Donderdag 22/08/2019

De laatste derkaatsers

Zopas heeft de Belgische Kaatsbond het honderdste speelseizoen voor geopend verklaard. Met kleine trommeltjes en aandoenlijke trompetjes. Want het ziet ernaar uit dat het de laatste honderd kaarsjes op die taart waren: er zijn amper nog ploegen te vinden, en het is al een hele prestatie iemand op te sporen die weet wat kaatsen is. Schrijver Dimitri Verhulst is er het hart van in. Zijn nonkel Potrel is immers een uitmuntend kaatser, en de wereld moet dat weten.

Dimitri Verhulst / Foto's Stephan Vanfleteren

Kort nadat Polle Windjop zijn broekriem onderweg naar boven met veel gerammel had losgegespt en de trap onder zijn voeten kraakten, werd mijn nonkel Potrel verwekt. In de kamer naast de echtelijke sponde telden zijn toekomstige broers en zussen het aantal stoten waarmee de negende en laatste van het huishouden tot stand kwam. Net als Beethoven moet mijn grootvader hebben begrepen dat je er na negen symfonieën beter mee ophoudt en nonkel Potrel moet in deze context dan ook worden beschouwd als een bombastisch 'allegro ma non troppo' die 'un poco maestoso' het huishouden op zijn grondvesten zou doen daveren. Al werd wel eens gefluisterd dat Polle Windjop niet meer in staat was zich ooit nog één hip shake van zijn laatste voortplantingsdaad te zullen herinneren. Te lang aan een stoel in zijn stamcafé blijven plakken die avond met een waaier rotslechte kaarten in zijn hand, vandaar.

Van mijn nonkel Potrel (lang, smal en onnozel) moet ondanks zijn embryonale dronkenschap worden verteld dat hij zeer veel zaken zeer goed kan. Bijvoorbeeld op uw muil slaan, met de blote vuist of met een biljartkeu en dat telkens weer op imponerende wijze. Oké, hij heeft veel kungfu-films gezien en loopt hoog op met de regie van Rocky IV; aan zijn manier van bloedneuzen slaan kan een geoefend oog zijn inspiratiebronnen zien. Hij is zo nog een van die laatste oude Belgen die een ruzie op grootvaderlijke wijze beslecht, nooit een mes of een pistool trekt, zijn slachtoffers liever naar de dokter dan naar de begrafenisondernemer klopt. Waardoor hij het ooit heeft geschopt tot veel te arbeidslustige buitenwipper in diverse discotheken waar op den duur geen volk meer over de vloer durfde te komen. Volledig het type dat de dagen tot de volgende kermis aftelt om dan weer met de mokerhamer de ene puck na de andere - klingelingeling - tot tegen de bel te meppen en met een hele doos schuimwijn naar huis te wandelen. Of om zijn mannelijkheid te meten met de weinige uitdagers en in het lunapark de boksbal te laten beslissen wie er de sterkste onder de macho's is: iedereen zet zijn vuist tegen het ding, nonkel Potrel geeft er een ferme kopstoot op, en wint. Ook al draagt hij vandaag zijn schouderbladen en zijn kapsel naar de mode van de vikings, hij is uitsluitend gevaarlijk op aanvraag. Niet een hond, hijzelf bewaakt zijn huis, dat je op eigen risico betreedt. Ik bedoel maar dat je niet tegen zijn kar moet rijden en dat je in dat geval best wel met hem naar een receptie kunt. Waar hij je met graagte zal demonstreren dat hij, zoals gezegd, zeer veel zaken zeer goed kan. Ook drinken. De beste in zijn gewichtsklasse, op de voet gevolgd door twee van zijn broers.

Nadat hij zijn leraar van de eerste verdieping naar beneden had gesmeten (eigen schuld, hij had nonkel Potrel twintig bladzijden strafwerk opgelegd) vloog nonkel Potrel van de tijdverspillende school en kwam hij op zijn veertiende in het slachthuis terecht, waar hij met een zekere genoegdoening varkens keelde en een loon opstreek. Toch overklast hij iedereen met zijn talen. Zijn Duits heeft hij geleerd van de pornofilms die de Duitse zenders in de jaren tachtig uitzonden en is op het gebruik van de naamvallen na angstwekkend goed. De Waalse meisjes die hij geregeld in een stationsbuffet aantrof, schaafden zijn Frans bij en zijn langspelers van de Bee Gees zijn schatplichtig aan de kennis van zijn Engels. Een kleine tip: lach niet met zijn liefde voor de Bee Gees, of u kunt zich alvast een nieuw neusbeen bestellen. Alleen zijn Italiaans kan beter, maar dat heb je met Eros Vermicelli als leermeester.

