Zondag 28/02/2021

DE LAATSTE ZOMER VAN DEFONSNYLAAN

'Al vijftien jaar horen we dat we moeten vertrekken. Gevolg: geen enkele eigenaar heeft nog een euro ge�nvesteerd. Zeven jaar geleden polste ik bij de gemeente of het nog de moeite loonde een nieuw dak te leggen. Niet doen, kreeg ik te horen, jullie worden binnenkort onteigend'Het zijn harde tijden voor de caf�s hier. De verloedering schrikt reizigers en pendelaars af. Bovendien gingen de voorbije jaren in de buurt duizenden banen verloren. Brussel X is verhuisd en het gros van het spoorpersoneel is vertrokken

ERik raspoet

foto's tim Dirven

Stel, je bent een toerist die deze zomer onze hoofdstad met een bezoek vereert. Sporend vanuit Parijs stap je in Brussel Zuid van de trein. Het is een mooie dag. Waarom niet lopen naar de Grote Mark, denk je. Ver is het niet, hooguit een kilometer of twee. Maar welke uitgang kiezen? Het Zuidstation is eigenlijk een reusachtige tunnel die dwars onder de sporen doorloopt. De Frankrijkstraat? Te voorspelbaar, tenslotte kom je al uit Frankrijk. Nieuwsgierig volg je het pictogram dat de andere kant uitwijst. Fonsny staat eronder, een naam waarvan de muzikaliteit je niet ontgaat. Je loopt onder het reusachtige bord met de uurregeling door, en dan sta je buiten waar een tram het zicht op de overkant belemmert. Pas als het obstakel is gepasseerd, komt de schok. Welke ramp heeft zich hier voltrokken? Volledige woonblokken zijn veranderd in reusachtige puinhopen. De huizen die nog overeind staan, lijken zelf om de genadeslag te schreeuwen. Duiven kirren achter kapot vensterglas, woekerplanten schieten door daken en gevels. Overal hoopt het zwerfvuil zich op, tot grote vreugde van ratten en muizen die hier de macht hebben overgenomen. Vertwijfeld krab je je in de haren. Heb je dat wel goed gelezen? Stond er nu Fonsny, of was het Grozny?

Lezers uit Poperinge en Maasmechelen zijn nu misschien even de weg kwijt, maar voor generaties pendelaars is de Fonsnylaan een begrip. Vaak wordt de Oude Markt van Leuven de langste toog van België genoemd. Misschien terecht, maar het moet vroeger toch hebben gespannen met de Fonsnylaan. Tussen de hoek van de Julius Claesstraat en de kleine ring, een afstand van hooguit vierhonderd meter, appelleerden zo'n dertig cafés aan het dorstgevoel van de passanten. Een pint pakken op de Fonsnylaan, voor veel pendelaars hoorde het evenzeer bij de dagelijkse routine als schoofzak en prikklok. Aan droge kelen geen gebrek, zeker niet in de onmiddellijke omgeving.

Rond het Zuidstation werkten niet alleen duizenden bedienden en arbeiders van de NMBS. Tot voor een paar jaar werd een groot deel van het stationscomplex door Brussel X bezet, het grootste postsorteercentrum van het land. En natuurlijk is er de Zuidertoren, waar een leger ambtenaren over de rijkspensioenen der Belgen waakt. Vele cafés bleven de klok rond open. Om zeven uur 's morgens werd er al evenveel bier als koffie besteld. Alcoholisme, de conclusie werd weleens overhaast getrokken. De matineuze drinkers waren vaak ploegarbeiders die het vochtverlies van de zware nachtshift compenseerden. Niet dat er geen misbruiken waren. Collega's van televisie, radio of krant konden altijd in de Fonsnylaan terecht voor een sterk verhaal over staatsdienaren die aan de toog hun middagpauze eindeloos wisten te rekken. Al die reportages kunnen weldra worden gebundeld in de reeks 'arbeidsfolklore in vervlogen tijden'. Want de kaalslag is nog niet afgelopen. Alle troosthuizen voor pendelaars moeten eraan geloven. Nog een jaar, en de laatste restanten van het buffet liggen plat.

