbouw erna, de man achter de grondwet, de man achter de media, de man achter het parlement, de man achter de moorden, de man achter de geheime dienst, de man die de buitenlandse politiek bepaalde, de man van het land.

"Bij de vorige verkiezingen was Rafsanjani nog nummer één. Ineens, op 18 februari, kwam 80 procent van de Iraniërs stemmen om hem tegen te houden. Het gaat niet alleen om hem, of om Ganji, maar om het volk. Het zoekt middelen om tegen de clerus te vechten en Rafsanjani was de kern, het hart, het verstand van het systeem.

"Het volk, met man en macht, ging stemmen en Rafsanjani werd niet gekozen. Maar toch. Het was een gevaarlijk moment. Er kwam een compromis en hij mocht als laatste toch naar het parlement. Twee dagen later, bij het vrijdagsgebed, barstte Rafsanjani tijdens het bidden in tranen uit. Het was fantastisch. Hij haalde zijn zakdoek uit en dipte zijn ogen. Het volk had dat nodig, het volk had gewonnen."

"En nu? Ik was eerst heel opgewonden, maar daarna dacht ik: Kader, even nadenken, ja, even nadenken. Oké, iemand in België heeft een klacht ingediend, dat is mooi. Hij is niet de eerste, niet de enige, die in de cel zat en last had van Rafsanjani. Ik ook en duizenden andere Iraniërs die in België, Nederland aanwezig zijn. We hebben honderd keer gezegd: ze vermoorden mensen in Iran, luister alsjeblief, ze zijn gevaarlijk, luister, ze maken de intellectuelen in het buitenland dood, maar niemand luistert naar ons. Geen Belgische journalist wilde ervan weten. En dan plots die klacht. Eerst ben je achterdochtig, je vraagt je af of iemand anders daarachter zit. Tegelijk is het heel gevaarlijk om je dat soort vragen te stellen. Wellicht is het inderdaad iemand die last heeft gehad en nu in beweging wil komen tegen Rafsanjani. Dat accepteer ik, dat respecteer ik, dat is mooi.

"Maar Kader, wees voorzichtig, nu staat Rafsanjani onder druk in Iran. Nu heeft Rafsanjani gehuild, nu heeft Rafsanjani geknield voor het volk. Nu zijn de rechtse, conservatieve geestelijken gewond. Ze gebruiken alle middelen om de macht weer in handen te krijgen en zeggen nu dat Rafsanjani is gevallen door Amerika, door het Westen.

"En dan komt daar plots die klacht uit België. Het is mooi, maar Abdolah, wees voorzichtig. De meeste Iraanse ballingen klinken nu zo. Eigenlijk willen we gaan juichen, juichen. Maar we houden onze mond vast.

"Helaas, wat ik nu doe, dit interview, is goed voor Rafsanjani. Als ik wil praten, is dat goed voor hem, en als ik zwijg is dat ook goed voor hem. Nu gebruiken de fanatiekelingen al hun kanalen om te zeggen: kijk hoe Kader Abdolah geniet van de val van Rafsanjani. Kijk Ganji, mijn zoon, wat je gedaan hebt, zodat onze vijanden juichen door jouw pen. Rafsanjani krijgt dus weer steun. Zelfs Khatami, die waarschijnlijk in zijn vuistje lachte, moest hem in het openbaar bijtreden na die zet van België. Dat is jammer.

"De klacht is een goede zet, maar op dit moment is hij riskant. Daarom reageerden de Iraanse ballingen enigszins sceptisch. Zelfs gisteren wou ik bellen en zeggen: alsjeblief, geen interview. Maar niets zeggen is ook niet goed. Dit is politieke actie. Vanmorgen nog belde ik met een vriend, een Iraanse schrijver. Hij zei: kan je niet nog een week wachten? Ik zei, het is journalistiek, dat kan niet. Je moet reageren of niet, ik reageer. En ik sta vierkant achter mijn woorden. Maar ja, het lijkt gek, waarom nu? Iemand die zo lang heeft gewacht, had nu zeker ook nog twee weken tijd?