Ik, wellicht de enige van de familie die hem een romantisch beeld opkleeft, die zijn poëzie zou willen kunnen bezingen zoals Borges dat over de straatvechters van Buenos Aires deed, ben zeer gevoelig voor nederlagen in Scrabble. Meestal verteer ik mijn verlies gemakkelijk, maar in deze discipline ligt dat moeilijker. Autodidact nonkel Potrel vloert mij dus met twee vingers in de neus, legt zevenletterwoorden die je het best niet bij de slager gebruikt en haalt een gemiddelde eindscore van zo'n zeshonderdvijftig punten. Lezen doet hij nooit, tenzij artikels in Natural Body, het blad voor bodybuilders, met foto's van blinkende mannen en vrouwen die hun buik tot een pudding trekken. Genoeg dus voor een verpletterende woordenschat. Schaken doe ik niet meer tegen hem. Ik mag dan wel winnen, mijn zege is altijd hard bevochten en hij verzet zijn stukken terwijl hij het snooker op de BBC volgt én ondertussen met een bic de meisjessnoeten in het weekblad van een snor voorziet.

Wat hij nog kan? Daags voor het huwelijksfeest zijn aanstaande laten zitten, Tino Rossi imiteren, de rook van zijn sigaretten met zijn oren inhaleren, een bierglas kapotbijten, op zijn arm de naam van zijn lief over de naam van het vorige laten tatoeëren tot het van aan zijn nek tot aan zijn elleboog een kruiswoordraadsel lijkt, scheten laten op commando, fortuinen verliezen op de flipperkast, een strike gooien op een andere bowlingbaan dan degene die je hebt afgehuurd, metselen, goocheltrucjes met zijn kunstgebit, een spiegelei bakken, en kaatsen. Dat laatste zelfs heel goed. In het bakken van spiegeleieren mag hij misschien niet alleen zijn, het wordt al een hele opgaaf om tegenwoordig nog een kaatser te vinden, laat staan een goeie.

Tussen jukskei en kalkoenschieting staat het kaatsen in het sportwoordenboek zich op te maken voor het rijk van de vergetelheid. Jukskei, dat is de Zuid-Afrikaanse variant van wat ze in Alken pagschieten noemen en geitgatten in Herenthout, een spel waarbij je bieten of iets gelijkaardigs tegen een staak moet werpen. Schijnt plezant te zijn. En bij kalkoenschieten kan iedereen zich wel een beeld vormen. De laatste ezelskoersen worden nu gelopen, het getal hoefijzerwerpers slinkt, het ledenbestand van de Kempische paapgooiers krimpt, de pullepinners en de scherebaankegelaars moeten op zoek naar een nieuwe hobby. Tja, de moderne tijd zeker. Tja, het toenemende individualisme zeker. Eerlijk gezegd sta ik ook niet mijn zakdoek uit te wringen aan het graf van de laatste boegsprietloper en ik zal evenmin op straat komen om te eisen dat er subsidies worden gepompt in de heropflakkering van onze nationale ploeg in het fierljeppen. Hoogstens zal ik mijn moedertaal voelen verarmen met het verdwijnen van die volkssporten. Maar dat de belangstelling voor het kaatsen afneemt, daar ben ik het hart van in. Mijn nonkel Potrel is immers een uitmuntend kaatser, altijd geweest, en de wereld moet dat weten.

Zopas heeft de Belgische Kaatsbond het honderdste speelseizoen voor geopend verklaard. Met kleine trommeltjes en aandoenlijke trompetjes. Want het ziet ernaar uit dat het de laatste honderd kaarsjes op die taart waren: er zijn amper nog ploegen te vinden, en het is al een hele prestatie iemand op te sporen die weet wat kaatsen is. Op school dachten mijn medeleerlingen tijdens de speeltijd aan kaatsen te doen. Dan sloegen ze met de vuist een bal, die één keer de grond moest raken, tegen de muur. Een beetje zoals squash, of tafeltennis tegen jezelf, want de bal moest over een voslijn. Dat heeft dus in de verste verte niets met de nobele kaatssport te maken maar heet jeu de jésuites, inderdaad omdat het een typische collegesport is. Erasmus was daar een verwoed liefhebber van. Anderen denken bij kaatsen dan weer aan keatsen, wat nog iets anders is en wat we vooral in zijn Spaanse versie kennen onder de noemer pelota. De verwarring werd helemaal compleet toen men tennis meende te moeten uitleggen als 'kaatsen met een racket'. Dat kaatsen op zijn beurt tennis voor de pretentielozen zou zijn is al even ridicuul als beweren dat een oester de mossel van de rijke is, het gaat hem gewoon om een totaal andere sport. Alleen is het niet zo simpel om de regels van dit spel hapklaar uit te leggen. Ik probeer.

