Woensdag 22/09/2021

De lokroep van de dode stad

De beiaardier is het 'Brugse' kroonstuk van de Gentse fin de siècle auteur Georges Rodenbach. Eindelijk is het boek ook in vol ornaat in het Nederlands verschenen. De tragische ondergang van stadsarchitect en beiaardier Joris Borluut laat zich, ondanks de symbolistische overdaad, nog altijd met verve lezen.

Georges Rodenbach

De beiaardier

Oorspronkelijke titel: Le Carillonneur

Vertaald door Jan H. Mysjkin

Houtekiet, Antwerpen, 302 p., 22 euro.

In Doornik geboren, op zijn viereneenhalve maand met het ouderlijke gezin naar Gent verhuisd, daar gepokt en gemazeld en er l'avocat-cravate geworden, vervolgens mistroostig uitgeweken naar Brussel én uiteindelijk "in den glans van een niet zeer normalen roem" (dixit Karel Van de Woestijne) gestorven in Parijs aan een blindedarmontsteking. Nooit woonde Georges Rodenbach, de franskiljonse neef van flamingantische dweper Albrecht, in Brugge. Toch blijft deze pessimistische symbolist voor immer met zijn literair-historische tentakels verbonden aan Brugge, zijn versteende ville d'élection en - in zijn woorden - "la plus grande des Villes Grises" (waar hij na zijn dood aanvankelijk geen gedenkplaat waard bleek). Aan het eind van de negentiende eeuw was Brugge ingekeerd en van de levende wereld afgesneden, "stil en huilerig en geluidloos als een droom", zoals Rainer Maria Rilke schreef. De Brugse kantelen, kaaien en façades waren ten prooi aan zieltoging en, aldus Rodenbach in De beiaardier, "de afgeleefde steen van oude woningen en edele paleizen" stond te "verkommeren, zodat ze spoedig in ruïnes zouden veranderen, wat voor gebouwen de vreedzame variant is van het graf".

Die mysterieuze staat van verval stond borg voor de fatale aantrekkingskracht van Brugge op de diep-melancholische Rodenbach, die met de Hoofdletter Dood flirtte als ware het een gezelschapsspel en zich niet voor niets in het schemerige vaarwater bewoog van volbloeddecadenten als Joris-Karl Huysmans. De Gentenaar Rodenbach - Gent was een stad die hij al gauw 'luguber' vond en waar hij uiteindelijk als een vreemd lichaam door de bekrompen kleinburgerij werd uitgestoten - plaatste veel liever Brugge onder een monumentale papieren stolp. In Bruges-la-Morte en De beiaardier balsemde hij haar tanende schoonheid met het bloemrijke instrumentarium dat men voor een geliefd lijk bestemt. Brugge, kortom, zat hem als een handschoen.

De pessimistische projectie paste natuurlijk in de tijdgeest. Als jong literator was Rodenbach er vroeg bij om zich te koesteren in het romantische geflakker van presymbolisten als Villiers de l'Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Op het befaamde Gentse jezuïetencollege van Sint-Barbara sloot hij vriendschap met Emile Verhaeren. De dichter François Coppée loodste hem de Parijse literaire coterieën binnen. Rodenbachs dichtbundels Les Tristesses en La mer élégante betokkelden alle toonladders van de zwaarmoedigheid: "Je me lasse du monde, et je reviens toujours/ Car j'ai besoin de bruit pour tuer ma tristesse." In La Jeunesse blanche (1886), zijn meest gave poëziewerk, was Baudelaire een bestendige aanwezigheid. "Het was nu eenmaal mode, vooral bij dichters, onvoldaanheid, geschonden-zijn, ziek-zijn aan zichzelf en aan de wereld neer te schrijven in droevige, nostalgische teksten, waarin deze gevoelens gesublimeerd en aangescherpt werden", noteert Fernand Bonneure in de fraaie studie 100 jaar Bruges-la-Morte uit 1992.

