Donderdag 22/10/2020

Essay

De kinderen die er niet kwamen: Marjolijn de Cocq schrijft over haar vier miskramen

'Henry Ford Hospital', een ‘pijnlijk zelfportret’ van Frida Kahlo, geschilderd na haar miskraam in 1932.Beeld Frida Kahlo

‘Ik hield al wel van je’, schrijft Marjolijn de Cocq in wat een babydagboek had moeten worden. Het werd een ‘dodekindertjesboek’, want De Cocq kreeg vier miskramen. Met haar zeer persoonlijke, aangrijpende boek hoopt ze dat ‘erover praten’ makkelijker wordt.

Ze ligt met haar onderlichaam schuin verdraaid op het kale ziekenhuisbed, haar buik nog bol, in een grote plas bloed. De Mexicaanse kunstenaar Frida Kahlo schilderde de miskraam die ze op 4 juli 1932 kreeg in het Henry Ford Hospital in Detroit. Rode draden in haar hand verbinden haar, als navelstrengen, met symbolen – de foetus van het zoontje dat ze zo graag had willen krijgen met Diego Rivera, de slak voor de lange duur van de bloeding, de orchidee voor haar baarmoeder.

Ik kende het schilderij niet, dat Henry Ford Hospital wordt genoemd of The Flying Bed – het hangt in het Museo Dolores Olmedo in Mexico-Stad. Ik wist ook niet van Kahlo’s miskraam; van het boek dat ik ooit over haar leven heb gelezen was me alleen bijgebleven dat ze geen kinderen kon krijgen omdat haar bekken bij een busongeluk verbrijzeld was geraakt.

Maar nu ben ik bewust op zoek naar alles wat ik over miskramen kon vinden, en zie ik dit pijnlijke zelfportret van Kahlo op mijn beeldscherm – onbarmhartig, in alle herkenbaarheid. Ik zie mezelf terug in míjn ziekenhuisbed, 15 jaar geleden. Drie weken was ik getrouwd, we hadden een prachtig feest gegeven, het nieuws dat ik zwanger was nog even voor ons gehouden. En toen ging het mis; de bloeding kwam met zoveel geweld dat ik voor een spoedcurettage in het ziekenhuis belandde.

Marjolijn De Cocq.Beeld rv/Sacha de Boer

‘Voor het nieuwe kleintje in mijn buik’, was ik op 24 augustus 2005 een nieuw dagboek begonnen. ‘We vertellen nog niemand iets van je, anders heeft iedereen het op de bruiloft alleen hierover. Maar het is wel leuk dat je er zo heel stiekem al bij bent op onze grote dag.’ Ik bewaarde het diep weggestopt in een kastje. Het is langwerpig, met een omslag van paars-rood textiel.

Ik heb er lang niet in durven lezen. Het is mijn ‘dodekindertjesboek’ geworden, zoals ik zelf op 13 januari 2006 schrijf. ‘Het is zo gemeen en het is zó droef.’ Die dag kreeg ik een echo, een vroege met acht weken, vanwege mijn eerdere miskraam. We kregen opnieuw slecht nieuws. ‘Alle hoop weg. Zes weken en zes dagen heeft dit kindje geleefd. Het ís er wel, het heeft een hoofdje en een staartje. Maar geen kloppend hartje.’

De kaft van het dagboek staat bol, er zit een koordje omheen. Als ik het open, vallen er echofoto’s uit, notitieblaadjes met spoednummers, kaartjes van vrienden. En een rekening, voor een ‘deelprest ver. Gyn. 0-14 wkn., totaal 100 eur. Opmerkingen: miskraam. Gaarne betaling binnen drie weken.’

Ik lees de boodschappen terug, kracht en liefs en knuffels en sterkte. Twee kaarten springen eruit. Een ervan, van een oudere vriendin, raakt me met terugwerkende kracht: ‘Wat een verdrietige boodschap,’ schrijft ze. ‘Zomaar ineens is dan al die nieuwe vreugde weg. Je lichaam voelt vast als een verrader.’ Zij dus ook, bedenk ik, want ze verwoordt het precies zoals het voelt. Het tweede kaartje: ‘Lieve Marjolijn en Wilco, alles sal reg kom!’ Nee, helemaal niet alles sal reg kom.

