Zondag 25/10/2020

De kleine koning van de cols

Het had een hommage moeten zijn, maar het draait stilaan uit op een begrafenis, en dan nog geen dure. Uitgerekend bij het zilveren jubileum van de Tour-zege van Lucien Van Impe draagt het peloton de bolletjestrui ten grave. Niemand heeft er interesse in, zo lijkt het. Terwijl zij er geen traan bij laten, blijft het publiek verweesd achter. Waar zijn de klimmers, vijfentwintig jaar na het geel van die lichte, die luimige en soms ook zo lepe Lucien?

Perpignan

Van onze verslaggever ter plaatse

Walter Pauli

Een aanfluiting was het, en zeker voor een klimtijdrit naar een Alpen-col. Meer dan een uur voor de favorieten zouden aankomen, bijna verscholen tussen bescheiden subtoppers van tweede of derde categorie, klauterde ineens de bolletjestrui naar Chamrousse. Doodmoe en druipend van het zweet hees Laurent Roux zich over de streep. Een rochel, uithijgen, een slap handje naar het applaudisserende publiek. Roux had een 41ste tijd gereden, op 6:41 van Lance Armstrong. Voor een 'bergkoning', in een klimtijdrit.

Dat gesukkel duurt al van het begin van de Tour. Dat een niet-klimmer als Jacky Durand die trui tijdens de eerste ritten droeg, tot daar aan toe, dat hoort bij de folklore van de vlakke etappes. Dat ene Patrice Halgand de trui overnam en zijn positie in de Vogezen zelfs versterkte, was al een teken aan de wand. Dat uitgerekend op Alpe d'Huez, een col die symbool staat voor klimmers - en dan het liefst de stijlvolle en sierlijke variant -, een veredelde meeloper als Laurent Roux zich daarmee mag tooien, doet de deur dicht. Uitgerekend de genaamde Roux, wat meer doet denken aan een gebonden saus dan aan klimmers en cols.

Is het niet godgeklaagd dat figuranten en hun sportbestuurders met die trui lopen te leuren? Rond de bolletjestrui heerst in deze Tour nog geen 'ambiance' - en dat na de Alpen. Voor het groen vechten O'Grady en Zabel nog een pittig duel uit, naar de ooit zo prestigieuze trui van bergkoning kijken zelfs Kelme en Euskaltel niet om. Volgens hun merkwaardige Spaanse traditie zijn uitgerekend de twee teams die zich profileren als 'klimmersploegen' meer behept met winst in de ploegenrangschikking dan in het bergklassement.

En dat uitgerekend in een Ronde van Frankrijk waarin de renners over het algemeen veel beter en mooier bergop rijden dan een paar jaren terug. Armstrong en Ullrich zijn minstens zo goed in de cols dan de grote namen van de jaren negentig: Indurain, Rominger, Bugno ook. Dat was de tijd van de (te) grote molen bergop. Neem die prachtige garde rond Miguel Indurain. Een Pretoriaanse Wacht was het, getraind in het fnuiken van iedere opstand. Fiere, grote en sterke Spanjaarden, mannen van minstens een meter tachtig, heersersblik, gitzwart haar, prachtatleten - maar allemaal onderling inwisselbaar. Ooit waren ze de Guardia Civil van het peloton: Carmelo Miranda, Ramon Gonzalez-Arrieta, Vicente Aparicio, José-Vicente Garcia-Acosta... Hoewel ze de Tour een jaar of vijf onder de knoet hielden, doen hun namen geen belletje rinkelen, zelfs niet bij wielerfans. Ze imponeerden, maar ze maakten geen indruk. Ze klommen ook niet echt, al reden ze wel verduiveld hard de bergen op.

Sinds een paar jaar raakt het echte klimwerk terug in ere hersteld. Vergelijk de Armstrong- of Ullrich-expres maar eens met de Indurain-sneltrein. Jongens als Klöden, Livingston, Hamilton of Heras klimmen zoveel lichtvoetiger, leggen zoveel meer ritme in hun bergtempo dan hun voorgangers.