Bij Rodenbach was er niettemin een zekere erfelijke voorbestemdheid voor de Weltschmerz. Zijn moeder Rosalie Gall stond bekend als een doodsangstige vrouw, die panisch werd bij het breken van een spiegel en geen klokgebeier kon verdragen. Wanneer Rodenbach zestien jaar oud is sterven in hetzelfde jaar zijn zusters Adèle en Louise. De dichter voelde zich lange tijd een onbereikbaar eiland van eenzaamheid en behielp zich tijdens zijn onverdroten zoektocht naar la belle dame sans merci van tere talende woorden. Omstreeks 1878 schreef hij aan Verhaeren: "Je suis donc seul, et la solitude est une terrible chose, surtout pour un caractère naturellement sombre et mélancolique comme moi."

Toch was hij een dandy pur sang, die het mondaine leven te Gent en Brussel opluisterde met warmbloedige en vranke meningen. De toehoorders verkneukelden zich ook in Rodenbachs flamboyante dassengamma, een gewoonte die hij in Parijs van de schrijver Alfred de Musset had overgenomen. Van de Woestijne deed er in zijn Rodenbach-essay lacherig over: "Zekeren dag, toen de omvang van zijn halssieraad had opgehouden de nieuwsgierigheid te wekken van de Gentsche gulheid, verving hij den viervoudigen strik die zijn boord omwoelde door een dun zwart touwtje." Pas met dat nevelige Bruges-la-Morte (1892), waarin de ernstig beproefde zenuwen van weduwnaar Hugues Viane tegen het zwaarmoedige decor van de stad niet anders kunnen dan dramatisch knappen, vergaarde Rodenbach blijvende literaire roem. Bruges-la-Morte werd aan de stadspoorten bijna een sjibbolet of toch op zijn minst een staande uitdrukking. Overigens vonden de onthutste Bruggelingen het etherische noodlotsdrama (vernuftig opgeluisterd door symbolistische illustraties van Fernand Khnopff) eerst nogal denigrerend. Ze draaiden bij toen het succes van het boek - o paradox - de toeristische hoogtijdagen van de stad inluidde. Iedereen wou plots weleens de geur van verval opsnuiven en Rodenbachs "dofkleurige glans" met het boek in de hand bewonderen.

Maar Rodenbach had zijn thema bijlange niet uitgekauwd. Vanuit een zomers Knokke ging hij als een bezetene aan het werk om in het veel ambitieuzere De beiaardier (1897) de strijd tussen het nieuwe en het oude Brugge op de spits te drijven en uiteindelijk definitief te beslechten in het voordeel van de nostalgie. Rodenbach nam met De beiaardier ferm stelling in een Brugse politieke discussie. Hij verdedigde de "dode stad" vol kunstschatten en heilige graven tegen de aanhangers van Brugge-de-levende, die zich opmaakten voor mercantilisme en industrialisering én de hoopvolle blik al naar Brugge-Zeehaven hadden gekeerd. De getourmenteerde stadsarchitect- en beiaardier Joris Borluut is daartoe Rodenbachs uitgelezen vehikel. Borluuts verscheurende liefde voor twee zusters, de gelijkmoedige Godelieve ("de middeleeuwse, blondgelokte Vlaamse Eva van Memling en Van Eyck") en de grillige, zenuwzieke Barbara (met haar vurige mond als "het bijtende rood van Spaanse peper") symboliseert het contrast tussen verstilde ongereptheid en vrijpostige onbesuisdheid die tot verdoemenis leidt.

