Zaterdag 04/07/2020

'De literatuur ligt plat op haar gat'

'Mensen lezen geen boeken meer. Nee, ze 'lezen' de boeken van hun vrienden op Twitter. Boeken van 140 tekens welteverstaan.' Aan het woord is Herman Brusselmans (°1957), die doorgaans de hoofdrol krijgt in zijn romans. 'Of misschien is mijn belangrijkste personage toch de taal?'

"Kijk", zegt Herman Brusselmans. "Hier zitten ze allemaal in." Zijn ex-vrouw Tania ploft een witte IKEA-opbergdoos op de salontafel en vist er een vuistdikke bundel papier uit. "Opgestuurd door een trouwe lezer. Ik dacht eerst dat het een biografie of een thesis was. Maar die mens kwam hier af met een lijst van 900 bladzijden. Al mijn personages op een rij gezet. Ongelooflijk. Van Louis Tinner tot tante Zulma, niemand ontbreekt."

Een welkome geheugensteun voor de Gentse veelschrijver en oeuvrebouwer? Ettelijke honderden, misschien wel duizend personages zette Brusselmans in ruim dertig jaar auteurschap op de wereld. Wellicht raakt hij zelf niet altijd meer wijs uit zijn bonte flora en fauna. Toch trekt de ongekroonde keizer van de Vlaamse nonsensicale roman een scherpe streep tussen zijn hoofdpersonages en af- en aanflitsende bijpersonages. "Als je mijn oeuvre overloopt, dan heb je vooral ik-personages. Verder heb je de drie Louis Tinner-boeken, Guggenheimer met vier boeken en Muggepuut met drie boeken. En dan nog wat losse hoofdpersonages, die niet in een reeks thuishoren."

Het is vier uur in de namiddag en notoir nachtschrijver Brusselmans ("Ik probeer in de nacht te vinden wat het daglicht schuwt", staat er in Poppy & Eddie) wrijft nog wat naslaap uit zijn ogen. Praten over zijn immer uitdijende oeuvre en het boetseren van zijn personages? Er lijken prettiger bezigheden te verzinnen. Royaal uitgestrekt ligt hij op de bank in zijn ascetische loft. Hond Eddie toont even zijn blafcapaciteit maar neemt dan de slaapfakkel over van zijn baas. Maar naarmate het tempo gerookte Marlboro Lights hoger komt te liggen, recht de auteur zijn rug. Huismus Brusselmans ademt alweer literatuur uit elke porie en prakkezeert gretig over zijn creaturen.

"Mijn zwakke punten zijn het strak ontwikkelen van een plot en het creëren van personages", zo bekende Brusselmans ooit in Vrij Nederland. "Ik bedoelde ermee dat ik eigenlijk slechts één hoofdpersonage heb", verfijnt hij nu zijn uitspraak. "Interactie tussen verschillende belangrijke personages ontbreekt bij mij. In mijn ik-romans komen bijvoorbeeld mijn vrouw, mijn ex-vrouw of mijn toekomstige vrouw ter sprake. Over Tania schreef ik enorm veel. Maar meestal richt ik me tot haar als ze toevallig afwezig is of zit ik over haar na te denken. In rechtstreekse dialogen komt ze amper voor. De meeste van mijn dialogen spelen zich trouwens af op een onzinnig niveau. Mijn nieuwe vriendin Melissa noemt tachtig procent van wat ik schrijf cafépraat. Ik interpreteer dat positief, want dat is mijn ding. Zelden heb ik een plot via personages uitgewerkt. Waarschijnlijk omdat ik het gewoonweg niet kan. Ik heb mijn beperkingen als schrijver."