Noem het de kroniek van een lang aangekondigde doodsstrijd. Het was 1989 toen het nieuws bekend raakte. De tgv, symbool van vooruitgaan en wederopstanding der ijzeren weg, zou naar Brussel Zuid komen. De NMBS zag zich door de regering verplicht de aanleg van de hogesnelheidstrein zonder extra subsidies te financieren. Geen sinecure, maar spoorbaas Etienne Schouppe wist raad. Een reusachtige vastgoedoperatie op en rond het Zuidstation moest de broodnodige nodige middelen opleveren. De vooruitzichten waren veelbelovend. Dankzij de hst zou het Zuidstation dé groeipool van de hoofdstedelijke kantoormarkt worden. Gelegen in het hart van Brussel, knooppunt van supersnelle spoorverbindingen met Parijs, Amsterdam en weldra ook Londen.

Het kon niet anders of de fine fleur van het Europese bedrijfsleven stond te springen om zich rond de Midi te nestelen. Eurostation, een ad hoc opgerichte NMBS-filiaal, tekende plannen voor 350.000 vierkante meter kantoren, hotels en handelszaken. Veel te groot voor het krappe terrein van het Zuidstation. Daarom werd een akkoord gesloten met de eigenaars van de Côte d'Or, de verlaten chocoladefabriek aan de overkant van de Frankrijkstraat die door het monsterproject zou worden opgeslorpt. Het plan is intussen gerealiseerd, maar dan wel in een afgezwakte versie. Immers, de gulzigheid van de NMBS had de toorn opgewekt van Charles Picqué. Ook de PS-burgemeester van Sint-Gillis zag de komst van de hst als een niet te missen kans, maar dan vooral om de verloederde wijk tussen de Mérodestraat en de Fonsnylaan te saneren. Nu was Picqué geen meeloper in de Brusselse politiek. In 1989 werd le grand Charles minister-president van het Hoofdstedelijk Gewest, een post die hij zonder onderbreking tien jaar lang zou bekleden en die hij sinds vorige week opnieuw bekleedt.

In feite is het verhaal nog veel complexer. Ook de Brusselse trammaatschappij MIVB speelt een rol, net als de gemeente Anderlecht, die aan het Zuidstation grenst. Hoe dan ook, terwijl de publieke overheden vrolijk aan het touwtrekken waren, zat de privé-sector niet stil. Amper was het woord tgv in Brussel gevallen of projectontwikkelaars stortten zich op de buurt als gieren op een vers kadaver. Binnen de kortste keren viel de helft van de wijk in hun handen. Het gevreesde carrousel van de speculatie-leegstandverloedering kwam op gang. Om dat fenomeen een halt toe te roepen, keurde Sint-Gillis in 1996 een reeks bestemmingsplannen goed voor de omgeving van het Zuidstation. In heel wat straten werd de woonfunctie verankerd, maar het lot van de bruisende Fonsnylaan was wel bezegeld. Volgens plan worden vier huizenblokken volledig gesloopt om plaats te maken voor 'harde functies', hoofdzakelijk kantoren maar ook hotels, horecazaken en zelfs een handvol woningen om de schijn van menselijk leven op te houden. Het onteigenen en bouwrijp maken van die kavels werd overigens toevertrouwd aan de nv Brussel Zuid, een publiek-private onderneming waarin we naast het Brussels Gewest en de Spoorwegen ook Dexia aantreffen.

Acht jaar later loop ik door de buurt, gewapend met een vergeelde brochure van de nv Brussel Zuid. Volgens het artistieke toekomstvisioen op pagina vier bevind ik me in een postmodern kader. Er staan glazen kantoortorens met neogotische accenten, de tekenaar heeft kraaknette stoepen met onderhoudsvriendelijke bomen gedroomd. De discrepantie tussen papier en realiteit is ontnuchterend. Glasscherven kraken onder mijn sandalen, het is oppassen om niet te struikelen over de opgebroken trottoirs.

Zou Napoleon er iets mee te maken hebben? De straatnamen laten in ieder geval een militaire alliantie vermoeden. Zweden, Holland, Engeland en Rusland, allemaal landen die met een zijstraat van de Fonsnylaan werden bedacht. Of de betrokken naties daar vandaag nog trots op zijn, dat valt te betwijfelen. De troosteloosheid van deze gevelpartijen laat zich met geen pen beschrijven. Ramen en deuren op de benedenverdieping zijn dichtgemetseld, een probaat middel tegen krakers. In sommige panden zit nog leven. Er lopen mannen in en uit met gsm's aan het oor, vrouwen zeulen met kinderwagens. Vaak zijn het asielzoekers, mensen zonder alternatief op de Brusselse huurmarkt.