Borluut - niet toevallig gezegend met de naam van een Gents volkstribuun - staat aan het begin van het boek op het toppunt van zijn kunnen. Als stadsarchitect liet hij "als pinkstertongen een gevoel van kunstzinnigheid over de stad neerdalen" en handhaafde hij op de Brugse gevels "het mooie patina van de tijd". De ene na de andere opdracht valt hem toe, zodat hij Brugge naar zijn smaak eenvormig architecturaal kan bewaken. In een vlaag van overijver stelt hij zich kandidaat voor het ambt van stadsbeiaardier. Met volksliedjes palmt hij de jury en het publiek in en krijgt hij het recht de torenklokken van het belfort te bedienen en de toren te beklimmen wanneer hij dat maar wil. Het geeft hem het gevoel "boven het leven" uit te stijgen en te vertoeven in een ijle cocon van schoonheid: "Telkens wanneer hij van de toren terugkeerde, was het alsof hij er het leven een weinig had verleerd."

Zo pendelt De beiaardier voortdurend op en neer tussen het aardse en het mystieke. Rodenbach plaatst zijn soms realistisch, soms ook onwerelds verhaal tegen een karakteristiek kluwen van symbolen (meestal gelieerd aan de dood of de verstarring van de tijd) waarin het ascetische tegenover het losbandige wordt gesteld of het isolement tegenover de volle deelname aan het leven. Daarbij sneuvelen zelfs een aantal taboes. Met de nodige omzwachteling kon Rodenbach zich qua amoureuze fataliteiten een en ander permitteren. Zo raakt Borluut tijdens de wekelijkse bijeenkomsten bij de antiquair en uurwerkenverzamelaar Van Hulle onder de bekoring van diens dochter, de sensuele Barbara. Spoedig verzoekt hij om haar hand. Maar in wezen is de kalme, gelijkmoedige Godelieve (de lievelingsdochter van Van Hulle, met wie deze in een bijna incestueuze symbiose leeft) al veel langer in stilte op Borluut verliefd. Borluut ziet gauw in dat zijn huwelijk met de voortdurend hysterisch ruziënde Barbara ("een toevallige bundel zenuwen waaraan zijn leven voor eeuwig was gebonden") een vergissing is en dat ook hij eigenlijk Godelieve bemint. Wanneer Godelieve na de dood van vader Van Hulle tijdelijk bij Borluut en zijn vrouw intrekt, is het onontkoombare niet meer veraf. Tijdens een afwezigheid van Barbara wordt de liefde tussen Godelieve en Borluut in de Sint-Salvatorskerk genuttigd, evenwel alweer onder het gesternte van de nabije dood. Maar Barbara ontdekt het bigamische overspel. Godelieve, die bovendien zwanger vreest te zijn, ontvlucht de schande in het begijnhof van Diksmuide (een constante bij Rodenbach: de liefde voor de begijn).

Vanaf dan is ook Borluut een voorgoed ontredderde man en schijnt alles zich tegen hem te keren. Of is het hijzelf die vergissing op vergissing stapelt? Virulenter dan ooit springt hij in het gareel voor het oude Brugge, maar de vooruitgang en de massacres van de massa vallen niet te stuiten. En hij maakt steeds meer vijanden. In een paar jaar tijd wordt hij van een bejubelde restaurateur van de Brugse glorie tot paria in de stadshiërarchie. De balans is bitter en gruwelijk: politieke tegenstanders verwoesten zijn huis, zijn vrouw is ontspoord neurotisch, zijn echte liefde in de mystiek gevlucht en zijn belforttoren een kerker geworden. Met vertoon zal Borluut zich ophangen, als het ware opgeslokt door "de hoogverheven klok die de uren slaat". De beiaardier werd gemengd ontvangen, mede door de pikante politieke connotaties. Franz Hellens had niet veel op met Rodenbachs "gesacrifieerd estheticisme zonder een menselijk element". Mallarmé had het evenwel over un "livre de maturité, sans rien perdre de la fleur primitive". De Bruggelingen moesten alweer hoofdschudden en zijn tegenstanders, waaronder de Vlaamsche Broederbond, spraken van "weeke en ziekelijke overwegingen die strijden tegen Brugge's karakter, tegen onze pogingen aangewend om de bedrijvigheid in onze stad, zoo dikwijls door dichters in slaap gewiegd, aan te vuren".