Het is hem vaak verweten door critici en andere onverlaten: Brusselmans schrijft altijd hetzelfde boek, hij varieert op zijn thema's en hij vernieuwt zich amper. Zijn plaat blijft haperen. Is het een angst om het roer om te gooien? Of speelt Brusselmans het liefst op veilig? "Ik heb al vaak komaf willen maken met alle freewheelende onzin. Dan raap ik me samen en denk: ik ga eens braaf een stevige, klassieke roman van 400 pagina's schrijven. Over een industrieel met drie zonen, waarvan de ene een homo is en een groot geheim meetorst. Of de mensen vragen: schrijf ook eens een Oorlog en terpentijn of een Millennium-trilogie. Je bent nu al zo lang bezig, dat moet toch lukken? Allee, ja, probeer dat eens, zeg ik dan tegen mezelf, ik ken de trucjes. Maar na vier pagina's verveel ik me stierlijk. Het voelt als een opgelegde oefening. Ik heb er nu eenmaal voor gekozen om over de lulligheid van het leven in Vlaanderen te schrijven, vanuit een alwetend ik-personage. Dat zijn mijn thema's: de zinloosheid en het toeval dat ons stuurt. En ik weet onderhand wat ik kan, net als de duizend dingen die ik niet kan als schrijver. Daar leg ik me bij neer. Maar ik wil helemaal niet op veilig spelen. Met dat nonsensicale en onzinnige ga ik toch nét in tegen de traditionele opvatting van literatuur? Een klassieke plot is toch gemakzuchtig? Let op, het houdt me wel bezig. Vooral die romans-fleuves. Ik ben altijd zot geweest van Charles Dickens en Honoré de Balzac. Kerels die ellenlange romans schreven in afleveringen om geld te verdienen. Dát waren de broodschrijvers van toen. En als je hun boeken uit hebt, dan zit je met spijt in het hart. Als me de tijd is vergund, moet ik het toch nog maar eens proberen. (lacht)"

Jalousie de métier koestert Brusselmans niet. De hartstochtelijke lezer in hem toont zich daarvoor een te groot bewonderaar van zijn collega's: "Ik kan de zon in het water zien schijnen voor iedereen. Het zou triestig zijn als ik na zestig boeken gefrustreerd rondloop of zit te vloeken omdat ik Congo, Sprakeloos, Joe Speedboot of De helaasheid der dingen niet heb geschreven. Laat dat de auteurs doen die het kunnen. Maar stel dat ik enkel de zes beste boeken uit mijn oeuvre had geschreven en de rest achterwege gelaten? Dan stond ik wellicht hoger in de literaire pikorde."

Terug naar die talloze rondwemelende personages die Brusselmans zijn romans binnensmokkelt. Vaak worden er BV's voor schut gezet, sterretjes van één dag die even opvonken of een kortstondige passage maken. En er zijn toevallige passanten. Hoe gaat dat precies in zijn werk achter zijn schrijftafel? "Ik kies personages volgens de waan van het moment. Ik kan naar tv zitten kijken, pakweg naar een film met Peter Van den Begin, en vijf minuten later zit ik aan mijn bureau en schrijf: 'Ik kwam Peter Van den Begin tegen op straat'. Of ik pik iets op dat ik in de krant heb gelezen."



Houdt dat geen risico's in? Omdat je zoveel actualiteit inwerkt, zijn je personages weleens snel gedateerd. Wie kent nog iemand als ex-miss België Katia Alens uit je oudere boeken?

"Ik denk veel na over het gebruik van actualiteit. Ik geef aanwijzingen en probeer altijd iemand te duiden. Zo vermeld ik dat Katia Alens een ex-Miss België is en niet zomaar een huisvrouw uit Zichen-Zussen-Bolder. Als je mijn boeken tien jaar na dato leest, worden het in feite historische romans. Mensen denken daarbij meestal aan de negentiende eeuw of De drie musketiers. Maar ook mijn Heden ben ik nuchter uit 1986 is intussen een historische roman. Zo worden mijn échte personages van toen langzaam fictieve personages. Je ziet het ook bij de televisiecolumns van Gerrit Komrij uit Horen, zien en zwijgen of bij de Humo-stukken van Rudy Vandendaele. Die blijven overeind zonder dat je de personages of tv-figuren nog kent. Je kunt Dwarskijker over honderd jaar ook nog lezen. Toch maak ik me geen illusies dat mijn boeken over twintig jaar tout court nog gelezen worden. Tegen dan schrijf ik wel een ander boek waarin de actualiteit de hoofdrol speelt. (lacht) Zo treedt in mijn binnenkort te verschijnen roman Poppy & Eddie & Manon Bart De Wever op. Daar heb ik het over mensen die per ongeluk voor Kwart De Bever gaan stemmen, een politicus die opkomt voor de communisten. Maar zal iemand zich De Wever over twintig jaar nog herinneren? Dat weten we niet."