Nee, het loopt niet zo vlot met het slopen en bouwrijp maken van de toekomstige kantoorwijk. De tientallen huurders vormen niet het grote probleem, wel een handvol eigenaars dat hardnekkig weigert te verkopen. De Turkse bakkerij op de hoek van de Engeland- en de Mérodestraat mogen ze nu wel van het takenlijstje schrappen. Poolse arbeiders zijn druk in de weer met snelbouwblokken om de vitrine kraakbestendig te maken. De bakkerij is onlangs naar de overkant van de Mérodestraat verhuisd, net buiten de sloopzone. "Hoog tijd", zegt Yener, de jonge bakker. "Onze rechtstreekse buren waren al vertrokken. Links was al afgebroken, rechts stond al jaren leeg. We kregen vochtproblemen, er kwamen scheuren in de muur. Het probleem is de onzekerheid. Al vijftien jaar horen we dat we moeten vertrekken. Gevolg: geen enkele eigenaar heeft nog een euro geïnvesteerd. Zeven jaar geleden polste ik bij de gemeente of het nog de moeite loonde een nieuw dak te leggen. Niet doen, kreeg ik te horen, jullie worden binnenkort onteigend. Het heeft dan nog zes jaar geduurd voor we een akkoord over de prijs hebben gevonden. Geen vetpot, maar we hebben ons tenminste niet laten uitkleden."

Onteigenen is altijd een heikele zaak. Volgens het boekje gaat het zo: Brussel Zuid stelt een minnelijke schikking voor. Wordt die geweigerd, dan verhuist het dossier naar het Comité van Aankoop, een gespecialiseerde overheidsdienst die wettelijk verplicht is tot billijkheid. Het moeilijkst liggen de handelszaken, waar de fiscale aangifte de doorslag geeft bij de waardebepaling. Het ontduiken van belastingen is niet van risico's gespeend, dat hoef je de handelaars en horecabazen rond het Zuidstation niet meer te vertellen. Mislukt de bemiddeling door het Comité van Aankoop, dan hakt de vrederechter van Sint-Gillis de knoop door.

In de buurt circuleren sterke verhalen, steevast gestaafd met oude Belgische franken. De eigenaar van een herenhuis in de Hollandstraat zou aan zijn onteigening zelfs een hartaanval hebben overgehouden. De nv Brussel Zuid had hem twintig miljoen geboden. Niet tekenen, raadden zijn kinderen aan, de prijs kan alleen maar stijgen. Maar het pakte averechts uit. Brussel Zuid wachtte af en begon alvast de huizen van de buren te slopen, waarna het pand ten prooi viel aan wind, weer en verzakkingen. Uiteindelijk, zo gaat het verhaal, heeft de hartlijder vrede moeten nemen met een schamele vier miljoen. "Je moet die sterke verhalen met een korrel zout nemen", waarschuwt Yener. "Van dat huis in de Hollandstraat heb ik al twintig versies gehoord. Maar het is een feit. Heel wat kleine eigenaars dachten dat ze de jackpot gingen winnen. Twintig jaar geleden werden hier huizen verkocht voor 600.000 frank. Nu hopen de eigenaars daar tien miljoen van te maken."

Ik sla de Hollandstraat in, toneel van een spectaculaire botsing tussen oud en nieuw. De pare straatkant is een gruyèrekaas. Afgebladderde façades onderbroken door puinhopen. Een heel ander aanzien biedt de overkant, waar de zetel van consumentenorganisatie Test-Aankoop haar voltooiing nadert. Alles glimt van het nieuw, behalve dan op het nummer drie. Hoe is dit bescheiden rijtjeshuis aan de sloophamer kunnen ontsnappen? Verdwenen zijn de tijdgenoten waar het zich links en rechts tegenaan schurkte. Neem een van de stutbalken weg en het stort als een kaartenhuisje in.

Niet alleen Test-Aankoop is druk aan het bouwen. In de achtertuin prijkt een joekel van een toren. In de schaduw van twee reusachtige torenkranen lijkt het rijtjeshuis een nietig en vooral hinderlijk anachronisme. Betonmolens moeten aardig manoeuvreren om het wankele bouwsel niet omver te kegelen als ze de werf bevoorraden. Tot mijn stomme verbazing blijkt het nummer 3 nog bewoond. Abdullah Izi, zoon des huizes, nodigt me binnen uit. Vanuit het raam op de overloop is het uitzicht zonder meer spectaculair. Er is geen tuin of binnenplaatsje, ze zitten er met de neus bovenop. "We leven op het ritme van de werf", zegt Abdullah. "Kom na het bouwverlof maar eens kijken. Dan daveren we iedere morgen letterlijk uit ons bed."