"Je moet ook weten: het Iraanse volk is toch blij met deze beweging. Hoe dan ook, Rafsanjani wordt gedwongen eraan te denken dat hij in het buitenland wordt gezien als een vermoedelijke dader. Hij mag zelf uitmaken of hij al dan niet het risico neemt naar Londen te reizen, of naar België. En ik hoop dat België nu niet gaat beven. Ik zie er toch iets moois in, ook als Rafsanjani er voordeel uit haalt. Belgische journalisten moeten deze kans aangrijpen, Rafsanjani kritisch doorlichten, de stem van Iraanse journalisten laten horen. De regering hoeft de telefoon niet te pakken om Teheran te bellen en te zeggen: we willen altijd vrienden blijven. Dat hoeft niet.

"Wil je niet verder gaan, België, oké, ga dan niet verder. Wil je niet dieper, oké, dan hoef je niet dieper. Je hebt iets moois gedaan. Er komt wellicht geen rechtszaak. Iran is geen Chili of Argentinië, maar een oliestaat met gevaarlijke mannen. En bovendien willen de buurlanden er niet van horen, de hele EU niet, en ik vang op dat men een beetje in zijn vuistje lacht om België, dat ook al zo moedig was met Haider. Dat de nieuwe regering niet zo'n grote mond hoort te hebben, hoor ik, en dat vind ik niet goed.

"Als er een zaak van kwam, dan ging ik in België wonen. Als de overheid iets ernstigs doet, vraag ik een Belgisch paspoort. Ik zal ook als getuige aanwezig zijn, en ik neem vele andere, belangrijke getuigen mee. Maar ik geloof het niet. Kijk, ik mag twijfelen. Maar ik zeg: als ze iets doen, doe ik mee."

"In Iran heeft een revolutie plaats, die van de pen. Maar over sommige dingen heeft nog niemand gesproken. Over de moord op de duizenden gevangenen niet, noch over de duizenden gemartelden. Ze zijn nog onaangeroerd, de geëxecuteerde jongens, de jongeren wier lijk niet mocht worden begraven. Elke stad heeft er een aparte plek voor. Duizenden mensen zonder grafsteen.

"Niemand in Iran heeft het aangedurfd. Die man in België legt zijn vinger op een zere plek in de geest van het volk: mijn neef, mijn zusjes, mijn zwagers, mijn vrienden, mijn kameraden. Mijn vriendin van twintig: ze stompten in haar buik tot ze doodging. Haar zus woont nu in Duitsland.

"Daarom heb ik gejuicht toen ik het hoorde. Wegens de herinneringen, de doden die ikzelf heb begraven. Simpele mensen, iedere familie die niet bij de geestelijken hoort, kent zulke voorbeelden. Niemand heeft over hen gesproken, er staat geen woord over in de kranten. Ook Ganji zwijgt. Want als we daarover praten, moeten we ook Khatami in vraag stellen. Hij is medeverantwoordelijk, hij zat aan de top en hield zijn mond. Ik wil niet, nee, ik wil geen wraak. Maar er moet opheldering komen."

En ondertussen houdt Kader Abdolah zijn eigen processen. Eind deze maand alweer het volgende: De spijkerschrift, de notities van Aga Akbar. "Een jonge doofstomme man is dat, die wil schrijven maar geen woorden kent. Hij woont in de bergen, waar een spijkerschrift is gebeiteld in een rots. Zijn oom leert hem dat schrift, in een onbekende taal die niemand begrijpt of kan lezen. Zijn hele leven houdt hij een dagboek bij, en een deel van dat boek gaat over zijn dochter en zijn zoon die worden gearresteerd.

"Hij schrijft in zijn dagboek over de misdaden van het regime. Hij kent Rafsanjani niet, hij kent Khomeini niet, maar benadert dat allemaal op zijn eigen manier, die misdaden, en noteert alles in zijn boek. Wat de Iraanse Belg vertelt, staat in het boek. Jaren later, na de dood van de man, krijgt zijn in België of Nederland wonende zoon een pakje per post. Hij maakt het open en vindt de notities van zijn vader. Hij poogt die te ontcijferen. Eigenlijk gaat het over dit interview, over alles wat Abdolah kwijt wil, over de pijn, het lijden, de tranen van een volk in de tijd van de geestelijken."

'Er is iets moois in mijn land aan het gebeuren, iets prachtigs. Vooral voor een schrijver, een columnist, een journalist. Nog nooit heb ik zulke interessante journalistieke momenten beleefd. In mijn land is een nieuwe revolutie aan de gang, een journalistieke, met de pen als wapen''Er komt wellicht geen rechtszaak. De buurlanden willen er niet van horen, de hele EU niet, en ik vang op dat men in zijn vuistje lacht om België. Dat vind ik niet goed'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234