Het dagboek moet open, omdat ik heb besloten dat ik mijn verhaal naar buiten wil brengen. Niet omdat dat nou per se zo opmerkelijk is. Niet omdat ik wil grossieren in particulier leed. Maar omdat het staat voor iets veel groters. Taboe is misschien een groot woord, maar rondom miskramen heerst een groot, traditioneel en cultureel bepaald stilzwijgen.

Het ís ook geen fijn onderwerp. Mensen schrikken ervan als je vertelt dat je een miskraam, of zelfs twee, drie, vier miskramen, hebt gehad. Zeggen onbedoeld precies het verkeerde.

‘Het is beter zo, het kindje was vast niet goed geweest.’

‘Gauw weer opnieuw proberen.’

‘Mijn grootmoeder heeft wel acht miskramen gehad.’

‘Gelukkig was je nog niet zo lang zwanger, een vriendin van me moest met vijf maanden bevallen omdat haar baby niet levensvatbaar was.’

‘Mijn nicht had een doodgeboren kindje.’

‘Ik ken iemand die een collega had die een tweeling kreeg waarvan een van de kindjes vlak na de geboorte overleed.’

‘Het is de natuur.’

‘Je hebt tenminste al een kind.’

Geen miskraam is hetzelfde. Ieder ervaart zijn eigen leed. Hoe miskramen worden ervaren en benaderd verschilt ook per generatie. Maar dat ene, persoonlijke verhaal van mij gaat over heel veel vrouwen. En hun partners. Hun ouders en familie. Hun kinderen die er wel zijn. Het gaat over verlangen, verdriet, pijn, onbegrip, schuldgevoel. En over eenzaamheid die door naar buiten te treden hoop, al is het maar enigszins, te verlichten.

Schaal van leed

Het is een onderwerp waarover je lang niet hoorde te praten. Miskramen zijn immers op de schaal van leed te relativeren. Een doodgeboren kind, dát is pas erg. Bij een miskraam was het vruchtje in aanleg al niet goed. Dan heeft ‘de natuur haar werk gedaan’. Daarom ook die roemruchte ‘twaalfwekengrens’ Pas daarna ‘telt’ de zwangerschap, tot dan graag je mond houden.

Maar wat mij betreft is er genoeg gezwegen en geslikt en weggestopt en gerelativeerd. Nergens kan ik trouwens vinden wie die heeft bedacht, die twaalfwekengrens, wanneer die is ingesteld. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee: de eerste keer dat ik wist dat ik zwanger was, hadden we het meteen verteld. Met zes weken, mijn ouders kwamen langs om het te vieren – met een teddybeer die Pippeloentje zou gaan heten en lang dienst heeft gedaan.

Maar toen mijn tweede zwangerschap een miskraam werd, stortten mijn ouders en de andere familie en vrienden aan wie we het al hadden verteld mee in dat diepe dal, zo vlak na de hoge top van ons huwelijk. Bij de zwangerschappen die volgden hielden we ons dus wél aan die twaalfwekengrens – en verzwegen we de miskramen; we konden het verdriet van anderen er niet bij dragen.

Maar daarmee ontzegden we onszelf ook hun troost.

Heb je, zoals ik, uiteindelijk toch twee blakende kinderen gekregen, dan moet je al helemaal niet meer zeuren. Dan is het ‘allemaal goed afgelopen’ – en dat ís natuurlijk ook zo. Maar toen ik eens een opmerking naar mijn hoofd kreeg over ons ‘keurige’ standaardgezinnetje, moest ik mijn tong afbijten. Mán, je moet eens weten!

Erover praten doe ik in die jaren zelden. Mensen schrikken als ik het vertel. Ik wil ze hun ongemak besparen. Ik wil mezelf hun ongemak besparen. Maar er zijn vier kinderen niet. En ze zijn wel deel van mij.

