Dinsdag 22/10/2019

Onderwijs

De leerkracht in het beroepsonderwijs: ‘Bij mijn eerste opdracht duwde een jongen mij in het zwembad’

Aan gespreksstof geen gebrek tijdens de komende opendeurdagen van de middelbare scholen: er zijn de onheilstijdingen over de snel dalende kwaliteit van het onderwijs, en in september wordt begonnen met een grootscheepse hervorming. Vooral in de beroepsscholen staan de zenuwen strak gespannen, want leerlingen en leraars voelen zich al te vaak aan hun lot overgelaten.

Karl Van Marcke is praktijkleerkracht bouw in het Scheppersinstituut in Wetteren. Hij houdt een warm pleidooi voor het beroepsonderwijs: “Er zit veel meer toekomst in een beroepsopleiding dan veel ouders denken.”

Van Marcke: “Het bso heeft al jaren de reputatie minderwaardig te zijn. Een paar jaar geleden is er wel een televisiecampagne op poten gezet om de clichés en de vooroordelen over het beroeps- en technisch onderwijs te ontkrachten, maar sindsdien is er niets meer gebeurd. Dat is nochtans broodnodig. Onze jongens en meisjes worden nog altijd scheef bekeken, maar als je plots een lek in de waterleiding hebt, wil je wel zo snel mogelijk een gediplomeerde loodgieter. Iedereen heeft een talent, iedereen kan íéts.”

Veel ouders zien hun kind liever niet naar het beroepsonderwijs gaan?

Van Marcke: “Inderdaad. Zoon- of dochterlief moet advocaat of dokter worden. Maar sommige jongeren zitten niet op hun plaats in het aso. Ze zitten daar alleen omdat de vooroordelen over het bso zo hardnekkig zijn, en vaak zijn ze ongelukkig. Zo krijgt hun eigenwaarde een ernstige deuk. Anderen bijten hun tanden stuk op de leerstof en de stapels huiswerk en doen erg hun best, maar als ze op het einde van het semester slechts 50 procent behalen, is dat allerminst motiverend.

“Mijn twee dochters hebben sociale en technische wetenschappen in het bso gevolgd. De oudste is bijna afgestudeerd als leerkracht lager onderwijs, de jongste gaat voor een bachelor in de rechtspraktijk. Als ik hen naar het aso had laten gaan, waren ze meegesleurd in het watervalsysteem. Dan hadden ze de middelbare school vroegtijdig en zonder diploma verlaten. In het tso en het bso hoeven ze geen acht uur lang op een stoel te zitten. Ze leren vaardigheden waarmee ze het leven met meer zelfvertrouwen tegemoet kijken. Dat kunnen zelfs eenvoudige dingen zijn, zoals een taart leren bakken, of huishoudelijke taken plannen en uitvoeren. Ik kijk niet neer op het aso, maar het mag ook geen gouden standaard zijn.”

Kunnen leerkrachten het imago van het beroepsonderwijs verbeteren?

Van Marcke: “Leerkrachten spelen sowieso een belangrijke rol. Toen ik op de schoolbanken zat in het tso, had ik respect voor de strengste en meest gepassioneerde leerkrachten. Als ik theorie geef, sta ik niet als een standbeeld voor de klas. Ik loop rond, geef een schouderklopje of maak een grapje. Ik respecteer hen, en zij mij. Ik wens hun een fijn weekend op vrijdag en een goedemorgen op maandag. En ik kijk hun in de ogen. Het lijken details, maar ze zijn wel belangrijk. Ze voelen dat ik hen respecteer en zo bouw je een vertrouwensband op. Werkt die aanpak niet en blijft de leerling tegendraads doen, dan luister ik. Soms willen ze gewoon hun verhaal kwijt. Ik ga niet meteen straffen.”

Maar de school hanteert wel een strikt beleid?

Van Marcke: “Ja, en dat geldt ook voor de leerkrachten. Ik kan mijn leerlingen niet verbieden om te roken op school en zelf paffend naar mijn auto wandelen. Ze mogen voorts geen zichtbare tatoeages hebben, hoody’s dragen of hun gsm tevoorschijn halen tijdens de lessen. Soms moeten we natuurlijk weleens politie spelen.”

Treden scholen soms te laks op?