Het speelterrein is bij voorkeur een marktplein met minstens twee luidruchtige kroegen. Een wijkagent heet er nog gewoon champetter, en zijn taak is het ervoor te zorgen dat er geen enkele wagen op het plein geparkeerd staat. Dat is één.

Ten tweede. De zon moet schijnen. Een kaatser komen dezelfde privileges als de metselaar toe: wanneer het strontregent, heeft hij het recht te gaan schuilen aan de toog.

Ten derde, en minder facultatief dan u denkt, moeten de kroegen over een aantal Zweedse banken beschikken. U weet wel, die blinkende plinten waarop u ooit nog in uw hilarische turnuniformpje en met die knalwitte zweetslofjes evenwichtsoefeningen deed, wat uw wekelijkse aanleiding was om eens ferm te lachen met de dikste en de strafst bebrilde van de klas. Niets menselijks is ons vreemd geweest. Die Zweedse banken staan op het marktplein en doen er dienst als zitmeubel voor de toeschouwers, van wie er velen de leeftijd van de Belgische Kaatsbond benaderen.

Omdat het kaatsen tegenwoordig bijna nog uitsluitend in de Denderstreek beoefend wordt, is het aangeraden om, ten vierde, de aanwezigheid van een volstrekt mistroostige rivier te vermoeden. 's Zomers mag de wind de stank van deze open riool naar de omliggende dorpen voeren en er de lakens aan uw wasdraad bol blazen, zodat het lentefrisse parfum van uw wasverzachter tevergeefs was.

Nu kunnen we beginnen te spelen. Over de volledige breedte van het plein vraagt u iemand die ongeveer weet hoe een rechthoek eruitziet een rechthoek te tekenen. Waar de bal wordt geleverd moet het namelijk op een immens ongelijkbenige driehoek lijken. Die bal is van geperst hout, heeft de grootte van een kankergezwel in zijn laatste fase en kan met zo'n kracht in je gezicht worden gemept dat je de eerstvolgende weken niet meer aan wiskunde doet. De mannen in het kaatsen zijn altijd een beetje echter en beschermen zich niet. Hun enige alaam bestaat uit een lederen handschoen met rijgveters, op maat gemaakt. Mijn nonkel Potrel had een gele, en ik ben er stikjaloers op geweest. Sportschoenen zijn uiteraard een aanrader maar eigenlijk springt een kaatser in de kleren die hij verkiest. Spijkerbroeken kunnen. En dat mag de geloofwaardigheid van deze sport geenszins aantasten, tenslotte werd Raymond Ceulemans meermaals uitgeroepen tot Sportman van het jaar en speelde hij biljart in een trouwkostuum.

Wat is nu de bedoeling? Twee ploegen slaan de bal naar elkaar. Klinkt niet bepaald opwindend, maar wacht. Waar de bal stilvalt op de straatstenen wordt een denkbeeldige lijn getrokken. Ze hebben daar een kaatszetter voor (het equivalent van een baljongen), die aan de rand van het speelveld een bordje plaatst op dezelfde lijn als waar de bal neerkwam. Ik ben nog zo'n kaatszetter geweest, van mijn elfde tot mijn dertiende. Het was mijn eerste taak waarin ik verantwoordelijkheden leerde dragen en met stress omging. Want wanneer je dat bordje een centimeter te veel naar links of rechts neerpoot, krijg je de woede van de supporters van de benadeelde ploeg op je dak. Het is niet omdat je een kind bent dat een volledig marktplein jou niet mag uitschelden voor debiel. Na de wedstrijd mocht ik dan met de klak rondgaan in het supporterslokaal van de thuisspelende ploeg, wat me per wedstrijd toch een heerlijke 300 frank opbracht. Driehonderd frank, dat was toentertijd een toeter bij de ijscoman met maar liefst dertig bollen vanille.

