Zaterdag 31/07/2021

Reportage

De laatste arme mensen van China

De belangrijkste reden voor dorpelingen om naar Zhaojue te verhuizen: de kinderen. In de stad is het onderwijs beter.   Beeld Leen Vervaeke
De belangrijkste reden voor dorpelingen om naar Zhaojue te verhuizen: de kinderen. In de stad is het onderwijs beter.Beeld Leen Vervaeke

Om alle armoede tegen 2021 uit te roeien, werd Aniu, net als miljoenen andere Chinezen, overgeheveld van zijn bergdorp naar een moderne stad. Is de armoede echt verdwenen in China? ‘Ik ben blij met mijn huis, maar een job was beter geweest.’

Met een brede glimlach geeft Aniu een rondleiding door zijn nieuwe appartement. Het ziet er wat schamel uit – er ligt geen vloerbedekking en er staan amper meubels – maar dat lijkt hem niet te deren. Aniu ziet vooral de troeven: een doorspoeltoilet, een warmwaterboiler, een elektrisch fornuis en een grote tv. “Allemaal van de overheid gekregen”, zegt hij, wijzend naar het logo van het provinciale partijcomité op de ijzeren kasten en stoelen. “Allemaal voor ons.”

Aniu – 38 jaar, getrouwd en vader van vier kinderen – had nooit durven dromen dat hij in een appartement zou wonen, voorzien van zo veel modern comfort. Hij groeide op in Atulie’er, een achtergebleven bergdorp in Liangshan, een van de armste regio’s van China. Daar woonde hij in een huis van leem, kookte hij op een houtvuur, en deed zijn gevoeg buiten in een gat in de grond. Zijn leven leek zich in andere tijd af te spelen, ver weg van de bewoonde wereld.

Tot de Chinese overheid vorig jaar ineens besliste dat Aniu en zijn gezin naar de stad zouden verhuizen. Naar Zhaojue, een klein maar bedrijvig marktstadje, 70 kilometer verderop. Hij kreeg er een appartement toegewezen in een van de vier nieuwbouwwijken aan de rand van de stad, waar samen 18.000 bewoners uit 92 omliggende dorpen kwamen te wonen. Het aantal inwoners van het stadje verdubbelde in één klap.

Voor Aniu leek het een lot uit de loterij: een appartement van 100 vierkante meter, met drie slaapkamers, vlak bij de stad met al zijn voorzieningen. En het mooiste: hij hoefde er amper 10.000 renminbi (1.200 euro) voor te betalen, nog geen dertigste – zo heeft hij horen zeggen – van de werkelijke waarde. “Ik had zo’n huis zelf nooit kunnen betalen”, zegt hij. “Toen ik het hoorde, was ik dolgelukkig.”

Aniu’s verhaal is niet uniek. Hij is een van de miljoenen Chinezen die de afgelopen jaren door de overheid werden ‘hervestigd’: vanuit het dorp overgeplant naar de stad. Dat gebeurde in het kader van de ‘gerichte armoedebestrijding’, een ambitieus overheidsplan om de plattelandsarmoede in heel China uit te roeien. In 2013 gelanceerd door president Xi Jinping, luidde dat plan dat de armoede van het Chinese platteland verdwenen moet zijn voor 2021, als de Communistische Partij van China (CCP) honderd jaar bestaat.

Armoede uitroeien in zeven jaar: dat klinkt als een onmogelijke taak. In 2013 telde het Chinese platteland nog 93 miljoen armen, met als criterium een jaarinkomen lager dan 4.200 renminbi (530 euro). Zij zouden, om niet langer als arm te worden beschouwd, niet alleen een hoger inkomen moeten krijgen, maar ook voldoende eten en kleding, een huis, gezondheidszorg en onderwijs.

Maar zoals dat gaat met topprioriteiten van de CCP: die worden gehaald, in elk geval voor de bühne. Op 17 november werd Aniu’s district als een van de laatste armoedevrij verklaard, en een week later volgde het hele land. De laatste armoede in China was weggewerkt, net op tijd.

