Woensdag 16/06/2021

De leveranciers van het alfabet

Het gebeurt niet vaak dat een Vlaming wordt aangezocht om een uitgave uit de prestigieuze Franse reeks 'Découvertes Gallimard' te verzorgen. Archeoloog Eric Gubel viel die eer wel te beurt. Hij is een van de twee auteurs van het boek Les Phéniciens. Aux origines du Liban, dat werd gepubliceerd naar aanleiding van een grote overzichtstentoonstelling over de Feniciërs dit najaar in het Parijse Institut du Monde Arabe. Antisemitisme en de jarenlange burgeroorlog in Libanon zijn enkele van de redenen waarom de handelspioniers van de Oudheid deze eeuw slechts op weinig belangstelling hebben kunnen rekenen. Gubel is een van de wetenschappers die daar verandering in hebben gebracht.

Anne Brumagne

De reeks 'Découvertes Gallimard', die ondertussen al 359 titels telt, heeft bij onze zuiderburen een echte cultstatus. Omdat er aan de gekozen onderwerpen altijd een vleugje exotisme of mystiek kleeft? Oude volkeren als de Egyptenaren, de Azteken en de Scythen, kunstenaars als Arthur Rimbaud en Charlie Chaplin, ontdekkingsreizigers (Marco Polo), vorsten (Karel V) of revolutionairen (Zapata), maar net zo goed de Beat Generation, het zijn onderwerpen die bijna steevast tot de verbeelding spreken. Ook mythen worden opnieuw tot leven gewekt. De Standaard-journalist Vic De Donder schreef enkele jaren geleden een, ook in het Nederlands vertaald, nummer over zeemeerminnen. Voorzover bekend was hij tot voor de verschijning van Les Phéniciens de enige Vlaming die in de prestigieuze reeks publiceerde.

'Découvertes Gallimard' werd vooral opgezet om jongeren kennis te laten maken met de (kunst)geschiedenis. De kleine boekjes op glanzend papier zijn overvloedig geïllustreerd en bevatten telkens een groot aantal kaderstukjes die de doorlopende tekst doorbreken. Achteraan wordt plaats ingeruimd voor uitvoeriger achtergrondinformatie. De reeks wordt zowel door het grote publiek gelezen als door hoogleraren gebruikt in de collegezaal.

De laatste jaren remde Gallimard het verschijningsritme van 'Découvertes' enigszins af. Nu wordt meestal een grote overzichtstentoonstelling in Parijs afgewacht om een volk of kunstenaar onder de aandacht te brengen, om zo op meer media-interesse en belangstelling van het publiek te kunnen rekenen. Aanleiding voor de uitgave van Les Phéniciens. Aux origines du Liban is de expositie die momenteel loopt in het Institut du Monde Arabe, Liban, l'autre rive. Op die tentoonstelling zijn zo'n vierhonderd objecten te zien, het merendeel ervan afkomstig uit het Nationaal Museum van Beiroet. Blikvanger is de sarcofaag van koning Ahiram, beroemd omdat hij het eerste voorwerp was waarop men het volledige Fenicische alfabet terugvond.

Dat Gallimard bij de Belgische archeoloog Eric Gubel aanklopte, hoeft niet te verwonderen. Gubel, die niet te stuiten over de Levant, Libanon of het Fenicische alfabet kan praten, is een gereputeerd Fenicië-kenner. Dat weten ze in Frankrijk. Voor het Louvre in Parijs stelde hij de Fenicië-catalogus samen. Bij de Belgische uitgeverij Brepols publiceerde Gubel enkele jaren geleden een encyclopedisch werk over de Fenicische cultuur. Coauteur voor Les Phéniciens was Françoise Briquel-Chatonnet.

De kennis over de Feniciërs bleef eeuwenlang beperkt, onder meer omdat ze noodgedwongen was gebaseerd op wat andere volkeren, zoals de Grieken of Israëlieten, schreven over de handelaars van de Oudheid. Veel van wat de Feniciërs (twaalfde tot vierde eeuw v.C.) zelf schriftelijk vastlegden, ging verloren omdat de papyrusvellen en huiden waarop ze schreven in het vochtige klimaat van Libanon zijn vergaan. De Feniciërs vormden geen staatkundige eenheid als volk, maar woonden in stadstaten als Arwad, Byblos, Beiroet, Sidon en Tyr, in wat nu de kuststreek van Libanon en Syrië is. Oorlog voeren om aan gebiedsuitbreiding te doen, daar hielden ze zich niet mee bezig. De Feniciërs waren handelsreizigers die cederhout en gekleurde stoffen uitvoerden en aan de kusten van de Middellandse Zee handelsposten oprichtten. Carthago, de stad van de ongelukkige Dido uit Vergilius' Aeneis, werd door hen gesticht.