Van Marcke: “Onlangs organiseerden we een uitwisseling met een andere bso-school, en die leerlingen probeerden de grenzen af te tasten, zoals alle pubers doen. ‘Spuw je bij je moeder thuis ook op de grond?’, vroeg ik een van hen. ‘Dat is hier precies een gevangenis’, antwoordde hij. Een paar weken later vroeg ik hem hoe hij zich voelde op onze school. Zijn mentaliteit was veranderd. Hij zei bijvoorbeeld dat hij zijn medeleerlingen écht had leren kennen door het gsm-verbod. Veelzeggend, denk ik toch. Vaak zijn ze blij dat iemand hen in het gareel houdt.

“Dat wil niet zeggen dat er nooit incidenten zijn. Er wordt weleens stiekem een joint gerookt en haantjesgedrag kan verbaal uit de hand lopen. Maar fysieke agressie tegen elkaar of tegen de leerkrachten zien we hier nooit.”

U staat ondertussen 28 jaar voor de klas. Nog altijd met volle goesting?

Van Marcke: “Ik ben vandaag nog enthousiaster dan 28 jaar geleden. Ik krijg zo veel dankbaarheid van de leerlingen. Ik heb al ballonvluchten cadeau gekregen en een paar jaar geleden heeft een klas een T-shirt met de tekst ‘Karls dreamteam’ laten maken. Ik ben zelfs getuige geweest op het huwelijk van een leerling met een heel moeilijk verleden. Hij kwam geregeld dronken naar school. Blijkbaar heb ik hem echt kunnen helpen.

“Als de leerlingen hier afstuderen, beheersen ze hun vak én hebben ze beroepsfierheid. Wij brengen ons enthousiasme op hen over en geven hun vertrouwen. Zo zijn we al vijftien jaar onze school aan het verbouwen, en 80 procent van het werk nemen onze bso-leerlingen voor hun rekening. En als ze jaren later naar onze opendeurdag komen met een zoon of een dochter op de arm, zeggen ze trots: ‘Kijk, papa heeft die muur gemetseld.’

“Ik ken oud-leerlingen die nu tien man in dienst hebben, of die verder hebben gestudeerd en werfleider zijn geworden. Waar een wil is, is een weg. En dat leren we hun hier.”

Dure richting

Voor Nadia (fictieve naam), een lerares Nederlands, weegt het lesgeven steeds zwaarder door de overvolle klassen en de impact van het M-decreet. Ze ziet steeds meer collega’s in het beroepsonderwijs uitvallen.

Leerlingen uit het beroepsonderwijs zouden over het algemeen weinig gemotiveerd zijn. Hoe ervaart u dat?

Nadia: “De huidige generatie is aan de luie kant, vind ik. Ze willen hun handen zo weinig mogelijk vuilmaken. Daarom hoppen veel leerlingen van de ene beroepsrichting naar de andere. Ik zie leerlingen in één maand tijd overschakelen van haartooi of etalage naar boekhouding of omgekeerd. Ze veranderen zo vaak omdat ze hun studie beu zijn of omdat ze vermoeden dat pakweg de richting kantoor niet meer inhoudt dan naar een computerscherm zitten staren. Negatieve adviezen van leerkrachten slaan ze in de wind.

“Het maakt hun allemaal niet veel uit. Als ze zich overslapen hebben en in de voormiddag al een uur gemist hebben, besluiten ze om pas na de middag op te duiken. Sommigen komen elke dag te laat bij het bedrijf waar ze praktijkervaring moeten opdoen. ‘De advocaat van mijn ouders zegt dat ik makkelijk een andere stageplaats kan vinden’, hoor ik weleens. Geen idee of die advocaat bestaat, maar het zegt wel iets over hun mentaliteit.”

Wat doet de school tegen spijbelaars?

Nadia: “De school legt straffen op, maar die hebben weinig effect. De lessen die leerlingen missen door te spijbelen, moeten ze voor of na schooltijd inhalen. Maar op den duur hebben ze zo veel strafstudie dat we niet meer kúnnen dreigen.”

Kan die onverschilligheid geen pose zijn?

Nadia: “Ze lijken echt geen drive te voelen. Ze willen gewoon dat ik hen zo veel mogelijk met rust laat. Als ik voor de klas sta en droog de cursus voorlees, zijn ze tevreden.”