Je zet niet alleen je personages in hun hemd, je steekt ook voortdurend de draak met jezelf.

"Wat stelt mijn leven in feite voor? Hier 's nachts zitten schrijven, een keer op café of restaurant gaan, wat tv kijken en lezen. Hoe pretentieus ben je om te denken dat dit iemand boeit? Toch is het je plicht als schrijver om het potentieel interessant te maken voor de lezer, al speelt het zich af in 1994, 2006 of 2014."

Je hebt al een en ander te stellen gehad met je personages. Sommige BV's vinden het een erezaak om in je boeken op te duiken. Anderen zijn in hun gat gebeten. Denk aan het veelbesproken proces met modeontwerpster Ann Demeulemeester over Uitgeverij Guggenheimer uit 1999.

"Het beste bewijs dat je iets totaal uit de context kunt lichten. Willem Frederik Hermans is in 1953 ook voor de rechter gehaald met zijn roman Ik heb altijd gelijk, vanwege zware uithalen naar het katholicisme. Hij is toen vrijgesproken. Omdat het uitspraken waren van zijn personage en niet van hemzelf. Ook mijn advocaat voerde bij het proces-Demeulemeester dat argument aan: hier is het personage Guggenheimer aan het woord. De rechter vond dat bullshit: ik had het wel degelijk opgeschreven. Maar neem nu dat je als schrijver Hitler opvoert als personage en hem laat zeggen dat alle Joden dood moeten. Ben je dan automatisch een massamoordenaar of een racist? Wat zou Hitler anders kunnen zeggen? Of wanneer je het personage van 'een rechtse zak' introduceert en hem doet zeggen: 'Alle Marokkanen stinken'? Dan word je er ongetwijfeld op aangesproken en zegt men: die gast is een racist! Terwijl er toch een groot verschil is tussen je eigen mening en die van je personages. Weet je, zelfs de ik-figuur Herman Brusselmans bestempel ik in mijn romans als een personage. Ik heb altijd gezegd: niemand - noch mijn uitgever, noch mijn vrouw - gaat bepalen waar de grens ligt wat ik wel en niet kan schrijven. Ik ben absoluut het tegenovergestelde van een racist, maar ik vind wel dat ik mag schrijven zoals in Poppy & Eddie over 'een negerin met een zwart gat' die Paraplubak Bongo Bongo heet. Is dat nu echt nodig?, vraagt men mij soms. Tja, dat nonsensicale zit nu eenmaal in negentig procent van mijn teksten."

Toch is het moeilijk wandelen op die dunne scheidslijn. Bij Watervrees tijdens een verdrinking schreef je over je relatiebreuk met je ex-vrouw, in Poppy & Eddie komt haar kanker ter sprake. Hoe ga je daar literair mee om? Vergader je af en toe met je personages?

"Ik heb de geschiedenis van Tania en mij steeds op verschillende manieren in mijn romans verwerkt. En dan krijgt Tania kanker. Toen heb ik haar gevraagd: mag ik daar iets mee doen, in een column of in een boek? Toen zei ze me: hou dat nog even stil. Schrijf er eventueel over in een roman die een jaar later verschijnt. Daar heb ik me aan gehouden. En toen verscheen Poppy & Eddie, voorgesteld als een boek over de kanker van mijn ex-vrouw. De kritiek luidt nu dat haar personage er praktisch niet in voorkomt. Maar ik heb nooit mijn persoonlijk leed of geluk uitvergroot in een roman. Zoals: 'Ik ben verliefd en nu staat de wereld stil.' Of mijn vrouw heeft kanker en iedereen moet meejanken. Nee, wij moeten daardoor. Ik denk wel dat ik de grens ken tussen privé en niet-privé. Ook over Watervrees tijdens een verdrinking vonden Tania en ik een consensus om het toch te publiceren.

