Donderdag 17/10/2019

De kleine man maakte de VS groot

De historie van de VS wordt meestal beschreven aan de hand van generaals en presidenten. In zijn A People's History of the United States, nu in herziene uitgave, zet Howard Zinn de arbeiders, slaven, indianen en soldaten centraal. Of hoe juist de underdogs Amerika groot hebben gemaakt.

Het gebeurt maar heel zelden dat er van een geschiedenisboek meer dan 2 miljoen exemplaren verkocht worden. Howard Zinn (1922-2010) presteerde het met zijn A People's History of the Unites States. De klassieker, die in 1980 verscheen en later aangevuld werd, gaat nog steeds vlot over de toonbank. De verkiezing van president Donald Trump zorgde voor een nieuwe verkoopstijging. Men kijkt naar het verleden om het heden te begrijpen. Voor EPO is het dus een goed moment om Zinns magnum opus in het Nederlands heruit te geven.

In EPO's uitgave heet het boek Geschiedenis van het Amerikaanse volk, wat me een slechte vertaling lijkt. Nog afgezien van het feit dat Amerika en de VS niet hetzelfde zijn - tenzij men de rest van het continent als de achtertuin van Washington beschouwt - lijkt de term 'het Amerikaanse volk' hier misplaatst. Want Zinn benadrukt juist dat 'het Amerikaanse volk' met gemeenschappelijke nationale belangen niet bestaat, dat het 'een verzonnen identiteit' is, dat de rode draad door de geschiedenis van zijn land een radicale tegenstelling van belangen is, tussen de rijken en hun staat en de rest die wordt uitgebuit en tegen elkaar opgezet. Termen als 'het Amerikaanse volk', 'We, the people', dienen om dat te verdoezelen.

Wat Zinn met zijn People's History beoogde, was geschiedschrijving van onderuit. Vanuit het standpunt van de gewone mensen, de slaven, het werkvolk, de soldaten, de huisvrouwen, de pachters, in plaats van de presidenten, diplomaten en generaals centraal te stellen. Zoals Louis Paul Boon deed in zijn Geuzenboek.

Zinn was niet de eerste die de gevestigde geschiedschrijving op de helling zette. Hij putte gretig uit het werk van anderen. Maar hij leverde wel een indrukwekkende synthetische prestatie door zoveel research samen te brengen in een meeslepend, vijf eeuwen omvattend verhaal.

Natuurlijk kwamen er bakken kritiek. Men verweet Zinn dat hij bevooroordeeld was, niet objectief, eenzijdig, partijdig. In zijn nawoord repliceert Zinn dat objectieve geschiedschrijving niet bestaat. 'Ik begreep al snel dat een historicus (net als een journalist of iedereen die een verhaal vertelt) gedwongen was om uit een oneindig aantal feiten te kiezen. Wat te vermelden? Wat niet? Ik besefte dat het antwoord op die vragen onvermijdelijk, bewust of onbewust, de interesses van de historicus zou weerspiegelen (...) Achter elk feit dat wordt aangehaald, schuilt een oordeel. Het oordeel dat zich achter die keuze verschuilt, is dat het aangehaalde feit belangrijk is en dat andere feiten die onvermeld blijven niet belangrijk zijn.'

Scheepswerf

Zinn geeft toe dat hij partijdig is; dat zijn visie gekleurd werd door zijn eigen ervaringen. Hij groeide op in een immigrantengezin van arbeiders in New York, werkte op een scheepswerf en deed zijn militaire dienst tijdens WO II bij de VS-luchtmacht. Daarna studeerde hij geschiedenis.

Terwijl hij doceerde aan universiteiten in Atlanta en Boston, was hij actief betrokken bij de beweging voor zwarte burgerrechten en het protest tegen de oorlog in Vietnam. Vanuit die ervaringen koos hij voor een geschiedschrijving 'van onderuit' die resoluut partij kiest voor de onderdrukten. Over de kritiek daarop schrijft hij: 'Ik lig daar niet wakker van: de verpletterende berg geschiedenisboeken die de andere keuze maakten, kan echt wel wat tegengewicht gebruiken.'

Zinns voornaamste kritiek op de 'orthodoxe geschiedschrijving' is dat ze de geschiedenis beschrijft als het werk van 'grote mannen': de Founding Fathers die de republiek stichtten, Lincoln die de slaven bevrijdde, Roosevelt die de depressie en de nazi's overwon, enzovoort. Heldenverering die de burgers leert te vertrouwen in een 'redder in nood' om hun problemen op te lossen, die burgerschap reduceert tot 'om de vier jaar in een stemhokje een redder kiezen'.

Dat idee van 'redder in nood' zit volgens Zinn 'verankerd in de hele VS-cultuur. Men leert ons bewondering aan voor vedetten, leiders en experts in zowat alle domeinen.' Maar toch vooral in de politiek. De verkiezingscampagne van Donald Trump was erop gebaseerd.