Maar ze hebben meer in hun mars?

Nadia: “Natuurlijk zit er meer in die jongens en meisjes. Maar vaak hebben hun ouders zo weinig interesse in hun doen en laten, dat ze het gewend zijn zichzelf te beredderen. Ze voelen al jaren geen appreciatie, maar ze hebben nog niet de rijpheid om hun toekomst onder ogen te zien. Daarom schieten sommigen in een soort apathische kramp.”

Zijn ze gemotiveerder buiten de schoolomgeving?

Nadia: “Ik heb niet die indruk. Als ik vraag wat hen interesseert, is het antwoord: ‘Niets.’ Als ik doorvraag, blijkt dat ze buiten de schooluren vooral graag gamen. Maar jongeren die in competitieverband sporten of in een jeugdbeweging zitten? Die vind je niet in mijn klassen. Dat heeft voor een deel met een moeilijke thuissituatie te maken. Hobby’s zijn duur, dus moedigen ouders hun kinderen niet altijd aan om te gaan volleyballen of piano te spelen. Dat is ook de reden waarom de richting kantoor overvol zit. Daar heb je geen dure scharen of oefenhoofden nodig, zoals in de richting haartooi.”

Wat bedoelt u met een moeilijke thuissituatie?

Nadia: “Leerlingen in het beroepsonderwijs hebben vaak een taalachterstand, een migratieachtergrond of ouders die niet zo betrokken zijn. Die mensen moeten soms twee jobs combineren om het hoofd boven water te houden en hebben geen tijd of energie meer om zich intensief met hun kroost bezig te houden. Die kinderen voelen dat niemand hen controleert en dat ze niet op hun kop krijgen als ze spijbelen.

“De betrokkenheid van de ouders lijkt steeds kleiner te worden. Vroeger kwam elke leerling met een gevulde brooddoos naar school. Tegenwoordig bestaat hun ontbijt niet zelden uit een zak chips. In een van mijn vorige klassen zat een leerling die een heel schooljaar lang amper naar de les kwam. Toen de directie zijn mama opbelde, zei ze: ‘Ik weet het, hij ligt nog in zijn bed. Maar kunt u hem niet op zijn gsm bellen?’ Wat kun je dan doen als leerkracht? Als je die jongen op het einde van het jaar niet laat overgaan, staan de ouders plots wél op school en dan dreigen ze met een advocaat. Op dat moment moet je zo gedetailleerd mogelijk kunnen aantonen dat je alles hebt geprobeerd om die leerling opnieuw op de sporen te krijgen.

“Initiatieven om de band tussen de school en de ouders aan te halen, zoals het digitale platform Smartschool, worden vaak genegeerd. Slechts een minderheid van de ouders maakt een account aan.”

U moet dus niet alleen de leerlingen, maar ook de ouders zien te motiveren?

Nadia: “Bij een bepaald aantal onvoldoendes moeten we de ouders opbellen. Maar vaak schepen die ons af en sturen ze hun kat naar elk overlegmoment. Vaak weet ook de directie niet meer van welk hout nog pijlen te maken. Er zijn leerlingen van wie ouders zeven jaar lang geen enkele factuur betalen. Veel kan de school daar niet aan doen.”

Ervaart u ook problemen bij het lesgeven?

Nadia: “De klassen zitten overvol. Dat is voor een deel te wijten aan het M-decreet, waardoor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs in het gewone onderwijs kunnen instromen. Zij mogen hulpmiddeltjes gebruiken, zoals speciale kaartjes tijdens toetsen als ze zware dyslexie hebben. Andere leerlingen vinden dat niet fair en protesteren dan. Door verschillende leerniveaus te combineren zakt het niveau onherroepelijk.

“Ik hoor veel andere leerkrachten zeggen dat ze uitgeput zijn, en dat ze zich niet bekwaam genoeg voelen om de leerlingen een goede opleiding te geven. Leerlingen die écht in het bso thuishoren, krijgen te weinig aandacht en vervelen zich omdat het niveau te laag ligt.”

En dat leidt tot frustraties?