"Het is niet altijd eenvoudig. Neem nu mijn nieuwe roman Poppy & Eddie & Manon, waarin Manon de figuur wordt van mijn nieuwe vriendin Melissa. Zij is het boek aan het lezen in manuscriptvorm en vindt dat het te ver gaat. Ze wil niet dat haar privéleven zomaar op straat komt te liggen. We zitten nu nog in de discussie. Enfin, zo zijn Tania en Melissa dus de enige twee mensen die hun zeg mogen doen over mijn boeken. De rest kan me geen fuck schelen."

Kan de doorsneelezer dat subtiele onderscheid tussen fictie en non-fictie nog wel maken? Bezondigt hij zich niet liever aan voyeurisme?

"Dat komt omdat er geen identiteiten meer zijn. Wie creëerde er vroeger een identiteit? Kunstenaars, schrijvers, acteurs en schilders van zelfportretten als Francis Bacon. Maar nu heeft iedereen een gefabriceerde identiteit: op Twitter, op Facebook en op Instagram. Toch raakt niemand nog wijs uit zijn eigen leven. Wie ben ik? Ben ik diegene die ik in de spiegel zie, wat trouwens al een vertekening is? Of ben ik diegene die ik zelf heb gecreëerd op Twitter, met al die selfies en si en la?"

Iedereen romanschrijver, zij het op minischaal?

"Tuurlijk. Het is een van de redenen dat de literatuur plat op haar gat ligt. Mensen lezen geen boeken meer. Nee, ze 'lezen' de boeken van hun vrienden op Twitter. Boeken van 140 tekens, welteverstaan. En die vinden ze belangrijker dan een roman. Alleen al de tijd die je doorbrengt op Facebook gaat af van je leestijd. Zo ontstaat het idee dat je geen fictief verhaal meer hoeft. Je volgt bij wijze van spreken zevenentwintig vrienden en je verhalen worden je op een schoteltje aangereikt. De ene kocht gisteren schoenen, de andere verkocht haar kleine een mot. Mensen schrijven hun eigen romans in 140 tekens. Kom dan maar eens af met een roman van 600 pagina's. Dan zeggen ze: allee jong, ben jij helemaal zot geworden? Dat ik even de moeite zal nemen om dat te lezen."

Je zou ook kunnen zeggen: het is positief dat mensen weer actiever met taal bezig zijn.

"(verontwaardigd) Geloof jij dat echt? Luister, ik ben hier onlangs compleet woest geworden in mijn zetel. En ik word zelden woest. Ik las een interview met een professor Nederlandse taalkunde. Die vond dat sms-taal een verrijking is van onze taal. Ik werd ongemakkelijk. En dat komt uit de mond van een professor die de taal in stand moet houden? En hij promoot dat bij zijn studenten? Dus als je het woord 'even' schrijft met twee 'ff-en', moeten we dat fantastisch vinden? Als we zo doorgaan houden we binnenkort een taalidioom van duizend woorden over."

Toch sluipt inventieve jongerentaal of sms-taal ook de literatuur binnen.

