Woensdag 16/06/2021

De laatste transatlantische heldin

Peggy Guggenheim (1898-1979) was een van de eerste schutspatronen van de moderne kunst, een mecenas en hartsvriendin van de avant-garde, die stormachtige liefdes beleefde met Samuel Beckett, Jean Arp en Max Ernst. Het privé-museum in haar Venetiaanse palazzo wijdt een overzicht aan haar erfenis.

Willem Ellenbroek

Hun zwemvesten hadden ze weggegeven aan een paar vrouwen. Smetteloos gekleed in rok wachtten ze het lot af, ongeroerd door de paniek die er om hen heen was uitgebroken. Benjamin Guggenheim, leverancier van de liften voor de Eiffeltoren, en zijn secretaris Victor Giglio, moeiden zich niet in het gevecht om de reddingsboten. Ze hadden besloten met het schip ten onder te gaan. Aan een steward in een sloep met vrouwen en kinderen gaf hij alleen een afscheidsboodschap mee voor zijn vrouw: "Tell her that I played the game straight to the end and that no woman was left on board this ship because Ben Guggenheim was a coward."

Peggy Guggenheim kon uit een boek gestapt zijn van Hemingway of Scott Fitzgerald. Gore Vidal noemde haar "de laatste van de transatlantische heldinnen". In haar Venetië werd ze, aan het eind van haar leven, geëerd als de ultima dogeressa. Haar levensgeschiedenis leest als een tragische aria: een leven lang vermogend, onafhankelijk en aanbeden - maar met altijd ook een passie voor de verkeerde mannen.

Het begin van haar levenswandel lag in die tragedie, toen ze haar vader verloor bij de ramp met de Titanic. Ze kwam er, zei ze, nooit helemaal overheen en zocht er de oorsprong in van die levensdraad van aaneengeregen ongelukkige liefdes. Maar ze erfde wel, toen ze 21 werd, de vruchten van haar vaders vermogen en bouwde er een kunstcollectie mee op die haar beroemd maakte. Ze was een van de eerste schutspatronen van de moderne kunst, mecenas en hartsvriendin van de avant-garde, en gaf haar memoires de titel Confessions of an Art Addict.

Het privé-museum dat ze inrichtte, het palazzo aan het Grand Canal in Venetië waar ze van 1948 tot haar overlijden in 1979 resideerde, eert haar nu met een tentoonstelling - Peggy Guggenheim, A Centennial Celebration - ter gelegenheid van haar honderdste geboortejaar. Haar levensgeschiedenis ontvouwt er zich nog eens aan de hand van haar verzameling foto's, documenten, de souvenirs van haar liefdes: de oorbellen die Ives Tanguy voor haar beschilderde, het hoofdpaneel van het liefdesbed dat Alexander Calder voor haar smeedde, het mysterieuze portret dat Max Ernst van haar schilderde, de gevleugelde zonnebrillen die de surrealisten voor haar ontwierpen en de boodschappen tussen de regels door die haar oude liefdes in haar gastenboeken penden.

Peggy Guggenheim was de vrucht van twee vermogende joodse families in New York, de Guggenheims (kopermijnen) en de Seligmannen (bankiers). Ze had een beschermde jeugd, te beschermd vond ze zelf. Ze werd opgevoed door gouvernantes, had - op een sporadisch tennispartijtje na - nauwelijks contact met leeftijdgenoten en kon haar aantrekkelijkheid alleen kwijt in de eerste van een lange rij schoothondjes.

Elke zomer verscheepte het gezin zich naar Europa en maakte autotochten door de Oude Wereld - zij dromend achterin van een echter, avontuurlijker leven. Haar eerste minnaar, schreef ze in haar memoires, was geschokt van wat zo'n onschuldig ding die eerste nacht allemaal niet wilde. Zij had er jaren van gedroomd, met de herinnering voor ogen van wat ze toen, op een van die reizen, aan opwindends in Pompeji had gezien, en kende elke mozaïekvariant van de liefdesnacht.

Ze trok in 1920 naar Europa. Het was bedoeld als een vluchtig bezoek, ze bleef er - op een vluchtperiode in de Tweede Wereldoorlog na - haar hele leven. Ze vond er, op die fameuze linker Seine-oever in Parijs, haar ware wereld en werd er het middelpunt van. Peggy Guggenheim deed wat ze nooit eerder had kunnen doen: ze fladderde onbezorgd door het leven.

Ze werd verliefd op de schrijver Laurence Vail, de 'king of bohemia', die haar de wilde kringen van Marcel Duchamp, Man Ray en André Breton binnenloodste. Het droompaar scheidde na een paar jaar, zij begon een nieuw leven vol hevige liefdes - met Samuel Beckett, Ives Tanguy, Jean Arp, Max Ernst en een hele reeks vluchtige ervoor en erna en tussendoor.