Ondanks de kritiek wordt Zinns People's History vandaag gebruikt als studieboek op tal van Amerikaanse scholen en universiteiten. Ter rechterzijde worden nog steeds pogingen ondernomen om dat te verbieden, zoals dit jaar nog in Arkansas. Het voorstel werd niet aangenomen - en leverde het boek nog wat extra publiciteit op.

Geen verrassingen wat de teneur van Zinns verhaal betreft. Sinds Columbus in 1492 voet aan wal zette in wat voor hem de nieuwe wereld was tot vandaag, was en is winsthonger de drijfveer voor de ontwikkeling van wat nu de VS is. Racisme, nationalisme, imperialisme en oorlogszucht waren en zijn er onvermijdelijke bijproducten van.

Maar er is ook het vaak verzwegen verzet van the ordinary people, die in hun strijd om te overleven de kiemen dragen voor een nieuwe, menslievende maatschappij.

Onweerstaanbare details

De grote lijnen zijn bekend, maar dat betekent niet dat het verhaal vervelend is. Voorspelbaarheid is niet altijd een hinderpaal voor de lezer. Neem Stefan Hertmans' terecht bejubelde boek Oorlog en terpentijn: je weet op voorhand dat het hoofdpersonage gruwels zal doorstaan in de fabriek en aan het front. Wat het verhaal onweerstaanbaar maakt, zijn de details die het tot leven brengen. Details die een empathische band weven die de lezer niet loslaat.

Ook Zinn slaagt daarin, vooral in de eerste twee derden van zijn omvangrijke boek. Die bevatten genoeg materiaal voor een hele rits spannende films. Al in het eerste hoofdstuk, over de komst van de Europeanen, belanden we in een griezelfilm die je kippenvel bezorgt. Maar het is ook een aangrijpend drama, waarin een mooie, egalitaire beschaving meedogenloos wordt verpletterd door tomeloze bezitsdrang.

Zoals gezegd, het zijn de details die verbijsteren en ontroeren. De orthodoxe geschiedschrijving herleidde de geschiedenis van de VS volgens Zinn tot een geschiedenis van blanke mannen. Zinn daarentegen besteedt grote aandacht aan de rol van de oorspronkelijke bewoners (indianen), van de (als slaven geïmporteerde) zwarten, van vrouwen en immigranten.

Maar ook over het leven van de blanke kolonisten in de 17de en 18de eeuw vertelt hij boeiend. Al in het prille begin stond de winst centraal. Jamestown, de eerste kolonie, verging haast door hongersnood - om te overleven in een harde winter, aten de mensen letterlijk stront en lijken - omdat men liever winst- gevende tabak kweekte dan levensmiddelen.

Het was de periode waarin de landbouw op kapitalistische leest werd herschoeid, waardoor massa's mensen hun bestaansmiddelen verloren. Velen van hen werden naar het noorden verscheept als 'contractwerkers'. In EPO's vertaling worden die vaak 'bedienden' of 'dienstboden' genoemd, maar dat is enigszins misleidend. Feitelijk waren het tijdelijke slaven. Acht of negen jaar lang konden hun meesters hen behandelen en mishandelen naar goeddunken; daarna kregen ze een kleine som en konden ze pachter worden op het land dat de machtigen hadden ingepalmd. Zo ontstond een blank proletariaat dat het niet zoveel beter had dan de zwarte slaven. Blanke en zwarte armen leefden en werkten samen.

Volgens Zinn was de nachtmerrie van de elite dat de drie onderdrukte categorieën - de blanke proleten, de zwarte slaven en de indianen - samen in opstand zouden komen. De verstandhouding tussen die groepen was vaak goed; er was geen natuurlijk racisme. Dus moest het gekweekt worden. Een kloof van raciaal misprijzen was nodig om ze uiteen te houden. Interraciaal contact werd illegaal, onzindelijk en zondig.

Racisme als dominante ideologie verhief ook de arme blanken boven de andersgekleurden. Het gaf hen iets om trots op te zijn. Hun verzet tegen de afschaffing van de slavernij en later tegen gelijke rechten voor zwarten, kwam voort uit de angst om zélf onderaan de sociale ladder te belanden, met niemand die het nog slechter had. Politici hebben die angst handig uitgebuit, zoals Zinn illustreert. Hun argumenten doen vaak denken aan deze die Trump gebruikte in zijn campagne.

Een sprekend voorbeeld van zo'n politicus was Andrew Jackson, die president werd rond de tijd dat België onafhankelijk werd. Zijn portret prijkt nog steeds op de briefjes van 20 dollar. Net als Trump was Jackson schatrijk (hij bezat honderden slaven) en werd hij verkozen door zich voor te doen als de antipoliticus, de man van het volk die Washington eens zou schoonmaken. Net als Trump was hij gul met beloften die hij niet kon of wilde inlossen. Net als Trump gebruikte hij rassenhaat (in zijn geval gericht tegen de indianen) als verdeel- en heerstechniek. Zinns relaas over hoe Jackson de indianen beloog en bedroog, vermoordde en verjoeg, is hartbrekend.