Wanneer er twee bordjes zijn geplaatst wisselen de ploegen van kant. Vanaf dan is het de bedoeling om de eerste geleverde bal te laten stilvallen voorbij de denkbeeldige lijn die uit het eerste bordje vertrekt, de tweede geleverde bal moet over de lijn van het tweede bordje raken. Met andere woorden, hoe verder u die bal in het eerste spel krijgt geklopt, hoe gemakkelijker het wordt hem in het tweede spel over de lijn te krijgen. Dat is kaatsen in een notendop, een dappere poging om het officiële reglement te ontchinezen.

En als u mij een beetje hebt gevolgd, dan zult u begrijpen waarom ik ervoor ijver het kaatsen uit te roepen tot een olympische sport. Er zijn namelijk veel te veel sporttakken die grenzen aan het belachelijke en waarvoor men toch een plaats onder de olympische vlam veil heeft. Neem nu dat gedoe op het ijs, curling, de noordpolaire variant van wat de West-Vlaamse Platte-Bolfederatie (een platte bol?) populair poogt te maken: een speler schuift een schijf over het ijs, probeert zo dicht mogelijk bij de roos te raken, en ondertussen boenen zijn teamgenoten als hyperkinetische poetsvrouwen het ijs. Een verre afgeleide in feite van pétanque tussen de elanden. Dat is dus olympisch, daarvoor smelt men dus de voorraad goudstaven tot medailles. Kaatsen daarentegen zou een cafésport zijn, omdat het altijd een estaminet als uitvalsbasis heeft. Waar zou het voetbal staan als er geen kantine was? Ah bon.

Neen, de grenzen moeten ergens getrokken worden en het zou helpen om terug te keren naar de Helleense geest: slechts de sporten die naakt beoefend kunnen worden, verdienen verwanten van de goden in de tribunes. Niet dat het een zicht zou zijn, ook niet in het geval van mijn nonkel Potrel, maar kaatsen voldoet aan die voorwaarden. Bij de wintersporten ligt dat iets pijnlijker. Bovendien zou een sport klassiek moeten zijn, in de historische betekenis. Toen wij nog in de bomen hingen, bekwaamde men zich op Mallorca reeds in het kaatsen, met stenen ballen. De Romeinen kregen die vaardigheid van de eilandbewoners in het snotje, noemden hen Balearen, echt waar, en probeerden de kaatsers in te lijven als dodelijke steenwerpers in hun leger. Dat zagen die Balearen echter niet zo zitten en ze wierpen zich in een van de grootste zelfmoordacties uit de geschiedenis met duizenden tegelijk van de rotsen in het noorden. Het einde van de grootste kaatsnatie was een feit, men doet er nu aan zonnebaden en techno. Al met al voldoende argumenten, meen ik, om bij de Spelen van Athene de fakkel ook voor de kaatsers aan te steken. Ik voorspel een spetterende finale tussen Maubeuge en Baisy-Thy.

Ik ijl. In het dorp waar je de knieën hoort knikken als mijn nonkel Potrel verschijnt, huisvestten vier cafés elk een kaatsploeg. Café Olympia, voor de liberalen. Café De Volkskring, voor de tsjeven. Café Liars, voor de sossen. En café 't Hoekske, voor de klasselozen. Het is in de ploeg van de laatste kroeg dat mijn nonkel Potrel het mooie weer maakte, een zodanige peer op het balhout gaf dat het nog altijd lichtjaren ver uit de annalen zweeft. En mooier dan dat, vrees ik, zal het kaatsen niet meer worden. In de jaren tachtig kon je nog samen met 2.500 anderen de wedstrijden van kampioenenploeg Tollembeek aanschouwen, wat niet weinig is. Tollembeek is niet meer; de enige Vlaamse ploegen waar men nog op niveau aan kaatsen doet, bevinden zich in Baasrode, Terjoden en Kastel. Er is elektriciteit en telefoon.

1 juni 2002. De zon houdt haar generale repetitie voor de zomer en ik zal blij zijn als de eigenlijke opvoering even schitterend is. Hoewel, ze doet aan overacting, het mag iets minder. Onze Citroën is een sauna. En een vuilnisbak. Voor we hem naar het autokerkhof rijden, gunnen we hem nog een laatste rit, naar Ottignies, waar de kaatsers van eerste nationale het opnemen tegen Baasrode. Er is mij verteld dat het kaatsplein van Ottignies zich in de buurt van de watertoren bevindt, maar na het vijf keer aan een lokale man-met-sigaar-de-wereld-gadeslaand-met-zijn-gat-op-de-dorpel te hebben gevraagd begin ik aan mijn kennis van het Frans te twijfelen. Niemand die er weet heeft van een watertoren in zijn dorp, niemand die er het bestaan kent van een spel dat hier balle de pelote heet. In Vlaanderen is het een stuk gemakkelijker om een watertoren van ver te zien staan, ze hebben er nauwelijks nog bomen, daar kun je door het bos zowel de boom als de watertoren herkennen. Wanneer we dan toch die watertoren toevallig aantreffen, is er niet meteen een kaatsbaan te bespeuren.