Tussen twee van die verhoudingen door, in Londen, vond ze opeens dat er een groter doel in het leven moest zijn. Ze overwoog een uitgeverij te beginnen, maar koos uiteindelijk voor een galerie. Ze had haar passie, en belegging, gevonden. Galerie Guggenheim Jeune in Piccadilly werd een begrip. Ze had geen benul van kunst - Marcel Duchamp moest haar het verschil tussen abstracten en surrealisten bijbrengen - maar ze omhelsde, instinctief, de avant-garde die ze in Parijs had leren kennen.

Mede door haar leerde Engeland de moderne kunst ontdekken, maar financieel liep het niet, ze verloor geld en ontwikkelde in Londen voor het eerst het idee een museum te beginnen. Ze was op het continent om er kunst voor te kopen, toen de oorlog uitbrak. Van het museum kwam niets meer. Ze bleef in Frankrijk, in de buurt van haar ex-man en kinderen. En herhaalde, nog een keer, in de opwinding die de oorlog opriep, de vroegere gloriejaren van Parijs - weer een leven, vol feesten en diners, en nieuwe liefdes, in een appartement op het Ile Saint-Louis.

En ze kocht kunst als een junk. "Buy a picture a day, luidde mijn motto", schreef ze in haar memoires. Van de dreiging die er van nazi-Duitsland uitging, had ze geen notie: "The day Hitler walked into Norway, I walked into Léger's studio (and bought a wonderful 1919 painting from him for one thousand dollars)", pende ze in haar Confessions. Haar kleindochter, die de tentoonstelling in Venetië samenstelde, heeft de balans nog eens opgemaakt. De markt was willig, geen collectioneur kocht, iedere kunstenaar zat om geld verlegen. Peggy Guggenheim kocht in een paar weken vijftig werken, waarvan er 37 nog altijd in Venetië zijn. Ze koos Arp, Brancusi, Braque, De Chirico, Dalí, Delaunay, Van Doesburg, Ernst, Giacometti, Klee, Léger, El Lissitzky, Magritte, Man Ray, Miró, Mondriaan, Pevsner, Picabia, Schwitters, Severini - alle belovende namen van die dagen. Alleen bij Picasso ving ze bot. Hij vond haar een burgertrut.

Ze nestelde zich in Vichy-Frankrijk, sloeg geen acht op de waarschuwingen om onmiddellijk te vluchten. Ze wachtte tot het laatst, toen het nauwelijks meer kon. Ze verveelde zich stierlijk die zomer, herlas, schreef ze later, D.H. Lawrence, kreeg het romantische idee een lover van een lagere klasse te zoeken en nam haar dorpskapper.

Ze werd weer verliefd, op Max Ernst, die haar om financiële steun had gevraagd om te kunnen vluchten. Het werd een gecompliceerd verbond. Zij had geen idee wat hij, met zijn Duits paspoort, in Franse interneringskampen had meegemaakt. De weerslag ervan in zijn werk zou ze pas jaren later begrijpen.

Hun huis in New York, waar ze in 1941 introkken, werd een centrum voor de Europese ballingen in Amerika. Ze begon, dromend van dat oude museumplan, een galerie in een vroegere kleermakerij, Art of This Century, en ontdekte een nieuwe generatie (Amerikaanse) schilders: Jackson Pollock, Robert Motherwell en Mark Rothko.

Peggy Guggenheim leek er, even, gelukkig mee, maar keerde direct na de oorlog toch terug naar Europa en vond, in Venetië haar laatste grote liefde. Ze verscheepte haar verzameling er naartoe. Door de Griekse burgeroorlog was het Griekse paviljoen op de Biënnale onbezet, ze had de kans er haar collectie te laten zien en confronteerde Europa met haar ontdekking van die jonge Amerikanen.

Ze was een begrip geworden. Haar collectie een fenomeen, dat de wereld rondreisde langs musea die voor de oorlog de kans hadden laten liggen om de avant-garde, die nu klassiek was geworden, te verwerven. Ze vond in een achttiende-eeuws palazzo aan het Canal Grande een tempel voor haar passie en presenteerde zich er, in een eigen gondel, als een diva omringd met haar pekineesjes, de ogen verborgen achter de vinnen van een surrealistische zonnebril.

Dertig jaar lang hield ze, in haar palazzo, een gastenboek bij. Het werd een reflectie van haar leven, vol aantekeningen en opdrachten van vrienden, kunstenaars en lovers. Het is nooit eerder te zien geweest. Haar kinderen erfden ze, haar kleinkinderen laten ze nu voor het eerst zien.

De laatste jaren van haar leven trok ze zich in haar palazzo terug. Ze was uitgefladderd. Ze bezocht de biënnales niet meer, hield niet van de kunst van nu. Haar tijdperk was geweest, tegen de stroom in bevocht ze haar rol als de enige ware, de collectioneur die kunstenaar is geworden. "Today is the age of collecting", zei ze, "not of creation." Haar avontuur was al in haar gloriejaren gestorven.

© de Volkskrant

Peggy Guggenheim: A Centennial Celebration in de Peggy Guggenheim Collection, Venetië. Tot en met 12 januari. Het bijbehorende boek kost ± 2.250 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234