Als ik 44 ben, laat ik een tatoeage zetten op mijn rechterschouder. Een Ganesha, de Indiase hindoegod van kennis en wijsheid met olifantenhoofd. Hij beschermt de schrijvende mens en de reizende mens, en hij kwam op mijn pad toen ik als jonge verslaggever in India de verkiezingen van 1999 versloeg.

De tatoeage is groot, hij piept boven mijn trui uit; als mensen ernaar vragen, lach ik het meestal weg: ‘Ja joh, midlifecrisis, hè?’ Maar aan wie oprechte interesse toont, vertel ik steeds vaker over de vier hartjes op zijn slurf. De tatoeage als het uiterlijke litteken dat ik kennelijk nodig had. Breekijzer tegen het stilzwijgen.

Op de fiets naar een curettage

Eerst kreeg ik een gezonde dochter. Toen twee miskramen. Toen een gezonde zoon. Daarna nog twee miskramen.

De eerste twee miskramen waren een groot drama waar ik mijn dodekindertjesboek over vol schrijf – de laatste twee gingen toch meer op in de druk van het dagelijks leven; een drukke baan, pendelen tussen Amsterdam en Den Haag, twee kleine kinderen.

En was ik toen niet ook routinier geworden, die laatste miskramen minder erg omdat ik ‘toch al’ twee kinderen had? Ja, in zoverre dat ik die laatste keer de gang naar het ziekenhuis voor een curettage alleen maakte, ik wist wat me te wachten stond en ging gewoon zelf op de fiets. (Achteraf geen goed idee.)

Nee, in zoverre dat ik mezelf nog terugzie, de dag erna. Op een stoepje tegenover een Vlaams friethuis, met een grote zak patat met mayonaise. Vette vulling, tegen het Grote Kale Eenzame Niets. Kaal, omdat er elke keer vanaf het moment dat ik wist dat ik zwanger was, een mensje in wording was waarop ik hoop, verlangen en liefde projecteerde. Eenzaam, omdat niemand iets aan me zag, omdat zelfs mijn man niet kon voelen wat ik voelde. Het vulde niet.

Feit: als de foetus voor zestien weken zwangerschap door het lichaam wordt afgestoten, is er sprake van een miskraam of ‘spontane abortus’. Feit: jaarlijks krijgen 11,5 op de duizend vrouwen in de leeftijd van 25 tot 44 jaar een miskraam. (Dit zijn de geregistreerde miskramen, dus hoeveel zijn het er dan echt?)

Mijn zoon wordt volgende maand 14; vier weken na mijn tweede miskraam was ik, onverwacht snel, zwanger van hem. Hij is me zo lief – had ik die twee miskramen niet gekregen, dan had ik déze zoon niet gehad. Ook al zo’n verwarrende gedachte, in het brede scala aan verwarrende gedachten en schuldgevoelens waarmee miskramen gepaard gaan.

Zoals het ‘wat als’. Dat denk ik telkens als ik in Amsterdam langs het hotel fiets waar we een nacht in de bruidssuite verbleven. Ik heb me ingehouden, op ons feest slechts een beetje hier en daar wat genipt. Maar in het hotel stonden aardbeien en Moët voor ons klaar – wat als ik gewoon helemaal géén champagne had gedronken?

Woedende hanenpoten

Het is niet dat ik nu nog elke dag bezig ben met de kinderen die er niet kwamen. Tijd heelt. Het leven gaat door. Onbarmhartig, zo voelde dat soms. ‘Een week geleden hadden we het net gehoord’, schrijf ik op 29 september 2005. ‘Vier weken geleden gingen we trouwen. Het lijkt of er eeuwen tussen zitten. Het is alsof er een scherm was opgetrokken tussen de wereld en mij. Je was een klein niksje, maar ik hield al wel van je.’