Lang zal de lijdensweg niet meer duren. De deurwaarder is net gepasseerd, in oktober gaat ook dit huis plat. Hopelijk heeft de vrederechter tegen dan zijn eindvonnis geveld. Zijn cliënt neemt geen genoegen met de voorgestelde 110.000 euro, verneem ik bij de advocaat van de familie. Het huis is misschien wel in slechte staat, maar de grond is hier peperduur. Bij de nv Brussel Zuid klinkt een ander geluid. De eigenaar zou het liefst 400.000 euro vragen, een volstrekt onrealistisch bedrag.

Dwars door huizenblok A loopt de Noorwegenstraat. Het naambordje heeft antiquarische waarde, want deze straat is tot verdwijnen gedoemd. De kant Fonsny ligt al volledig tegen de vlakte, aan de kant Mérode wonen nog drie Marokkaanse families in hun eigendom. Mariam en Nabila Arahou zijn hier opgegroeid. Ze kunnen enthousiast over hun heimat vertellen. Belgen, Italianen, Spanjaarden en Marokkanen leefden probleemloos samen. Het was een warme buurt met een lage drempel voor nieuwkomers. Stel je voor: in 1975 huurde hun vader dit huis af voor 1.000 frank in de maand. Toen het in 1990 werd verkocht, hapte hij gretig toe.Misschien was de ongeletterde Berber naïef toen hij de transactie volledig aan de notaris van de verkoper overliet. In ieder geval werd met geen woord gerept over de komst van de hst en de mogelijke gevolgen voor de buurt. Nu zitten ze met de gebakken peren. Lawaai, stof, ratten en ander ongedierte, vertel hen wat overlast betekent.

"De huizen aan de overkant hebben jarenlang leeggestaan", zegt Mariam. "Het zat er vol krakers en junks. Er werd meermaals brand gesticht, de politie hield de ene razzia na de andere. Sinds de afbraak is het rustiger, maar soms denk ik dat deze straat al afgeschaft is. De post komt onregelmatig, vaak nemen ze niet eens de moeite om de straatlantaarns te doen branden." Tegenwoordig zijn het vooral de barsten in de gevel en het insijpelende vocht die hen op de zenuwen werken. "Maar wat kunnen we doen?", vraagt Nabila. "We hebben geen flauw benul hoe lang we hier nog kunnen wonen. Sinds de goedkeuring van het onteigeningsplan in 1996 hebben we geen enkel officieel bericht meer ontvangen."

Alle jeugdsentiment ten spijt, vertrekken de Arahous liever vandaag nog dan morgen. Maar om te kunnen verhuizen, moeten ze eerst dit pand verzilveren. Precies daar ligt het paard gebonden. Terwijl elders actief wordt onteigend, hebben de drie eigenaars van de Noorwegenstraat nog niks gehoord van nv Brussel Zuid. "Waarop wachten ze?", vraagt Mariam. "Als ze er vader een redelijk voorstel doen, hapt hij onmiddellijk toe."

Enkele dagen later zal José Delsaute, de 73-jarige beheerder de nv Brussel Zuid, het raadsel toelichten. Blijkt dat de familie Arahou pech heeft: haar eigendom ligt net in die ene zone die niet voor kantoren is gereserveerd. Het bijzonder bestemmingsplan voorziet in nieuwe woningen, alleen vindt Brussel Zuid geen investeerder om die te bouwen. "De rentabiliteit van woningen is te laag", zegt Delsaute, in een vorig leven directeur stedenbouw van Sint-Gillis. "Zonder overheidssubsidies zal het niet lukken. In afwachting van een oplossing hoeven we ons niet te haasten met de onteigening in de Noorwegenstraat. Waarom achter de eigenaars aanlopen? Dat doet alleen de verkoopprijzen stijgen. Eigenlijk zitten we in een zetel. Eigenaars die per se willen verkopen, mogen ons altijd een voorstel doen. Op die manier hebben we al een paar zaakjes gedaan."