Maar wie kan klimmen - en dat kan het bovenstaande rijtje - is daarom nog geen klimmer, en dat verklaart misschien de desinteresse voor de bolletjestrui. Richard Virenque is bijvoorbeeld een veelvuldig winnaar van de bergprijs, maar geen echte klimmer. Hij hoorde meer bij de klimmertjes. Je vindt ze met handenvol in Spanje en Colombia, soms ook in Zwitserland en Italië, en ploegen als Kelme grossieren erin. Klimmertjes zijn goed voor bergjes. Dat betekent: alles tussen duizend en duizendvijfhonderd meter hoog, en één enkele keer wat hoger. Klimmertjes bepalen evenwel nooit een ronde: soms ritten winnen in de bergen, dat wel, maar nooit de echte rondewinnaars bedreigen. Virenque heeft dat ook nooit gekund, behalve even op het toppunt van zijn epo-tijd, en dan nog had hij geld nodig om Ullrich uit te kopen. Klimmertjes gaan evenwel altijd door de knieën op een reus van om en bij de tweeduizend meter. Dat is voor kampioenen, en klimmers.

Net zoals echte sprinters hebben klimmers iets wat andere renners ontbreekt. Wielrenners moeten uitmunten in kracht, uithouding, weerstand, karakter en koersdoorzicht. Sprinters en klimmers hebben daarbij een surplus. Sprinters beschikken over een instinct, klimmers over een Gave. Het eerste schrijf je zonder, het tweede mét hoofdletter.

Sprinters zijn er immers bij hopen. Ze komen bovendien het hele jaar door aan bod. Sprinters gaan al hun kans in februari, kunnen hun ding doen in een aantal klassiekers, krijgen nieuwe kansen in de rittenwedstrijden daarna, en mogen ten slotte naar hartelust duelleren in de eerste Tour-week, en dan nog eens op de Champs-Elysées. Echte klimmers zijn schaars, de dagen dat ze te bewonderen zijn nog meer. Van een echte klimmer kun je per jaar hooguit een week of drie genieten, en dan is het voorbij. In vergelijking daarmee duurt het asperge- of truffelseizoen een eeuwigheid.

Daarom ook dat de hele geschiedenis van het wielrennen hoogstens een stuk of tien echte klimmers kent, de vooroorlogse periode dan nog meegerekend. De na-oorlogse eregalerij beperkt zich tot Charly Gaul, Federico Bahamontes, José-Manuel Fuente, Lucho Herrera, Marco Pantani (hoewel die belast lijkt met alle erfzonden van zijn tijd) en Lucien Van Impe. Echt indrukwekkende erelijsten hebben ze niet, zeker niet in vergelijking met de echte groten: Bartali, Coppi, Bobet, Merckx... U kent dat klassieke lijstje wel. Maar klimmers danken hun magie aan het feit dat zij - en zij alleen - in staat zijn met hun talent de grootste kampioenen pijn te doen. Van Impe luidde hoogstpersoonlijk de doodsstrijd van Eddy Merckx in, in 1977 op de Col du Glandon. In de Giro was José-Manuel Fuente in een paar bergritten ooit meer dan vijf minuten op Merckx uitgelopen. Gaul en Bahamontes gaven Jacques Anquetil ervan langs, Lucho Herrera demarreerde op Alpe d'Huez in 1987 Stephen Roche uit het geel. Dat ze later in zo'n ronde (of in het geval van Van Impe: nog tijdens dezelfde rit) zelf een inzinking kregen, nam het publiek erbij. Het publiek heeft immers altijd het heilzame effect van klimmers erkent: de grote legendes al tijdens hun leven van hun voetstuk halen. Zij toonden het menselijke aan van Merckx, Hinault en Indurain. Dit grote drietal kwam op identiek terrein aan zijn einde: telkens in de cols. Maar hoe ontdekt een renner dat hij eigenlijk een klimmer is? Lucien Van Impe was beroepsrenner van 1969 tot 1987. Al die tijd waren Van Impes wieleractiviteiten in essentie tot de zomer beperkt. Hij piekte naar de cols, want daarin hoorde hij complexloos tot de besten. En omdat de Tour ook in de jaren zeventig een status had die alle klassiekers samen moeiteloos overtrof, volstond dat voor een mooi salaris.

Dat leerde Lucien Van Impe al als neoprof, in 1969. Ingroeibanen bestonden nog niet, amper een week na zijn profdebuut moest kleine Lucien met de grote jongens mee. En het baasje deed dat naar behoren. In de bergrit naar Chamonix werd hij zelfs derde, op anderhalve minuut van Roger Pingeon (de Tour-winnaar van 1967) en Eddy Merckx. In Parijs bezette hij uiteindelijk een twaalfde plaats. Stel je voor dat vandaag een Belgische neoprof die prestatie zou herhalen: de jongen zou binnen de kortste keren een vedette zijn, een jaarsalaris van meer dan tien miljoen frank opstrijken en begeerd worden door zowel Domo als Lotto, om van buitenlandse kapers maar te zwijgen.