"Schrijvers als Joost de Vries of Hanna Bervoets mogen van mij gerust een personage creëren dat compleet in sms-taal spreekt. Maar in hun beschrijvende onderdelen kunnen ze maar beter klassiek zijn. Ben ik dan blijven hangen? Een van mijn invloeden is Gerard Reve met zijn archaïsche taal. En ik gebruik die opnieuw vaker, omdat ik als bewaarder van de taal uit het verleden wil fungeren. Mijn hoofdpersonage is de taal. Ik exploiteer ze, zet ze naar mijn hand en ik geef personages een eigen idioom. Zelfs mijn eerste boek Het zinneloze zeilen was een taalexperiment, beïnvloed door Raymond Queneau of Gust Gils. Ik vertik het om mee te spelen in een tijd waar schraalheid en een taal van 140 tekens de hoofdrol spelen. Noem me dan maar een oude zak. Echt, ik kan geen goed woord zeggen over Facebook en de sociale media. Al werpt mijn vriendin Melissa me tegen: 'Jij moet je bek houden over Twitter, want je weet niet hoe het werkt.'"

Wie er nog aan mocht twijfelen, Herman Brusselmans is ook een wandelende encyclopedie van de wereldliteratuur. Een lezende omnivoor bovendien: "Ik lees alles wat los en vast hangt. Als Playboy-recensent krijg ik nogal wat toegestuurd. Zo ben ik bezeten van de Tweede Wereldoorlog, geschiedenis, polemologie en biografieën. Lezen is meer dan zomaar een bezigheid, een 'hobby'. Het hoort bij mijn vak. Om bij te leren, ideeën af te toetsen en te kijken hoe mijn vakgenoten het ervan afbrengen. Als ik acht uur lees, heb ik ook acht uur gewerkt."

Polsend naar zijn favoriete personage in de wereldliteratuur zou je verwachten dat hij Holden Caulfield (uit J.D. Salingers The Catcher in the Rye) of Frits van Egters (uit Reves De avonden) naar voren schuift. Maar nee: "Mijn lievelingspersonage is en blijft de brave soldaat Svejk, uit de gelijknamige roman van de jong gestorven Tsjechische schrijver-bohemien Jaroslav Hašek. Ik las het boek op mijn twintigste. Dat eikeltje van een soldaat liet een blijvende indruk na. Svejk is een luiwammes, die zich in de coulissen van de Eerste Wereldoorlog redt door er zich uit te lullen. Het was een openbaring, ik lag continu plat van het lachen. Omdat hij zich staande houdt door middel van de taal, door wat hij andere mensen wijsmaakt. En als ik nog een personage mag noemen, denk ik aan Bruce Gold in Good as Gold van Joseph Heller. Een roman die zich afspeelt in de politieke wereld. Ook die Gold is een schimmige figuur. Een spindoctor van minister Henry Kissinger, die zich met praatjes overeind weet te houden. Ja, ik hou van taterende personages. Het is geen toeval dat ik een grote fan ben van Woody Allen. Hoeveel scènes heeft hij niet aan een cafétafeltje waarin gewoon wat gezeverd wordt?"

Maar boekenpersonages kunnen je ook vreselijk tegen de borst stuiten. Zonder per se het leesplezier te bederven. "Frits van Egters is een ongelooflijke eikel en Thomas Bernhards personages zijn gitzwart. Of neem Max Aue, die SS-officier uit De welwillenden van Jonathan Littell. Dat is zo'n crapuul. Je wilt die man echt dood. Toch is dat een fantastisch boek. En zo lees ik ook trouw elke nieuwe thriller van Pieter Aspe en erger ik me telkens blauw aan het personage van Hannelore Mertens, de vrouw van commissaris Van In. Die is zo feministisch correct, je krijgt er helemaal het schijt van. En ze is ook bloedjaloers. Haar man mag niet eens zeggen dat een andere vrouw mooie schoenen draagt of ze staat al op haar achterste poten. Maar ik erger me ook aan Van In. Als hij een vrouw ziet, denkt hij uitsluitend aan haar in seksuele termen. Elke keer weer trapt Hannelore Mertens daar in. Aspe werkt met sjablonen: de jaloerse echtgenote versus de Duvel drinkende goedzak. En hoezeer Aspe zijn beperkingen heeft, toch is het een compliment als een personage me irriteert. Het is pas een ramp als een boek je onverschillig laat."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234