Noem het cynisme, hij spreekt van zuinig omspringen met overheidsgeld. Misschien ligt het aan zijn leeftijd. José Delsaute is een man van de lange termijn. Het einde van de werf tussen Fonsny en Mérode? Niet voor 2009, schat hij. Dat een woonbuurt twee decennia lang wordt gegijzeld door jankende drilboren en chronische onzekerheid, dat noemt hij onvermijdelijk. "Operaties van deze omvang vergen tijd", stelt hij vast. "Zeker als de overheid het initiatief neemt. We hadden voor de korte pijn kunnen kiezen. Maar daarmee speel je alleen de speculanten in de kaart."

Het klinkt allemaal redelijk, maar de amateur-stedenbouwkundige in mij is niet overtuigd. Operaties van deze omvang vergen niet alleen tijd, maar vooral een doordachte aanpak. Een internationale stedenbouwkundige wedstrijd had heus geen kwaad gekund. Dan had het nieuwe Frankrijkplein misschien enige allure gekend. Het door Eurostation gebouwde complex oogt op zijn zachtst gezegd banaal. De verhuur loopt overigens voor geen meter, want de verwachte rush van multinationals is uitgebleven. Gelukkig is vadertje staat de NMBS te hulp geschoten. Het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling heeft een paar verdiepingen gehuurd.

Aangelokt door de vlotte spoorverbinding met Parijs en Londen? Ongetwijfeld zouden de laureaten van een stedenbouwkundige wedstrijd ook hebben gewezen op enkele kansen die men nu domweg heeft laten liggen. Men had bijvoorbeeld de breuk tussen station en binnenstad kunnen herstellen, een breuk die ontstond toen het oude en magnifieke kopstation tijdens de aanleg van de Noord-Zuidverbinding werd afgebroken en een eind verderop door de huidige monoliet werd vervangen. Sindsdien is wandelen van de Anspachlaan naar de Midi een weinig opbeurende ervaring. Het oversteken van de kleine ring is al een bezoeking. Daarna wacht de gruwelijke Europalaan, een betonnen woestijn die ik altijd met lood in de schoen doorkruis. Ach ja, stedenbouwkundige kortzichtigheid is in de hoofdstad een oud zeer. Toen ik de afwezigheid van de binnenstad in de hst-plannen aankaartte, steigerde José Delsaute. "Maar dat is 1000 Brussel", riep hij uit. "Dat ligt aan de andere kant van de kleine ring." Zijn wijsvinger rustte op de kwestieuze verkeersader, hij klonk alsof de twee stadsdelen niet door een straat maar door de Atlantische Oceaan werden gescheiden.

Nee, als je zo nodig richting Zuidstation moet, neem dan voorlopig toch maar de Fonsnylaan. Het bruist er nog een beetje. Je kunt er voor een habbekrats lekker eten. Grieks, Libanees, Spaans, Marokkaans, ook de keuken verwijst hier naar de Midi. Groezelige reisbureaus verspreiden een nomadische sfeer. Op de stoep wachten zwaar beladen reizigers op hun toerbus. Gastarbeiders, het woord past bij deze gelegenheid. Ze gaan op vakantie naar Marokko, of naar Spanje. Deze buurt werd vroeger Klein Asturias genoemd, vanwege de concentratie gastarbeiders uit de Noord-Spaanse mijnprovincie.

Bekijk de resterende cafés nog eens goed. De Zottegem, la Jonction, le Charlemagne, allemaal gevestigde namen die gedoemd zijn te verdwijnen. Gewezen habitués zouden vreemd opkijken mochten ze hun stamcafé in een bui van nostalgie met een afscheidsbezoek vereren. Pinten tappen en koffie schenken doen ze er nog altijd, maar het dienstenpakket is uitgebreid. Aan de tafeltjes bij het raam zitten de hele dag opgetutte vrouwen. Consumeren doen ze niet, maar ze wuiven wel naar elke man die voorbijloopt. Vroeger tippelden deze vrouwen, de Ruslandstraat was er berucht voor. Tegenwoordig opereren ze vanuit de cafés aan de Fonsnylaan. Het is een win-winsituatie. Veiliger voor de meisjes, nieuwe klanten voor de uitbaters. Het zijn harde tijden voor de cafés aan de Fonsnylaan. De verloedering schrikt reizigers en pendelaars af. Bovendien gingen de voorbije jaren in de buurt duizenden banen verloren. Brussel X is verhuisd, het gros van het spoorwegpersoneel is vertrokken, dat scheelt meer dan een slok op een borrel.