Niet zo in dat jaar. In België heerste de Merckx-mania, zelfs de wielerpers schonk amper aandacht aan kleine Lucien. Vandaar dat Van Impe gedijde in een 'Franse' omgeving. Dus een Franse ploeg met Franse slag en een Frans programma. Dat betekent dat er eigenlijk maar één wedstrijd telt: de Tour de France. Zo wilde de sponsor het, zo zag Van Impe het graag.

Want Lucien Van Impe was dus een klimmer. Dat had in de bergen zijn voordelen, maar dat betekende ook dat hij moest leren omgaan met zijn beperkingen. Omdat klimmers vaak een 'kleine motor' hebben (de mechaniek gaat snel haperen bij aanhoudend hoog toerental), mogen ze per seizoen niet te veel wedstrijden betwisten. Prima, vond Lucien Van Impe.

En dan nog. Want hoe verliep zo'n Ronde à la Lucien? In de vlakke etappes (telkens een stuk of twaalf dagen) reed hij controlerend. In de tijdritten (gemiddeld drie dagen per Tour) probeerde Lucien Van Impe de schade te beperken. Pas in het hooggebergte (hoogstens vijf, zes dagen per Tour) haalde hij graag uit. En als hij één bergrit won, was het jaar eigenlijk al goed geweest, zeker als daar de titel van bergkoning bijkwam. En vaak lukte hem dat. Een week echt alles geven, om een jaar te kunnen leven. Een arbeidstempo waarvan velen dromen als fin de carrière, dat had Van Impe al voor zijn vijfentwintigste afgedwongen. Pas op zijn 36ste moest hij noodgedwongen (een Italiaanse sponsor) naar de Giro, en daar ontdekte hij tot zijn eigen verbazing dat hij ook op Italiaanse bergen klimmen kon.

Die beperking tot de Tour alleen maakt dat Lucien Van Impe in België een icoon was dat bij de zomer hoorde. Juli, warm weer, Tour de France op tv, Jan Wauters op de motor, en daar ineens ook Lucien Van Impe bij. Merckx was er natuurlijk het hele jaar door, Van Impe was een zomerse traktatie. Zijn persoonlijkheid paste perfect bij die zorgeloze tijd. Dat aimabel karakter, die pretoogjes, dat jongensachtige, dat innemende - zeker als dat kleine mannetje op een moeilijke col versnelde en zoveel sterkere kampioenen schijnbaar achteloos uit zijn wiel reed. Warm weer, limonade en likijsjes, en Lucien Van Impe op tv: zo'n zomers maken ze niet meer.

En de beste van al die zomers was meteen ook de warmste van de hele eeuw. Niet toevallig dat het Lucien Van Impe was die de Tour van 1976 won, net toen half West-Europa een hittegolf moest verwerken. Zoals verwacht - en zoals het eigenlijk hoorde - deed Van Impe dat in een bergrit, bijna de kopie trouwens van de rit die het peloton zaterdag moet afleggen. De startplaats is anders (nu Foix, toen Saint-Gaudens), en tussen de col de Peyresourde en de aankomst bovenop Plat d'Adet is er nog de col de Val Louret ingelast. Maar verder kunnen de renners zaterdag een hommage brengen aan de mooie en onverwachte raid van Lucien Van Impe, uitgedokterd door sportbestuurder Cyrille Guimard.

Misschien dat Van Impes prestatie van destijds de klimmertjes in het peloton van vandaag kan inspireren. Dat al die Kelmes en Euskaltels hun lichte brigade vooruit sturen, omhoog, dat ze Ullrich meepakken, of Beloki, en Armstrong laten counteren.

Dat ze, net zoals Van Impe destijds, van deze natte julimaand echt zomer maken. In de laatste Tour-week is het welgeteld één dag echt zonnig geweest: op Alpe d'Huez, toen Armstrong bijna zo goed klom als een echte klimmer zou doen. Hier, op de rustdag te Perpignan, tegen een achtergrond van verre Pyreneeën-toppen, dreigt al een etmaal lang een onweer, donker, klef en broeierig. Hopelijk barst het vanaf vrijdag los.

Sprinters beschikken over een instinct, klimmers over een Gave. Het eerste schrijf je zonder, het tweede mét hoofdletter

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234