Nadia: “Vroeger waren er vooral incidenten in de hardere richtingen, zoals metaalbewerking, mechanica en bouw. Maar nu zie je die ook in haartooi, kantoor en etalage... Leerlingen steken propjes papier in brand en gooien die door de klas, ze zetten gordijnen in de fik, spreken na schooltijd af om te vechten... Ik heb eens twee vechtende meisjes uit elkaar getrokken op de speelplaats. Het ene meisje had een groot mes getrokken. ‘Jamaar mevrouw, dat heb ik bij me om mijn appel te schillen’, zei ze.

“De directie onderneemt daar weinig tegen. Een paar jaar geleden hebben ze wel de politie gevraagd een controle te organiseren. Die is toen gekomen met drugshonden en intimiderende agenten. Dat was redelijk indrukwekkend. Er is toen van alles gevonden in de lockers: een weegschaal, een breekmes, marihuana… Maar de directie is bang dat de school negatief in het nieuws komt door zulke acties, dus is het bij die ene keer gebleven.”

Leidt dat tot agressie tegen leerkrachten?

Nadia: “Verbale agressie zijn we gewend, fysieke agressie is verwaarloosbaar. Af en toe krijgt een leerkracht een duw in de gangen. Dreigen gebeurt wel vaker. Een paar weken geleden stond een leerling te briesen op 10 centimeter van mijn gezicht omdat ik hem een onvoldoende had gegeven. Op zo’n moment vraag ik me wel af wat ik in het onderwijs sta te doen.”

Neemt u die ervaringen mee naar huis?

Nadia: “Soms flappen ze er maar wat uit. Ze bedoelen het niet altijd zo slecht. Maar in mijn klassen zitten minimaal zestien leerlingen. Als ze zich allemaal tegen mij keren, pak ik maar beter mijn boeltje.

“Het is uiteraard niet alleen maar kommer en kwel. Als je ze mee hebt, zijn ze fantastisch. Dan zijn ze superlief en begroeten ze je tien jaar later nog als je ze op straat tegenkomt. En op oudejaarsnacht krijg ik elk jaar een hele reeks sms’jes: ‘Gelukkig nieuwjaar, mevrouw!’ Dat doet me wel deugd.

“Maar ik zie me geen tien jaar meer lesgeven. Als ik een hele dag voor moeilijke klassen heb gestaan, hoeft mijn gezin me niet veel meer te vragen.”

Zou het aso u beter liggen?

Nadia: “Geen idee. Als ik alles opnieuw zou kunnen doen, zou ik geen lerarenopleiding meer volgen. Je wordt gezien als een luierik die het vooral doet voor de vakantie. De erkenning blijft uit, zowel van de maatschappij, de ouders als de leerlingen.

“De laatste jaren heb ik het steeds moeilijker bij het begin van het schooljaar. Ik kijk uit naar een andere job, maar eigenlijk kan ik alleen maar lesgeven. Ik heb geen uitgebreide computerkennis of zo. Als je het onderwijs wilt verlaten, moet je dat binnen de eerste vijf jaar doen. Anders is het eigenlijk te laat.”

In september gaat de grootste onderwijshervorming in dertig jaar van start, met een bredere algemene vorming in de eerste graad. Zal die een impact hebben op uw lessen?

Nadia: “Ik ben blij dat de structuur zal veranderen, maar niemand kan de gevolgen van die hervorming nu al inschatten. Ik blijf hameren op de rol van de ouders. Zij moeten de studieresultaten en interesses van hun kinderen zo goed mogelijk opvolgen. Steun van thuis blijft enorm belangrijk voor een puber. En dat hoppen van de ene studierichting naar de andere moet eruit. Nu laat het systeem dat toe. Leerlingen kunnen zonder enige voorkennis in om het even welke richting beginnen. Sommigen zijn gebaat bij die aanpak. Zij moeten aftasten welke richting hen het best ligt. Maar de meeste leerlingen kijken maar wat rond uit desinteresse. Of ze hopen op die manier een A-attest te behalen in een zogenaamd makkelijke richting.

“De hervorming doet me wel vrezen voor nóg grotere klassen. Daar is onze schoolinfrastructuur alleszins niet op afgestemd. Leerlingen worden nu al op elkaar gepropt in een lokaal met amper vier computers. Jonge leerkrachten zullen alle begeleiding nodig hebben.”