Pendelaars vind je nog wel in de IC/IR, een Vlaams café waarvan de naam onwillekeurig aan Herman De Croo doet denken. Buiten is het een woestenij. De IC/IR vormt met twee andere cafés een huizenblok rechtover de uitgang van het station. Aan weerskanten liggen puinhopen. Losgeslagen behang flappert in de wind, je kunt de indeling van de afgebroken huizen aan de zijmuren aflezen. Binnen is Virenque de eerste bergrit van de Tour aan het winnen, maar niemand slaat er acht op. De bazin wil niet met ons praten. Slechte ervaring met het een of ander boekske dat een repo over zatte postbedienden had gepubliceerd. "Mijn naam werd daarin genoemd", zegt ze. "Ongevraagd, maar het heeft me veel klanten gekost."

De kwestie ligt ook gevoelig bij het dozijn klanten dat zich rond een tafel heeft geschaard. Mannen en vrouwen, allemaal werknemers van het postsorteercentrum die niet gehaast zijn om de trein naar huis te nemen. Geef ons nog een rondje, Rita, 't zal toch een trein later worden. Vroeger moesten ze gewoon de straat oversteken naar hun favoriete kroeg. Dat is voorbij, het nieuwe postsorteercentrum ligt plompverloren in de Anderlechtse kanaalzone. Alacatraz, noemen ze het, want je komt er niet binnen of buiten zonder badge.

De stemming is eensgezind nostalgisch. Vroeger was het veel gezelliger op het werk. Tegenwoordig word je al scheef bekeken als je 's middags in de bedrijfskantine een pintje durft te drinken. Slempen op de Fonsnylaan is helemaal uit den boze. Ze staan godbetert met zakjes om te blazen als je terug binnenkomt. Misschien is dat ook nodig, opper ik. Volgens hardnekkige geruchten werd in Brussel X meer gezopen dan gewerkt. "Onzin", zegt een van de anciens. "Ja, 's middags ging er wel een pint of vier,vijf in. Maar daar leden de prestaties niet onder, dat werkten wij er zo weer af. Tijdens de diensturen op café? Nee, dat nooit. Tenzij het voetbal was op de televisie. Dan spraken we af. Jij mag naar de eerste helft gaan kijken, dan neem ik de tweede helft. Maar pas op, de postzakken bleven hier niet ongeopend liggen hé."

De IC/IR loopt op zijn laatste benen. Nog voor het jaar om is, verdwijnt ook dit monument van de Fonsnylaan. Mijmerend loop ik terug naar de stad. Het is moeilijk zich de ambiance uit de gloriejaren voor te stellen. In heel wat cafés werd muziek gemaakt. Er werd gedanst, accordeonisten speelden populaire deuntjes die door het werkvolk mee werden gebruld. Een jaarlijks hoogtepunt was het feest van Sint-Elooi, de patroonheilige van de metaalsector waar ook het spoorwegpersoneel zich toe rekent. Hectoliters werden hier dan verzet.

Ik drink een laatste koffie in de Saint-Raphaël, een bistro op de hoek van de Engelandstraat. De schijn van keurigheid bedriegt. Tussen de chips en chocolade prijkt een doos Maxstrong-condooms, boven zijn kamers waar prostituees klanten afwerken. De 73-jarige Blanche Leconte moet er nog om lachen. Bij een vorig bezoek vroeg een 81-jarige man haar hoeveel het moest kosten. Het koste moeite hem ervan te overtuigen dat ze niet in die sector werkte. Ze woont al jaren in Knokke, maar in haar Brusselse periode was dit haar stamcafé. Wat een verschijning. Mantelpakje in turkoois, een wit hemd met kanten inzetstukjes en veel kitschjuwelen. Met haar ravenzwarte kapsel kan ze Robert Smith van The Cure complexen bezorgen. Heel lang geleden heeft ze trouwens zelf in een big band gezongen. En kijk wat een toeval: ze heeft vanmorgen een auditie gedaan voor een showprogramma op RTL-TVI. Haar selectie dankt ze onder meer aan een doorleefde interpretatie van Edith Piaf. Ik moet haar nauwelijks aanporren om het nummer nog eens over te doen. Blanche zet zich schrap, ze heeft een stem om de muren van Jericho mee te bestormen. "Mal, j'aurais si mal, si tu me quittes un jour." Na de laatste tremolo breekt in het café een daverend applaus los. Een passender afscheid van de Fonsnylaan kon ik niet bedenken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234