Alleen willen werkelijkheid en propaganda in China nogal eens uit elkaar lopen, en roept de armoedebestrijding ook vragen op. Een reis naar Liangshan moet antwoorden bieden. Is de armoede echt verdwenen, of enkel op papier? Is de Chinese overheid oprecht bekommerd om het welzijn van haar burgers, of heeft ze bijbedoelingen met al die liefdadigheid? En hoe kijkt Aniu naar zijn nieuwe leven?

De reis begint bij Aniu’s oude huis, beneden in het dorp Atulie’er, dat tegen een steile helling ligt aangedrukt. Het huis is zelfgebouwd, op de manier waarop het hier al eeuwen gaat: een houten skelet met lemen muren. In de nok hangen repen varkensvlees te drogen, in een hoek ligt sprokkelhout voor het vuur. Moderne spullen zijn er niet, op een wasmachine, een vriezer en een glimmende tafel na. “Donaties”, zegt Aniu met enige gêne. “De drie beste dingen in dit huis heb ik gekregen.”

Het leven in het dorp is simpel. Aniu heeft twee jaar school gelopen, kan amper lezen en praat Mandarijn met een zwaar accent – hij behoort tot de Yi-minderheid, die zijn eigen taal heeft. In het dorp leeft hij van zijn kleine lapje grond, waarop hij maïs, kool en aardappelen verbouwt, en geiten, varkens en kippen fokt. Zijn jaarinkomen? Aniu heeft geen idee. “Het enige waarmee ik hier wat verdien, is wilde honing”, zegt hij. “De rest is niets waard.”

Met amper geld voor meubels zijn de meeste nieuwe appartementen erg kaal. De poster aan de muur herinnert de familie van Aniu eraan aan wie ze hun nieuwe leven te danken hebben.  Beeld Leen Vervaeke
Met amper geld voor meubels zijn de meeste nieuwe appartementen erg kaal. De poster aan de muur herinnert de familie van Aniu eraan aan wie ze hun nieuwe leven te danken hebben.Beeld Leen Vervaeke

Het grote probleem van Atulie’er is zijn locatie. Het dorp ligt in Liangshan, een ‘autonome prefectuur’ in de West-Chinese provincie Sichuan, waar de helft van de bevolking tot de Yi-minderheid hoort. De natuur is er ruig: hoge bergen, diepe canyons, besneeuwde passen. Langs de slingerwegen waarschuwen verkeersborden voor modderstromen en vallende rotsblokken. “Als het regent of sneeuwt, is de weg naar Atulie’er onberijdbaar”, aldus de chauffeur.

Alsof dat niet genoeg is, ligt Atulie’er niet beneden in een vallei, maar boven op de klif van een canyon. Van de weg is het twee uur klimmen. Tot drie jaar geleden kon dat alleen via een rafelige touwladder, waarvan geregeld mensen te pletter vielen. Na een aangrijpende tv-reportage liet de overheid in 2017 een stalen ladder bouwen: een stuk veiliger, maar nog steeds een pittige klim. Zeker met de zware zakken die de dorpelingen dragen, met rijst voor boven of honing voor beneden, of met kinderen op de rug.

Lof voor de partij

Het lijkt een bizarre plek om te gaan wonen, maar in Liangshan zijn er best veel van dit soort klifdorpen, relicten van een woelige geschiedenis. In deze uithoek van het land hadden Chinese keizers lange tijd weinig te zeggen, en vochten Yi-clans onderling conflicten uit. Veel inwoners zochten hun toevlucht tot beschutte plekken tussen hoge rotswanden, als in natuurlijke forten. Maar wat eeuwenlang een voordeel was, werd steeds meer een nadeel. De klifdorpen bleven steken in de tijd.

“Liangshan was een modelprefectuur voor de armoedebestrijding”, zegt Jan Karlach, onderzoeker aan de Tsjechische Academie voor Wetenschappen, die jarenlang in Liangshan woonde en er zijn proefschrift over schreef. “Er waren tal van dorpen zonder elektriciteit en water, nauwelijks verbonden door wegen. Het was een waar laboratorium voor dit programma.”

De eerste jaren ging de Chinese armoedebestrijding gezwind. In regio’s met veel armoede werden autowegen, treinstations en luchthavens aangelegd, werden microleningen toegekend en werd de lokale economie gestimuleerd. Het eerste jaar werden liefst 20 miljoen armen boven de inkomensgrens getild. Internationale armoede-experts zijn het erover eens dat veel mensen erop vooruitgingen, en dat de CCP daarvoor lof verdient.

Ook in Liangshan creëerde infrastructuur nieuwe mogelijkheden. “Het Liangshan van nu is niet te vergelijken met dat van tien jaar geleden”, zegt Karlach. “Van provinciehoofdstad Chengdu naar Liangshan was het toen negentien uur rijden, en die weg was de hel op aarde. Nu ligt er een snelweg en doe je er vijf uur over. Die toegenomen mobiliteit heeft het leven in Liangshan drastisch verbeterd.”

Maar voor dorpen als Atulie’er, waar geen weg kan komen, hielp dat niet. In die ‘ecologisch uitdagende omgevingen’ – verzamelterm voor bergen, woestijnen en gebieden gevoelig voor natuurrampen – besloot de Chinese overheid dat er niets anders op zat dan de inwoners te verhuizen. In totaal werden 16,2 miljoen Chinese dorpelingen ‘hervestigd’, met een budget van 110 miljard euro. Het is het meest controversiële onderdeel van de armoedebestrijding. Volgens experts verbeterden de levens­omstandigheden van de dorpelingen wel, maar vaak tegen een hoge prijs.

Het is niet makkelijk om over Atulie’er te schrijven, en niet alleen omdat het dorp zo afgelegen ligt. De inwoners hebben van de lokale autoriteiten te horen gekregen dat ze niet met buitenlandse journalisten mogen praten, tenzij tijdens georkestreerde perstrips. De strijd tegen armoede is een prestigeproject van president Xi, en de berichtgeving moet dus onverdeeld positief zijn. Slechts een paar inwoners zijn bereid te praten, en ze zijn op hun hoede.

Veel inwoners hebben bovendien nauwelijks onderwijs gehad, en spreken geen of slecht Mandarijn. Ze zijn het gewend dat de overheid de beslissingen voor hen neemt, alsof ze handelsonbekwame kinderen zijn. Veel vragen – of men tevreden is, of men erop vooruitgegaan is, of men liever op een andere manier was geholpen – worden hier nooit gesteld. Het standaard antwoord: “Ik weet het niet, dat wordt van bovenaf beslist.”

Maar ‘bovenaf’ blijkt lang niet onfeilbaar. In Atulie’er zijn 84 huishoudens als arm aangeduid – herkenbaar aan een bordje met financiële details boven hun voordeur – maar een twintigtal niet. Die laatsten kregen geen huis. Het officiële selectiecriterium is de inkomensgrens van 530 euro per jaar. In werkelijkheid blijkt de indeling veel willekeuriger te zijn gebeurd, en zijn lang niet alle armen geholpen.

“We hadden geen idee hoe het armoedebeleid werkte”, zegt Yang Yang (26), een van de inwoners die geen huis heeft gekregen. Yang Yang is weduwnaar, vader van drie kinderen en – volgens veel dorpsgenoten – een van de armste inwoners van Atulie’er. Maar door een administratieve fout werd hij niet als zodanig ingedeeld. “Ik heb nog meebetaald voor de auto waarmee de arme inwoners zich gingen registeren”, zegt hij hoofdschuddend. “Ik had nooit gedacht dat zij een huis zouden krijgen.”

Uit de verhalen van de dorpelingen blijkt dat de lokale partijsecretaris in 2017 de arme huishoudens moest aanduiden. Hij besloot de grootste gezinnen te kiezen, om meer subsidies te krijgen. Die zouden ze onder het hele dorp verdelen, dus op wiens naam ze stonden, maakte niet uit. Tot ineens bleek dat zij een huis zouden krijgen. “Ik ben nog met ze gaan praten, maar ze zeiden dat het te laat was”, zegt Yang Yang. “Eenmaal de namen gerapporteerd zijn, kun je ze niet meer veranderen.”

Atulie’er is een zogenaamd klifdorp, die zijn ooit hoog en haast onbereikbaar gebouwd om beschutting te zoeken tegen conflicten. Pas sinds 2017 is het bereikbaar met een stalen trap. Beeld Leen Vervaeke
Atulie’er is een zogenaamd klifdorp, die zijn ooit hoog en haast onbereikbaar gebouwd om beschutting te zoeken tegen conflicten. Pas sinds 2017 is het bereikbaar met een stalen trap.Beeld Leen Vervaeke

Voor Yang Yang is het leven niet verbeterd, maar verslechterd. Tot vorig jaar leek het leven in Atulie’er er net op vooruit te gaan. Na de tv-reportage kreeg het dorp niet alleen een stalen trap, maar ook 4G en een kleuterschool. Er was een plan voor de ontwikkeling van toerisme. Maar nu er nog nauwelijks kinderen zijn, is de kleuterschool weer gesloten. “Vorig jaar was mijn dochtertje te jong voor de kleuterschool”, zegt Yang Yang. “Dit jaar is ze oud genoeg, maar is de school weg.”

Yang Yang is niet de enige arme die uit de boot is gevallen. Ook in andere dorpen en provincies klagen inwoners over bureaucratische fouten en favoritisme, en onwil bij de lokale bestuurders om die fouten recht te zetten, omdat ze dan hun deadline dreigen te missen. “De armoedebestrijding is een van de hoofdpijlers van de legitimiteit van de CCP”, zegt Karlach. “De cijfers zijn het belangrijkste, niet de werkelijke levensomstandigheden van de mensen.”

Yang Yang probeert er het beste van te maken. Hij is een huis voor toeristen aan het bouwen, met uitzicht over de canyon. Maar als hij mag kiezen, dan verhuist hij meteen naar de stad. “Ik dacht dat ik hier een toekomst had”, zegt hij. “Ik dacht dat het toerisme zich zou ontwikkelen en dat er meer mensen zouden komen.

“Maar nu trekt iedereen weg. Het toerisme zal wel komen, maar dat vraagt tijd. Voor mijn leven komen die veranderingen te traag.”

Dan heeft Aniu meer geluk, met zijn appartement in Zhaojue. De nieuwbouwwijk oogt verrassend fraai. De woonblokken zijn leemkleurig en versierd met houtsnijwerk, zoals de huizen in het dorp. Ertussen liggen speeltuinen en plantsoenen, ernaast scholen en kinderopvang. Op de balkons hangt vlees te drogen, en buiten zitten oude mannen gehurkt onder hun wollen cape, zoals wanneer ze geiten hoeden. Het dorpsleven is mee naar de stad verhuisd.

Binnen is de charme verder te zoeken. Met amper geld voor meubels zijn de meeste appartementen erg kaal. Aan de muur hangt een portret van Xi, een ‘dankbaarheidsvlag’ en een poster met het ‘beleid voor arme gezinnen’. En het is er ijzig koud: zoals gebruikelijk in Zuid-China is er geen verwarming. De inwoners zitten in dikke winterjassen rond een elektrisch kacheltje. Voor Aniu maakt dat niet uit. “Dit huis is beter dan in het dorp”, zegt hij. “Dat ziet iedereen.”

Hij heeft maar één probleem: er is amper werk in Zhaojue. Er zijn wat overheidsbaantjes en onderbetaalde jobs in de horeca, maar geen fabrieken, waar de laagopgeleide dorpelingen het makkelijkst terechtkunnen. Vooraf was gezegd dat er industrieterreinen naast de nieuwbouwwijken zouden komen, maar die bleven uit. En wat Aniu vooraf niet besefte, is dat hij in de stad flink hogere kosten heeft.

Omdat hij in de stad geen werk vindt, keert Aniu terug naar zijn dorp. In zijn lemen huis, gebouwd zoals het al eeuwen gebeurt, zijn weinig moderne spullen te vinden. Beeld Leen Vervaeke
Omdat hij in de stad geen werk vindt, keert Aniu terug naar zijn dorp. In zijn lemen huis, gebouwd zoals het al eeuwen gebeurt, zijn weinig moderne spullen te vinden.Beeld Leen Vervaeke

“Een huis in de stad is veel stress als je geen baan hebt”, zegt hij. “In de stad geef je minstens 100 renminbi (12 euro) per dag uit, hoe zuinig je ook leeft. Je moet voor elektriciteit betalen, je moet eten kopen, je moet zelfs voor water betalen. In het dorp komt dat gewoon gratis uit de grond.”

Het blijkt het grootste euvel van de hervestiging. De dorpelingen krijgen wel betere huisvesting, maar niet noodzakelijk een beter inkomen. Volgens een recente studie van de Chinese Academy of Sciences komt 60 procent van de verplaatste dorpelingen niet boven de armoedegrens. Sommigen hebben schulden gemaakt om de 1.200 euro voor hun woning neer te tellen, of kunnen de kosten van het stadsleven niet aan. Zij blijven sterk afhankelijk van overheidssteun.

Aniu heeft een drastische beslissing genomen, net als veel van zijn dorpsgenoten: hij is naar Atulie’er teruggekeerd, om op zijn akker te werken. Zo kan hij zijn gezin tenminste te eten geven. Zijn vrouw woont met de kinderen in de stad, want die moeten naar school. Wat hij daarvan vindt? Hij aarzelt, hij wil niet ondankbaar klinken, en hij is oprecht blij met zijn huis. “Maar een baan was misschien beter geweest”, zegt hij uiteindelijk. “Dat had me meer stabiliteit gegeven.”

Het is een ontnuchterende vaststelling. Zij die in Atulie’er moeten blijven, willen weg. En zij die uit Atulie’er weg moesten, keren terug. Maar ze delen allemaal dezelfde gedachte: een huis in de stad is misschien niet makkelijk, maar het is goed voor de kinderen.

“De scholen in de stad zijn beter”, zegt Rifu (25), die met zijn vrouw, drie kinderen en jongere broer een appartement van 100 vierkante meter kreeg toegewezen, maar het merendeel van zijn tijd in het dorp doorbrengt. “Het belangrijkste is dat mijn kinderen hard studeren. Als ze slechte punten halen, zullen ze hetzelfde leven hebben als wij. Maar als ze goede punten halen, kunnen ze aan de bergen ontsnappen.”

Zoals veel dorpelingen heeft Rifu zijn school niet afgemaakt. Hij haalde goede punten, en hij droomde ervan aan een universiteit te studeren. Maar toen zijn moeder, die als weduwe voor vijf kinderen zorgde, op zijn zestiende stierf, moest hij van school af om voor zijn broers en zussen te zorgen. Atulie’er telt een rijke collectie aan zulke ge­fnuikte schoolcarrières.

Voor de kinderen in de stad wordt studeren nu makkelijker. “In de stad heb ik meer tijd om te studeren”, zegt Youxi, een 16-jarige nichtje van Rifu dat net aan de middelbare school is begonnen, met drie jaar vertraging. “In het dorp moet je hout sprokkelen om te koken, alles vraagt veel tijd. Toen ik klein was, studeerden we bij kaarslicht. Hier heb ik mijn eigen slaapkamer en is er altijd elektriciteit.’

Buiten zitten oude mannen gehurkt onder hun wollen cape, zoals wanneer ze geiten hoeden. Het dorpsleven is mee naar de stad verhuisd. Beeld Leen Vervaeke
Buiten zitten oude mannen gehurkt onder hun wollen cape, zoals wanneer ze geiten hoeden. Het dorpsleven is mee naar de stad verhuisd.Beeld Leen Vervaeke

Maar ook dat onderwijs is niet onbesproken, want het is ingebed in de alsmaar sterkere Chinese assimilatiepolitiek. De Yi spreken thuis Nuosu, dat een eigen alfabet heeft, maar het onderwijs vindt plaats in het Mandarijn. Pas vanaf het vijfde leerjaar krijgen leerlingen les in het Nuosu, een uur of twee per week. De lessen worden ook flink doorspekt met propaganda. “Ik moet hard studeren om ambtenaar te worden en mijn land terug te betalen”, zegt Youxi, zo’n typisch ingelepeld zinnetje.

Minderheden assimileren

Ook al liggen de scholen vlak bij de nieuwe huizen, doordeweeks moeten middelbare scholieren op internaat, officieel om hun ouders te ontlasten tijdens hun zoektocht naar een nieuwe baan. Maar een voltijds verblijf in een staatsinstelling is ook de snelste manier om kinderen van minderheden te assimileren. Een van de officiële doeleinden van de armoedebestrijding is om ‘slechte gewoontes’ van de Yi uit te drijven, zoals de hoge bruidsschatten en dierenoffers op begrafenissen.

Voor veel dorpelingen voelt het dubbel. Hun kinderen hebben Mandarijn nodig voor een betere toekomst, maar ze willen niet dat ze hun moedertaal vergeten, wat nu al bij andere minderheden gebeurt. En ze vinden sommige Yi-tradities zelf ook achterhaald – de bruidsschatten zijn belachelijk hoog aan het worden – maar tegelijk zijn ze trots op hun cultuur. De traditionele kleren, met tulbanden in kleuren die leeftijd, rang en stand aangeven, worden nog volop gedragen.

Het is een pijnlijke vaststelling voor de Yi: met de hulp van de CCP komt onvermijdelijk ook meer controle en verlies aan autonomie. “Vroeger hadden we meer vrijheid”, erkent Rifu. “Nu heeft de overheid de touwtjes stevig in handen, in heel China, ook bij de minderheden. China is het rijk van de CCP geworden. Als de CCP iets zegt, dan is het zo, wat je er ook van vindt. Maar weet je, ik heb daar niet zoveel problemen mee. Al bij al zijn we er beter van geworden.”

Karlach denkt er meer tegenstand zal komen. “In de hele geschiedenis van Liangshan heeft de staat nooit eerder zo veel controle gehad. Ik denk dat dat voor spanningen gaat zorgen. De Yi zijn altijd wantrouwig geweest tegenover buitenstaanders op het land van hun voorouders. Je ziet het nu al gebeuren. Recent was er een conflict omdat in een dorp een heilig bos was gekapt voor de aanleg van een skipiste. Als er meer buitenstaanders komen, dan zal het vaker botsen.”

Zo uitgesproken zul je het de dorpelingen niet horen zeggen. Maar waar hun hart ligt, wordt duidelijk als ze over het traditionele Nieuwjaar van de Yi praten, dat net is gevierd. “In het dorp gaat iedereen dan bij elkaar op bezoek”, zegt Rifu. “De ouderen zingen liederen in het Nuosu, over de goede dingen des levens. In de stad doen we dat niet, daar kennen we onze buren niet. Een huis in de stad is goed, maar het leven in mijn geboortedorp is beter. Ik ben er opgegroeid, ik ben er thuis.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234