Ruim honderdenzes jaar later moet men erkennen dat van De beiaardier nog steeds een bijzondere bekoring uitgaat en dat de manier waarop Rodenbach de politieke discussies van destijds in de roman heeft verwerkt, niet "week" maar ongemeen fascinerend zijn (al is de fantasierijke Rodenbach niet vies van gejongleer met de historische werkelijkheid). De uitputtende sfeerschakeringen van het levenloze Brugge en de in elkaar grijpende ambivalenties werken meeslepend. De karakters zijn bijna iconen van een tragische levenshouding, maar toch ook herkenbaar en zelfs wellustig menselijk (veel meer dan in Bruges-la-Morte). De beiaardier is rijk en overdadig van taal: zo heeft de schrijver het gewild. Af en toe druipt de schaamteloze pathetiek of galmende lyriek van de pagina's en detoneert een loze vergelijking, zeker wanneer - alweer - de stoppen doorslaan: "Haar geschokte zenuwen begonnen te schokken als de pijlen in een koker." Soms blikkeren waarachtige achttienkaraats metaforen op - niet voor niets noemde Verhaeren Rodenbach een raffiné de la phrase. Toch kun je je ook bij deze mening aansluiten: "Zoals zijn Italiaanse tijdgenoot Gabriele d'Annunzio beweegt Rodenbach zich voortdurend op het randje van kitsch en schoonheid. Dat heeft te maken met de opgeschroefde passionele lyriek, de verwekelijkte sfeer, het gekoketteer met de melancholie en met het feit dat telkens opnieuw stereotiepen voor waarheden worden verkocht", merkt Hans Vandevoorde in zijn keurig duidend nawoord op. Vandevoorde, die vooral oog heeft voor de historische context en het biografische wat links laat liggen, is niet mals voor Rodenbachs krullewieten en herhalingsdrang (die het gevolg zijn van de gekozen feuilletonvorm waarin het boek voor het eerst verscheen). De talrijke vooruitwijzingen, de symboliek van klokken, gebroken spiegels, uurwerken en stilgezette tijd en jawel, de contrasten tussen blond haar en donker haar (vertoont de ophangingsdood in De beiaardier trouwens geen parallel met de wurgingsdood met de haarstreng uit Bruges-la-Morte?), ook dat kun je allemaal opzichtig vinden. Ze zijn wonderwel ingebed in de sinistere atmosfeer van deze zo typische fin de siècle roman. Je kunt tenslotte steigeren bij het elitaire esthetisch-conservatieve karakter van Rodenbachs starre visie op de stad. Tegelijk valt op hoe de schrijver anticipeert op latere discussies over stadsvernieuwing, economische inmenging en het Bokrijk-gehalte van een museumstad. De beiaardier blijft intrigeren en heeft zoveel onafgevijlde kantjes en dubbelzinnigheden dat er nergens sprake is van een keurslijf of de loutere toepassing van een sjabloon. Terecht stelt Vandevoorde dat de afloop van het boek verwarring sticht: "Het mooie is dat de auteur aan ons het antwoord overlaat op de vraag hoe Borluut schuldig is aan zijn eigen ondergang. Komt dat doordat deze man eerst een vrouw kiest om het vleselijke, of doordat hij vervolgens iemand tot vrouw neemt wanneer hij al getrouwd is, of doordat hij zich ten slotte stort, op zijn derde liefde de stad?"

Deze Rodenbach vertalen was meer dan wenselijk en is een moedige daad van gerechtigheid. De inventieve en nuancerijke vertaling van Jan H. Mysjkin maakt de lokroep van de zwarte stad in het Nederlands tot een succulent genoegen. Op naar Brugge, "het kindbruidje van de dood".

Dirk Leyman

Georges Rodenbach flirtte met de Hoofdletter Dood als ware het een gezelschapsspel De karakters in

'De beiaardier'

zijn iconen

van een tragische levenshouding, maar toch ook wellustig menselijk

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234