In bad gegooid

Wannes Tavernier geeft al twaalf jaar lichamelijke opvoeding in het beroepsonderwijs aan het Sint-Laurens in Zelzate.

Tavernier: “Het bso leek me veruit het boeiendst om me in te specialiseren. Je kunt als leerkracht echt een opvoedkundige rol spelen. Je geeft les, maar je brengt ook discipline bij. Leerlingen spreken elkaar soms aan met kwetsende woorden als bitch of loser. Dan moet je duidelijke grenzen trekken. Maar ik vind hun lossere mentaliteit wel tof. Ze hebben het hart op de tong en zeggen sneller hun mening. Als je een opmerking geeft, mag je een gevatte repliek verwachten.”

U moet als leerkracht dus stevig in uw schoenen staan?

Tavernier: “Nog meer dan in het aso. Als je de touwtjes niet strak in handen houdt, worden de leerlingen de baas. Dat is een van de grootste uitdagingen voor beginnende bso-leerkrachten. Als je onzeker bent, voelen de leerlingen dat snel, en dan is het heel moeilijk om de controle over een klas te behouden.”

Zelf meegemaakt?

Tavernier: “Bij mijn eerste vervangingsopdracht duwde een jongen me in het zwembad. Ik was compleet verbouwereerd. Uiteindelijk wist de hele school het. Ik heb toen een tijdje nodig gehad om mijn autoriteit terug te winnen, maar mijn oudere collega’s hebben me er toen door getrokken. Vandaag zou zoiets me niet meer overkomen. Ik heb een reputatie opgebouwd die is gebaseerd op wederzijds respect en vertrouwen. Soms stap ik de praktijkles binnen en kijk ik even mee over hun schouder. Tijd investeren en interesse tonen is de beste manier om resultaten te boeken, zeker in het bso.”

Zijn er ook leerkrachten die het niet redden?

Tavernier: “Jammer genoeg wel. Een van onze jongere leerkrachten zit sinds kort thuis met een burn-out. Ze had moeite om de grote klassen in bedwang te houden. Ik heb daar wel begrip voor. Ga maar eens in een klaslokaal met 25 leerlingen staan, van wie velen niet verbergen dat ze daar helemaal niet willen zijn. Je hebt er altijd die de hele tijd roepen, onbeschoft reageren of je vak ter discussie stellen.”

Wordt daarover gepraat met de collega’s?

Tavernier: “Sommigen durven toe te geven dat het niet meer gaat, anderen kroppen het op en proberen te overleven. Maar meestal vallen die niet veel later uit. Daarom proberen we jonge collega’s zo goed mogelijk te begeleiden.”

U staat twaalf jaar in het beroepsonderwijs. Wat is er veranderd?

Tavernier: “De klassen zijn heel divers geworden. Je kunt grosso modo drie types onderscheiden: de leerlingen die geen zin hebben om hard te studeren en denken dat bso de makkelijkste weg is, de leerlingen die via het M-decreet vanuit het buitengewoon onderwijs in het bso belanden, en dan diegenen die echt een stiel willen leren. Je zit dus met verschillende niveaus in één klas. Geef maar eens een theorievak aan zo’n groep.”

Krijgen leerkrachten daar voldoende ondersteuning voor?

Tavernier: “Af en toe gaan de problemen ons petje te boven. Er zijn leerlingen met ontwikkelings- en gedragsstoornissen die wij niet de baas kunnen zonder gespecialiseerde begeleiding, bijvoorbeeld van een psycholoog. In het buitengewoon secundair onderwijs werden ze op maat begeleid, maar via het M-decreet zijn ze bij ons beland en zijn ze die hulp grotendeels kwijt.

“Je moet een hele procedure doorlopen om extra hulp te vragen, dus proberen we die leerlingen zelf zo goed mogelijk op te vangen. Dat is boeiend, maar ook uitputtend.”

U geeft les aan toekomstige metaalarbeiders en bouwvakkers. Die zijn gewild bij bedrijven.