Wobblie-power

Een ander verhaal dat een film waard is, gaat over de in 1905 gestichte vakbond IWW (Industrial Workers of the World). 'Vakbond' is eigenlijk niet het juiste woord, want de IWW verweet de andere vakbonden dat ze de arbeiders per vak verdeelden.

De Wobblies, zoals IWW'ers genoemd werden, waren voor één grote, zelfs wereldwijde arbeidersbond. Ze waren antinationalistisch, antiracistisch, antiseksistisch en vooral anti- kapitalistisch. Stakingen waren voor hen slechts 'oefeningen' voor de finale omverwerping van het kapitalisme. Het was een vakbond zonder bureaucratie, maar met kleurrijke leiders als Joe Hill en 'Big Bill' Haywood.

Het was een tijd van harde klasseconflicten. Van alle groepen was de IWW de meest strijdbare. Ze werd dan ook meedogenloos vervolgd. De Wobblies kregen spreekverbod, hoewel de grondwet het recht op vrije meningsuiting garandeert. Dat verbod lapten ze aan hun laars, wat tot massale arrestaties leidde. In Fresno puilde de gevangenis uit. In hun cellen zongen de Wobblies strijdliederen en gaven ze, door de tralies, toespraken voor het toegestroomde publiek. Toen ze weigerden daarmee op te houden, werd de brandweer ingezet. 'Krachtige waterstralen werden op de gevangenen gericht, maar die gebruikten hun matras als schild. De rust keerde pas weer toen het ijskoude water in de cellen op kniehoogte stond.'

De Wobblies zongen graag. Ze hadden vele strijdliedjes. Sommige, zoals Joe Hills 'Rebel Girl', werden later in het Nederlands vertaald door Vuile Mong en zijn Vieze Gasten.

Kinderkonvooien

In 1912 speelde de IWW een cruciale rol in een staking in Lawrence die zich uitbreidde naar alle textielfabrieken van de stad. Toen de eigenaars de stakers probeerden uit te hongeren, organiseerde de IWW 'kinderkonvooien': de kinderen van de stakers werden ondergebracht bij sym-pathisanten in Boston en New York. Dat werd verboden, zogezegd om de kinderen te beschermen. Toen de IWW toch een nieuw konvooi organiseerde, werd het in het treinstation door de politie uiteengeranseld, kinderen inbegrepen.

Pas tijdens WO II slaagde de overheid erin om de IWW, die tegen de oorlog gekant was, te isoleren. Op basis van valse beschuldigingen kregen de leiders lange celstraffen. De IWW bestaat nog steeds, maar haar glorietijd is allang voorbij.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de vele menselijke verhalen die dit boek bevolken. Maar naarmate we dichter bij het heden komen, verliest het relaas spankracht. Vooral in de later toegevoegde hoofdstukken, over de periode 1980-2005, vergeet Zinn een beetje zijn leitmotiv: hij heeft het vooral over de politici in Washington; de stemmen van het gewone volk komen veel minder aan bod. Als overzicht van de recente periode valt er bovendien wat op aan te merken. Elk Washingtonschandaal wordt uitgeplozen, maar belangrijke aspecten, zoals de digitale revolutie en de rol van de war on drugs als instrument om raciale verdeling te zaaien, ontsnappen aan Zinns aandacht.

Toch is dit boek een aanrader. Zoals David Van Reybroucks Congo, schildert het een minutieus portret van een land dat inzicht verschaft in de gebeurtenissen van vandaag. Zo helpt Zinns analyse van de specifieke historische vormen die racisme en nationalisme in de VS aannamen, begrijpen hoe een man als Trump er president kon worden. Ook illustreert zijn boek duidelijk dat het nu zo druk besproken fake news - nepnieuws om de politieke situatie te beinvloeden - allerminst een nieuw fenomeen is.

De EPO-uitgave bevat een interessant voorwoord van oud-VRT-journalist Johan Depoortere. De vertaling kan ik niet zonder meer prijzen. Ze is vlot leesbaar, maar de vertaler ver- oorloofde zich te veel vrijheid. Het is beter om, uit respect voor de auteur, dichter bij de originele tekst te blijven. De vertaler spande zich ook in om elke gedichtje of songfragment (er zijn er veel) in rijmend Nederlands om te zetten (zelfs als het niet rijmt in het Engels). Was dat nodig?

En er zijn fouten. De Secretary of State is niet de minister van Binnenlandse Zaken. East St. Louis is niet 'het oosten van St. Louis', maar een aparte stad. Ook is het moeilijk te begrijpen hoe, in een heruitgave, nog heel wat typfouten en mank vertaalde zinnen overeind blijven. Valt het geen redacteur op dat bijvoorbeeld de eerste zin van hoofdstuk 11, '1877 kondigde de 19de eeuw al aan', onzinnig is? In de oorspronkelijke tekst staat: 'In het jaar 1877 werden de signalen gegeven voor de rest van de eeuw' (mijn vertaling).

Maar dat zijn schoonheidsfoutjes die de leesbaarheid van dit boek niet wezenlijk ondergraven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234