Een meisje dat zich samen met een hond een reden om te gaan wandelen naar zomaar nergens heeft aangeschaft kan zich niet inbeelden wat ik met balle de quoi? bedoel. Hond en bazinnetje gaan naar dezelfde kapper, merk ik, en daar wordt nooit over kaatsen gepraat. Dan maar rondjes rijden, hopend dat ons oud ijzer niet zal chaufferen. Komt dat meisje ons ineens achternagelopen, zich met haar armen een plaatsje in onze achteruitkijkspiegel zwierend, het keffertje wurgend aan zijn leiband: haar grootvader, die, die durft zijn traagste uren wel eens te slijten aan koddige sporten. We moeten de eerste straat links eens proberen, altijd rechtdoor.

Ze is hartelijk bedankt en heeft gelijk, op het parkeerterrein aan het eind van die straat herken ik wel degelijk de lijnen van een kaatsplein. Mét café. Café La Chope. Aan de toog meer glazen bier dan drinkers, ze kunnen het tempo blijkbaar niet aan. In de hoek van de kroeg slaat de tv groen uit, Duitsland wereldbekert tegen Saoedi-Arabië. De lolbroek des huizes, we kunnen ons niet vergissen, draagt een narrenhoed in de Belgische driekleur. Hij voorspelt een finale tussen België en Senegal en zal in dat geval voor de Senegalezen supporteren. Een mop waarmee ferm gelachen wordt, door hemzelf. Of hier gekaatst wordt, jongens? Ja ja, om halfvier, en de verbazing dat wij met die rammelende Citroën meer dan honderd kilometer lang ons leven op het spel zetten om daarnaar te komen kijken. Laat dat duidelijk zijn, dit zijn niet de topsporters van eerste nationale, dit zijn de drinkers van café La Chope, die het straks in het kaatsen zullen opnemen tegen de drinkers van een ander café. Ze zijn bereid ons de weg naar die andere en officiële kaatsbaan uit te leggen, maar verklaren ons gek niet naar deze match te kijken. "In eerste nationale betaal je 200 ballen en is het spel om vijf uur al afgelopen. Hier is het gratis, ambiance, en drankpauze na ieder gescoord punt." De euro is een moeilijke munt, we blijven nog altijd in ballen denken. Nonkel Potrel (lang, smal en onnozel) rekent liever in lullen, dat is steeds tegen halve prijs: 200 ballen zijn 100 lullen. Zijn humor is nogal nat.

De ploeg van eerste nationale heeft geen café maar een kantine. Proper, afgelikt. Het terrein is zodanig afgespannen met reclamepanelen dat je geen glimp van de match opvangt als je niet hebt betaald. Hier denken ze al in euro: 5 euro. In de kantine schrik ik mij een hoedje als ik aan het bord met de voorlopige tussenstanden merk dat de toekomst van de kaatssport verzekerd is: Ottignies heeft zelfs een team bij de prepupillen, en ze staan voorlopig op kop. Wat niet gezegd kan worden van hun vaders, die hekkensluiter zijn. Het aanwezige publiek bestaat uit de vrouwen van de spelers en een paar extra familieleden met wie ze nog niet in de clinch liggen. Baby's en poedels meegerekend zijn we hoop en al met een dertigtal toeschouwers. Dit is dus de wereldtop, het Real Madrid van het kaatsen tegen Schalke 04. Triestig. De bal wordt heen en weer gemept, de punten geteld. Animo: geen. Lange rally's: geen. De spelers roepen zich hees aan motiverende kreten, slaan elkaar bemoedigend blauwe plekken op het achterwerk. Veel geblaat, weinig wol, en ik begin te vrezen dat ze daar in La Chope gelijk hadden: dit is saai met een dagenlang gerekte lange a. Hops, sleutel in de sauna en terug naar La Chope, waar de match net begonnen is.