"Fenicië werd eigenlijk pas vorige eeuw herontdekt met de Mission de Phénicie van Ernest Renan," steekt Gubel van wal. "Eerder was er de Egyptische veldtocht van Napoleon Bonaparte geweest, die in zijn kielzog heel wat wetenschappers had meegenomen en dan ook was teruggekeerd met een schat aan informatie over het oude Egypte. Dat heeft een enorme invloed op de westerse kunst gehad, denk maar aan de egyptomanie. Bonapartes naamgenoot Napoleon III van zijn kant stuurde zijn troepen uit om in Libanon tussenbeide te komen in een gewapend conflict tussen de maronieten, de christelijke bergbewoners, en de islamitische Druzen. Ook hij nam een wetenschappelijke missie mee, onder leiding van Renan, een expert in Semitische talen.

"Aan het einde van de negentiende eeuw verschenen dan verschillende publicaties waaruit duidelijk werd dat de Fenicische beschaving een van de pijlers van de Europese cultuur was. Alleen was het het verkeerde ogenblik om zoiets te vertellen. Feniciërs waren Semieten, en eind vorig eeuw vierde het antisemitisme in Europa hoogtij, denk aan de affaire-Dreyfus in Frankrijk of de eerste pogroms in Duitsland. Het klimaat verbeterde er uiteraard niet op tijdens de twee wereldoorlogen. In 1924 verklaarde een Engelse archeoloog nog dat men de erfenis van de Grieks-westerse beschaving niet moest bezoedelen door de Semitische, die uit het Oosten kwam. Kun je je dat voorstellen? Bovendien werd Fenicië overschaduwd door de romantiek die ook nu nog rond Egypte hangt. Pas eind jaren vijftig, begin jaren zestig groeide de interesse opnieuw omdat toen verschillende opgravingen in Libanon plaatsvonden."

Maar bleven de Feniciërs niet in de eerste plaats de doorgevers van wat andere volkeren hadden verwezenlijkt of bedacht? Gubel nuanceert. "Het waren zij toch maar die het alfabet in een definitieve vorm goten. Verder waren de Feniciërs de eersten die op zo'n grote schaal handel dreven, en tekorten in een bepaalde regio gingen aanvullen met de overschotten van een ander gebied. Daardoor zijn ze ook verantwoordelijk voor de oriëntaliserende tendensen die je zowel op Cyprus terugvindt, als bij de Etrusken en de Iberiërs. Bij beide volkeren tref je bijvoorbeeld op een bepaald ogenblik ineens het motief aan van struisvogeleieren, een symbool voor de wedergeboorte.

"Maar de Feniciërs hadden nooit de bedoeling om kolonies op te richten, in tegenstelling tot de Grieken, die hun land ontvluchtten omdat er grote werkloosheid was en zich definitief elders gingen vestigen. De Fenicische aanwezigheid in Italië en Spanje vormt een deel van de nationale geschiedenis. Het is dan ook in deze twee landen, en ook wel in ons land, dat de belangstelling voor Fenicië de laatste twee decennia enorm is toegenomen."

Bestaat er nog een verband tussen de Feniciërs en de huidige inwoners van Libanon, zoals de ondertitel van het Gallimard-boekje, Aux origines du Liban, suggereert? Gubel: "Ik beken dat ik de titel niet zo gelukkig gekozen vind. Het is een erg moeilijke vraag om op te antwoorden, aangezien er in Libanon verschillende bevolkingsgroepen wonen die ieder claimen dat ze de directe nazaten zijn van de Feniciërs. Politiek ligt dat allemaal erg moeilijk. Nadat de Feniciërs waren ingelijfd in het grote Hellenistische rijk van Alexander de Grote en later in het Romeinse rijk, werd de lokale culturele inbreng van de Feniciërs kleiner. Daarna kwam de Byzantijnse periode, de Arabische inval... kortom, er zijn zoveel politieke en etnische aardbevingen in dat gebied geweest dat het moeilijk te zeggen is welke bevolkingsgroep de directe afstammelingen zijn. Nu is het wel zo dat in het collectieve geheugen en in de genen van de Libanezen nog steeds die ongelooflijke handelsgeest zit, en een manier om zaken te relativeren en conflicten uit de weg te gaan. Het waren uiteindelijk altijd anderen die hun ruzies in de Libanese regio gingen uitvechten."

Volgens Gubel zijn de Libanezen zelf zich nog veel te weinig bewust van het culturele erfgoed dat ze vertegenwoordigen. "Vergeet niet dat ze tijdens de burgeroorlog, gedurende twintig jaar, niet eens een bezoek konden brengen aan hun Nationaal Museum, dat pal op de demarcatielijn in Beiroet lag. Tijdens die oorlog waren er vanzelfsprekend niet veel archeologen geïnteresseerd om in Libanon onderzoek te verrichten. Tot de jaren tachtig nam ik zelf elk jaar deel aan opgravingscampagnes in het noorden van het land. Maar toen werd het ook daar veel te gevaarlijk. Kort daarna ging ik in op een uitnodiging van de Amerikaanse Universiteit van Beiroet om mee te helpen een Fenicische vindplaats bloot te leggen, maar dan wel in Syrië. Daar konden we Libanese studenten archeologie en kunstgeschiedenis opleiden. In hun eigen land was dat tot 1992 onmogelijk.

"De laatste jaren zijn we nog heel wat over de Fenicische geschiedenis te weten gekomen. Er blijven vanzelfsprekend nog heel wat gaten in onze kennis van dat volk. In de Bekaa-vallei zijn veel vindplaatsen die nog nooit echt onderzocht zijn, maar waarvan men weet dat ze veel prijs kunnen geven over bijvoorbeeld de invoer van Egyptisch materiaal. We kennen namen van steden waarvan we niet weten waar ze gelokaliseerd zijn."

De grootschalige opgravingen die na de oorlog de wederopbouw van Beiroet zijn voorafgegaan, hebben voornamelijk betrekking op perioden na de Feniciërs. Oudere resten zijn beperkter, al werden er indrukwekkende overblijfselen gevonden uit het derde millennium. Beiroet is dan ook, samen met Byblos, een van de oudste steden ter wereld.

"Solidere, de groep die de wederopbouw van Beiroet financierde, heeft toch wel geprobeerd om de belangrijkste resten in zijn ontwerp te integreren," oordeelt Gubel. "Men had net zo goed het motto 'Time is money' kunnen huldigen en alles laten verdwijnen onder de wolkenkrabbers. Men heeft wel tijd gemaakt om stukken muur bloot te leggen, want daar komt het in de ogen van de meesten toch op neer. Al moesten er offers worden gebracht. Een van de belangrijkste Fenicische vindplaatsen is onder de landingsbaan van de luchthaven terechtgekomen. Hopelijk hebben de opgravingen gezorgd voor een grotere belangstelling voor het patrimonium. De problemen blijven groot, maar toch zijn er gunstige ontwikkelingen. Zo heeft men plannen voor bepaalde infrastructuurwerken in de antieke haven van Byblos afgeschoten. Dat zou vroeger onmogelijk geweest zijn."

Toch blijft waakzaamheid geboden. Niet alleen omdat archeologische vindplaatsen verdwijnen onder stads- of industrie-uitbreiding, maar ook omdat antieke kunstvoorwerpen nog steeds worden gestolen uit musea of opgravingsplaatsen en op de antiekmarkt te koop worden aangeboden. De Libanese overheid heeft nog steeds andere zaken aan haar hoofd dan het beheer van haar patrimonium. "Een paar weken terug heb ik bijvoorbeeld nog net kunnen verhinderen dat een beeld dat ontvreemd was in Byblos, zou worden verkocht. Het betrokken veilinghuis was gelukkig eerlijk en heeft er, op basis van het dossier dat ik het had bezorgd, voor gezorgd dat de staat Libanon het tegen een redelijke prijs kon kopen, zodat het terug naar het land van herkomst kon vertrekken.

"Enkele jaren geleden werd in Libanon het 'Comité du Patrimoine' opgericht. Het houdt zich bezig met het inzamelen van geld voor het Nationaal Museum van Beiroet, dat er bijvoorbeeld verloren stukken mee kan repatriëren. Op dit ogenblik zijn er helaas nog altijd veel gaten. Voorwerpen die werden beschadigd, of die in het buitenland in veiligheid werden gebracht en voorlopig nog niet naar het Nationaal Museum zijn teruggekeerd." Na de Parijse tentoonstelling zal verder werk worden gemaakt van de herinrichting van het museum.

Les Phéniciens. Aux origines du Liban is verschenen bij Gallimard. Liban, l'autre rive loopt alle dagen behalve maandag van 10 tot 18 uur, tot 28 maart 1999, in het Institut du Monde Arabe, 1 rue des Fossés-St-Bernard, Parijs.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234