Tavernier: “Bedrijfsleiders delen op rekruteringsavonden gretig hun kaartjes uit. Vroeger hoorde je weleens dat ze leerlingen het hoofd zot maakten met aanlokkelijke aanbiedingen, zodat ze vroegtijdig de school zouden verlaten. Dat is nu veel minder het geval, en de leerlingen zien zelf ook het belang in van een diploma. Ze zijn erg gemotiveerd – anders houd je het ook niet vol om twintig uur per week aan een elektriciteitskast te sleutelen. (lacht)

Met plezier uit bed

Aan het Sint-Carolus in Sint-Niklaas wekken ze die motivatie op door de leerlingen in het eerste jaar in kleinere klassen te verdelen. Saskia Ivens geeft al meer dan vijftien jaar wiskunde en natuurwetenschappen in de B-stroom, het voorbereidende jaar op het beroepsonderwijs voor leerlingen die geen getuigschrift van het basisonderwijs hebben.

Ivens: “We houden onze klassen in de B-stroom bewust klein: twaalf leerlingen per klas is het maximum. Zo kunnen we hun extra zorg en aandacht geven. Het nadeel is wel dat de klassen snel vol zitten. Als leerlingen niet op tijd beslissen, moeten ze soms een richting volgen die hen niet ligt. Het kan demotiverend werken als je mode of voeding moet volgen, terwijl je haartooi had willen doen.

“We proberen de leerlingen vooral positieve ervaringen mee te geven. In het lager onderwijs kregen ze vaak te horen dat ze niet meekonden. Ze kregen andere oefeningen dan de rest van de klas of moesten vaker naar de zorgjuf voor extra begeleiding. Zoiets vreet aan het zelfvertrouwen. Ook broers of zussen en leerlingen uit andere richtingen durven dat beeld te versterken: ‘Die van het technisch zeggen dat ik máár in het beroeps zit.’ Dan breekt mijn hart. Iederéén heeft talenten. Daarom zetten we leerlingen uit de A-stroom en de B-stroom vaak samen aan het werk. Zo zien ze dat ze elkaar nodig hebben, dat er denkers en doeners zijn. Je moet hun echt uitleggen dat hun talenten nodig zijn in onze maatschappij, dat kinderverzorgsters, logistieke medewerkers en bejaardenhelpsters van onschatbaar belang zijn.”

Moet u ook de ouders overtuigen van de meerwaarde van het beroepsonderwijs?

Ivens: “Als ze merken dat hun kind na jaren ploeteren in het lager onderwijs plots 87 procent behaalt in de B-stroom, komen ze vaak vragen of het toch niet beter naar de A-stroom zou overstappen. Maar het is net door de kleine klassen en de nauwgezette begeleiding dat die leerlingen het zo goed doen. Op oudercontacten hoor ik even vaak: ‘Toen ze in het lager zat, stond ik beneden aan de trap te roepen dat ze moest opstaan, nu komt ze met plezier uit bed.’ Daar doe ik het voor.”

De klassen zien er anno 2019 steeds diverser uit. Lijdt de kwaliteit daar niet onder?

Ivens: “Door de kleine klassen en de extra begeleiding kunnen we lesgeven zoals het hoort. Onze school heeft ook een eigen zorgteam. In een van mijn klassen zit een meisje met het syndroom van Down. In het begin vroeg ik me af of ik wel de juiste capaciteiten zou hebben om haar te begeleiden. Voor een aantal vakken krijgt ze extra hulp en ze doet het heel goed.

“Het feit dat je soms meer zorgtaken hebt, heeft niet alleen te maken met leerlingen die instromen via het M-decreet. Ook andere leerlingen hebben hun zorgen en verhalen die aandacht verdienen. Maar als je in de B-stroom lesgeeft, weet je dat dat bij je taken hoort.”

Vindt u dat de vooroordelen rond het beroepsonderwijs onterecht zijn?

Ivens: “Het lukt me niet om alle leerlingen te bereiken, daar heb ik me bij moeten neerleggen. Er zijn leerlingen die spijbelen en van wie ik het gedrag niet kan veranderen. Maar zo heb ik er dit jaar maar één, op honderd leerlingen. Een absolute minderheid dus, maar daarom niet minder frustrerend.

“Leerlingen worden wel steeds mondiger. Je hebt maar één aanstoker nodig om een hele klas onhandelbaar te maken. Maar die problemen wegen niet op tegen de appreciatie die ik van de leerlingen krijg. Ze voelen het aan als ik eens een mindere dag heb. Ze zijn enorm openhartig en dankbaar, en daar kun je als leerkracht alleen maar van dromen.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234