De spelers van La Chope omringen zich liever niet met baby's en poedels, zodat zij het eigenlijk met evenveel toeschouwers mogen stellen. Vijf man en een paardenkop. De paardenkop is arbiter. En zonder gezag, bij caféploegen kan nog onderhandeld worden over een twijfelbal. Aan het scorebord hebben ze een spelersvrouw gezet, en van het kaatsen heeft ze zoveel verstand dat ze zo nu en dan aan een speler moet vragen: "Hoeveel is het eigenlijk?". Uiteraard zal deze partij niet om vijf uur afgelopen zijn. Regelmatig verliest de bal zijn richting en komt hij in de ongeschoren haag van de buren terecht. Beide teams zitten dan een hele poos met hun hoofd in de struiken, te zoeken naar dat balletje. Of er moet een wagen passeren. Of wijkagent Bernadette snort met haar mobylette over het kaatsplein. En het is warm, te, en de kroegbaas, die toevallig ook een speler is, moet even naar de tapkraan om er de droge kelen te smeren en de levers te vetten. Tussenspurtjes zijn hier trager maar het debiet ligt hoger: het is meer vlees dat zich verplaatst, het zijn meer bierbuiken en vetbandjes die zich in duizend seconden optrekken van nul tot enige meters per uur. Sport mag hier nog een spel zijn, het is niet abnormaal tijdens een smash aan een sigaretje te lurken.

De kaatssport heeft, toch in Ottignies, de eenentwintigste eeuw gehaald. Proficiat. De palliatieve zorgen die ze nodig heeft, worden het best nog aan de caféploegen uitbesteed. Maar ook de spelers en drinkers slagen er niet meer in om deze laatste pleinsport uit het slop te sleuren. Vrees ik. De prepupillen zullen zich ooit nog moeten heroriënteren.

Bij de Koninklijke Nationale Kaatsbond (met hoofdzetel te Denderbelle en in tegenstelling tot de Koninklijke Nationale Duivenbond voorlopig nog zonder internet) beseffen ze dat de glorieperiodisten hun potlood voor het laatste hoofdstuk scherpen. Kaatsen, zo luidt het op de lege Zweedse bank, is geen televisiesport en is daardoor ten dode opgeschreven.

Vissen is gelukkig ook geen televisiesport maar daar worden dagelijks nog wel nieuwe vergunningen uitgereikt. (Ik weet, ik riskeer hier mijn leven mee, maar ik probeer me even de verslaggeving bij het provinciaal kampioenschap hengelen voor te stellen... Nog drie minuten te gaan en Antoon Vanbiezen leidt met zeven snoekbaarzen, een forel en een tonijn. Links in beeld, Albert Metsue, met het rugnummer 853, is in de weer met zijn lijn. Ziet dat trekken. Ziet dat sleuren. Wat zal het zijn? Een karper! Ja ja, ik denk dat het een karper is. Zeker twaalf pond en een ons. Wat een joekel! Spanning alom hier aan de vijver van het Liedermeerspark: haalt Albert die karper op? En zal hij hem nadien fileren en marineren in de rode wijn met wat sjalotjes?... Sorry.) Maar ze hebben daar in Denderbelle natuurlijk geen ongelijk. Na twee ballen wisselen de spelers al van kant, dat brengt weinig schwung in een rechtstreekse uitzending. Bovendien is de puntentelling van die aard (het is niet toegestaan met het kleinste verschil te winnen) dat een match in principe een dag of drie kan duren. Kaatsen is een sport tijdens dewelke de toeschouwer een gigantische pijp kan stoppen. Het volleybal heeft zich uiteindelijk ook uit louter zelfbehoud aan de televisie aangepast, de speelsters moeten nu kortere broekjes dragen, de kijker is tevreden als ze heel hoog naar het net springen. Het volk vraagt kikvorsperspectief. Misschien moeten de kaatsers dan toch nog olympisch naakt. Ik stel met dat schone van een laatste wanhoopsdaad een promoteam voor met mooie, beroemde meisjes, en mijn nonkel Potrel (lang, smal en onnozel), die de trainingen leidt.

sta ik niet mijn zakdoek uit te wringen aan het graf van de laatste boegsprietloper en ik zal evenmin op straat komen om te eisen dat er subsidies worden gepompt in de heropflakkering van onze nationale ploeg in het fierljeppen. Maar dat de belangstelling voor het kaatsen afneemt, daar ben ik het hart van in'

'Steek bij de Spelen van Athene de fakkel ook voor de kaatsers aan. Ik voorspel een spetterende finale tussen Maubeuge en Baisy-Thy'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden