Zondag 17/01/2021

De koningin moet herkenbaar zijn

Vandaag beginnen in Parijs de haute couture-shows voor de zomer van 2000. Behalve op aandacht in de pers rekenen de couturiers vooral op bestellingen van adellijke families, waar hopelijk een grote trouwpartij op stapel staat. Want kleren maken voor een lid van een koninklijke familie is zowat het beste wat een couturier kan overkomen.

Kleren mogen maken voor prinsessen of koninginnen, het is wat Michelin-sterren zijn voor een kok. Vraag het maar aan Edouard Vermeulen van Natan, die de bruidsjurk voor prinses Mathilde mocht maken. Eind november, nadat het nieuws over de trouwjapon bekend was geraakt, had hij nog nauwelijks een feestgewaad in zijn winkel hangen. Plots wilde iedereen bij Natan zijn. Ook Olivier Strelli werd er niet slechter van toen koningin Paola een gele mantel van hem droeg bij de troonsbestijging van Albert II (hoewel Strelli nog iets opgetogener was toen Mick Jagger hem met zijn klandizie vereerde). Koningin Fabiola droeg bij haar huwelijk een bruidsjapon van haar landgenoot Balenciaga, koningin Paola gaat vaak gekleed in creaties van Giorgio Armani. De Nederlandse koningin Beatrix is al sinds 1965 klant bij Theresia Vreugdenhil, een nobele onbekende en hoogst discrete dame, maar een belangrijke figuur in het openbare leven van Beatrix. De Nederlandse journaliste Diewke Grijpma heeft het erover in haar boek 'Kleren voor de elite'. Ze wist stap voor stap het vertrouwen te winnen van de gereserveerde mevrouw Vreugdenhil, en dat is het eerste draadje geworden van een heel verhaal over de Nederlandse couture. En al is die van weinig betekenis buiten de landsgrenzen, toch is het toch een lezenwaardig boek geworden, al was het maar om de parallellen en de anekdotes.

Beatrix is hondstrouw aan Vreugdenhil. Geen enkele andere Nederlandse couturier heeft ooit iets voor haar mogen maken - op enkele hoeden na - en ze is ook nooit ingegaan op uitnodigingen voor defilés. Dat heeft een aantal van de andere Nederlandse couturiers flink dwars gezeten. Met name de in 1997 overleden Frank Govers, die ook in ons land enige bekendheid genoot, raakte er stilaan door geobsedeerd. Hij was dan ook niet zuinig met zijn kritiek op de verschijning van de koningin. In een televisie-interview zei hij eens dat het net was of je een oude Burda opensloeg als je haar garderobe bekeek. Nu zal ook niemand beweren dat Beatrix of de andere Nederlandse koninginnen en prinsessen een voortrekkersrol spelen in de modewereld. Maar dat is ook het laatste wat ze willen. Koninginnekleren, zegt Grijpma, zijn een soort toneelkostuums. Ze moeten de draagsters helpen hun rol te vervullen en de toeschouwers laten geloven in wat ze zien.

De verantwoordelijkheid van Theresia Vreugdenhil is dan ook niet gering. Zij moet er immers voor zorgen dat koningin Beatrix overkomt bij het publiek, zoals ze dat zelf wil. Vroeger waren het de hofschilders en later de officiële portretfotografen die daar voor instonden. Maar vandaag, met een camera en een telelens op elke hoek, moet de koningin in alle omstandigheden 'koninklijke status' uitstralen. En dat is iets wat Beatrix erg ter harte neemt. Een te lichte jurk die bij het geringste briesje tegen haar billen zou plakken of een linnen pak dat na een half uur vol kreukels zit, dat kan bijvoorbeeld niet. Met een jurk voor een officiële gelegenheid onderzoekt Beatrix nauwgezet of ze er elegant en gemakkelijk het trapje van de koets mee op- en afkan. Voor plechtigheden zoals Prinsjesdag staat Beatrix erop dat de kleren die ze draagt haar duidelijk laten zien als een koningin. Ze houdt rekening met allerlei beleefdheidsregels en praktische details. Haar kleding is op effect berekend en er hoort altijd een hoed bij (behalve bij rampen en grote ongelukken, omdat ze er dan zonder hoed 'menselijker' uit ziet) Haar jassen zijn monumentaal, haar avondjaponnen hebben enorme mouwen en gigantische rokken. Bij bezoeken in het buitenland draagt ze als eerbetoon iets in de kleuren of de stof van het land en ze zorgt ervoor dat de kleur van haar kleding past bij de ordetekens of het lint van het land dat ze moet omdoen. Hoewel schoudervullingen al een poosje passé zijn, is Beatrix er nooit van willen afstappen. In de jaren tachtig ontdekte ze dat die hoekige schouderlijn haar heupen smaller doet lijken en sindsdien, zegt Grijpma, wil ze niet meer van die power dressing af. Een ander kenmerk van haar representatiekleding - maar dat is bij koninginnen wel vaker het geval - is dat ze vaak in één enkele opvallende kleur is uitgevoerd. Een mooi voorbeeld daarvan zagen we op het huwelijk van Filip en Mathilde bij de Japanse kroonprinses, die van kop tot teen in een hevig koningsblauw was gestoken.

Een illustratie van de grondigheid waarmee de Nederlandse koningin haar uiterlijke verschijning aanpakt, is de totstandkoming van de japon voor haar troonsbestijging. Beatrix wou vooral dat de mouw mooi zou vallen als ze haar rechterhand opstak voor de eedaflegging. Als voorbeeld nam ze een zestiende-eeuws portret. Dat nam ze mee naar Vreugdenhil. Die ontwierp een jurk in prinseslijn, met heel bijzondere, dubbele mouwen, en gemaakt van crêpe in dezelfde kleur als het hermelijn van de koningsmantel. Aan die koningsmantel zit overigens ook een kleine 'scoop' vast. Dieuwke Grijpma onthult in dit boek dat, in tegenstelling tot wat algemeen werd gedacht, de mantel die Beatrix bij haar installatie droeg, niét dezelfde was als die welke om de schouders had gezeten van Willem I, Willem II, Willem III, Wilhelmina en Juliana. 'Uit een zeer betrouwbare bron die anoniem wenst te blijven' vernam Grijpma dat in 1948 een nieuwe koningsmantel is gemaakt door Erwin Dolder, die ook de troonsbestijgingsjapon van koningin Juliana had gemaakt. De oude koningsmantel was volgens hem te versleten, hij haalde de 83 gouden leeuwtjes eraf en bevestigde die op een nieuwe mantel van fluweel die wederom met hermelijn werd gevoerd. Dolder stelde Juliana voor een voldongen feit door haar pas vlak voor de plechtigheid te vertellen dat hij een nieuwe mantel had gemaakt. Juliana wilde niet dat dit bekend raakte en ze liet Dolder beloven dat hij het aan niemand zou vertellen. Zo geschiedde. Wat er met de oorspronkelijke koningsmantel is gebeurd, is nooit duidelijk geworden.

Koningin Juliana was veel eenvoudiger in haar smaak dan haar regerende dochter. De zuinigheid van de Oranjekoninginnen is overigens legendarisch en in de pers werd er wel eens schande over gesproken dat de koningin twee maal met dezelfde of met een vermaakte japon in het openbaar verscheen. Eén couturier is aan die zuinigheid letterlijk ten gronde gegaan. Joan Pretorius had als klanten koningin Wilhelmina, koningin-moeder Emma en prinses Juliana. Hij was gespecialiseerd in receptie- en avondkleding. Maar toen koningin Wilhelmina in verband met de economische crisis alle ontvangsten op het paleis afschafte, betekende dat meteen het einde van Pretorius' carrière.

Juliana's dagkleren werden geleverd door verschillende couturehuizen die Franse modellen namaakten op maat van hun klant. Dat was lange tijd de gewoonte, ook bij Belgische couturehuizen. Men ging naar Parijs, betaalde een 'droit de regarde' voor de modeshows en kocht dan van enkele modellen het patroon. De klanten konden dan een Parijs' model op maat laten maken in ateliers in Brussel, Amsterdam of Berlijn. In de loop van haar onderzoek stelde Grijpma met verbazing vast hoezeer de Nederlandse couturiers zich altijd door Parijs hebben laten leiden onder het motto 'beter goed gejat dan slecht ontworpen'. De standaardgrap op het atelier van Edgar Vos was bijvoorbeeld: 'Neen, Edgar kan vandaag niet ontwerpen, de nieuwe modebladen zijn er nog niet'.

Toch slaagde in de jaren vijftig een Nederlander erin om in Parijs zijn eigen couturehuis te openen. Charles Montaigne mocht dan geboren zijn als Karel Meuwise, hij kon gaan werken bij Madeleine Vionnet, een van de belangrijkste couturiers van de eeuw, en begon, toen zij er in 1939 mee stopte, zijn eigen couturehuis. Hij was de eerste couturier die van zijn modellen knippatronen liet maken die iedere vrouw met een beetje handige vingers kon namaken. Die patronen werden destijds ook in België verkocht.

Maar Montaigne was een uitzondering. Het beeld dat Grijpma op zakelijke manier van de meeste andere mannelijke - homofiele - couturiers schetst, is redelijk ontluisterend. Zij blijken vooral erg goed te zijn in het vleien van klanten en verkopen van zichzelf, terwijl de naaisters en ontwerpsters eerder gedegen techniciennes zijn met een passie voor het vak, maar met weinig talent voor public relations en daardoor meestal ook met weinig geld.

Hoe het komt dat vooral homo's zich kort na de Tweede Wereldoorlog met couture gingen bezighouden? Decor- en kostuumontwerper Johan Greter: "Er was na die jaren van schaarste en schraalheid zo'n grote behoefte aan mode, dat ook homo's hun creativiteit op dat terrein konden ontplooien. Het gold in homokringen als heel intellectueel om met mode bezig te zijn." Helaas (vooral voor de naaisters en coupeuses die voor hen werkten) blijkt dat die heren dan wel een goede (en dure) smaak hadden, maar veel minder vlot met geld overweg konden - of liever, ze hadden er absoluut geen oog voor en gooiden het door deuren en vensters. Met name Max Heymans ( gestorven in 1997) had een groot gat in zijn hand en hoewel coupeuses soms gratis voor hem werkten, kon hij het hoofd niet boven water houden. Heymans was ook een van die couturiers die elk seizoen in Parijs zijn ogen de kost ging geven. Hij hoorde modejournalisten uit over wat ze overal hadden gezien en plaatste bij terugkeer een bordje in zijn vitrine 'retour de Paris' . Zijn salon stroomde vol. In het boek vertelt zo'n coupeuse, die jarenlang gratis voor Heymans werkte, omdat het haar de status verleende die ze in de confectie niet had: "Door voor Heymans te werken kwam ik erachter dat het allemaal blabla is. De couture is één grote zeepbel. Ik heb in de confectie meer vakkennis gezien dan bij Heymans." Dat van die zeepbel geeft Grijpma en passant ook mee over het momenteel zo gehypte duo Viktor en Rolf: 'De Chambre Syndicale de la Haute Couture française nodigt tegenwoordig zelfs ontwerpers uit die helemaal niets willen verkopen - geen kleren en geen andere producten - om een show te geven. Tot die categorie behoort het Nederlandse ontwerpersduo Viktor en Rolf. In 1992 afgestudeerd aan de Arnhemse academie showen (ze) kleren om zichzelf aan de man te brengen."

Is couture dan echt alleen een zeepbel? De klanten denken er niet zo over. Mies Bouwman begon couture te dragen in 1969, het eerste jaar dat ze het televisieprogramma 'Eén van de acht' presenteerde. Ze vond het fantastisch, zegt ze, om couture te dragen, die mooie stoffen en zijden voeringen te voelen: "Als je eraan begint, ben je verkocht." Andere vrouwen geven als reden op dat ze couture dragen om niet het risico te lopen dat ze iemand ontmoeten met hetzelfde aan. Nog meer argumenten: confectie is te jong, couture kun je veel langer dragen of zelfs: 'van couturekleren krijg je een geluksgevoel'.

Een van de dames die Grijpma te woord stond kan zich sinds haar echtscheiding geen couture meer veroorloven: "Erg? Ach, als dat het ergste was. Het is fantastisch om couture te kunnen kopen, maar ik vind het ook een kick om voor een paar tientjes bij H&M iets te vinden waarvan mensen zeggen: 'He, wat leuk, waar heb je dat vandaan'."

Agnes Goyvaerts

Dieuwke Grijpma: Kleren voor de elite, Nederlandse couturiers en hun klanten 1882-2000. Uitg. Balans, Amsterdam, ong. 1000 frank

Nederlandse couturiers hebben zich altijd door Parijs laten leiden onder het motto 'beter goed gejat dan slecht ontworpen'.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234