In de verstilde eerste maanden van de coronacrisis lees ik mijn jongere zelf, omdat mijn ‘dodekindertjesboek’ de wereld in gaat. Ik ontcijfer woedende hanenpoten. ‘Alles is zo fout! Maar het lijkt wel of iedereen vindt dat we nu weer normaal moeten gaan doen. Voor mij voelt het of ik nooit meer écht normaal kan doen.’ ‘Nu al ongesteld. Dáár zat ik op te wachten. Drankdrankdrank. Hoe hou ik dit uit? Niet!’

Model Chrissy Teigen deelde haar verdriet over haar ‘darkest of days’ op Instagram met een foto vanuit het ziekenhuis.Beeld CHRISSY TEIGEN via REUTERS

Ik lees ook over de achteloze opmerkingen van een gynaecoloog in opleiding, die het onzin vindt dat ik om een curettage vraag voor de tweede keer dat de foetus niet meer in leven blijkt. De natuur moet haar beloop hebben, zegt ze – maar die heb ik eerder gehoord en toen belandde ik ’s nachts alsnog met een onstuitbare bloeding in het ziekenhuis.

Ik dring aan. Er is geen plek in het ziekenhuis zelf, ze gaat rondbellen in de omgeving. ‘De ingreep gaat sneller dan de afspraak is gemaakt’, grapt ze. Op weg naar de operatiezaal huil ik. Nu is het de anesthesist die de lolbroek probeert uit te hangen, met de standaardgrap over mijn achternaam: ‘O, dus niét met cee-oo-cee-kaa?’ Hahaha.

Konkjoeteren

Een appje: ‘Mama, kan ik 1.250 euro van jullie lenen? Ik wil een computer laten bouwen.’ Een gevoelig, wijs jongetje was hij, met zijn afgeplakte luie oogje en zijn brilletje, zijn geheel eigen observaties – ‘Mama weet je... jij bent van hartjes gemaakt’ – en zijn uitgebreide verhandelingen over de bultrugwalvis of de races van Cars. Bang voor pauwen, meeuwen en duiven, maar onverslaanbaar als zijn alter ego Superpoes.

Nu is hij bijna veertien, heeft de baard in de keel. Wat hij ooit ‘konkjoeteren’ noemde, is een levensvervulling geworden. Hij doet een programmeeropleiding en livestreamt. Hij wil een computer laten bouwen. Knuffelen is verboden.

Van de zoon die in 2006 in mij groeit, durf ik lang niet te houden. ‘Geen greintje van de positieve naïviteit van mijn eerste zwangerschap’, schrijf ik. De wijze, oudere gynaecoloog bij wie we terechtkomen, belooft elke week een echo te maken tot zij zeker weet dat alles goed is. Het duurt lang voor ik haar kan geloven.

Na zijn geboorte wordt hij op een kussen gelegd, onder de warmhoudlamp. Het duurt lang voor we worden ontslagen, maar ik pak hem niet op. Ik laat hem liggen. In plaats van hem vast te houden en te koesteren, bestudeer ik hem als een vreemde. Ik voel me daar lang schuldig om, het voelt of ik hem in de steek heb gelaten – later kan ik hem bijna niet meer loslaten, zo bang ben ik dat hij me weer wordt afgenomen.

Het valt zelfs zijn ‘glote zus’ op dat hij een soort verlengstuk van mij is geworden. Als Wilco op een ochtend met de baby de trap afkomt, roept ze: ‘Mama, ppapa heeft bloertje afgepakt!’ Onze dochter kan de r nog niet zeggen. ‘Julkjes’ draagt ze, en zitten doe je op een ‘klukje’.

Chrissy Teigen

In de film Bridget Jones’s Baby (2016) doet Bridget Jones een zwangerschapstest, een vriendin/collega ziet de streepjes verschijnen. Dialoog:

‘I think this is when you’re meant to jump for joy.’

‘O my god.’

‘Oh my god, you’re pregnant.’

‘I’m pregnant?

‘You’re pregnant.’

‘I’m pregnant.’

‘You’re going to have a baby.’

‘I’m going to have a baby.’

Bridget Jones kreeg een baby. Want in romcoms gaat het nooit mis.

De afgelopen jaren waren het vooral lotgenoten met wie ik mijn ervaringen kon delen. Je voelt soms al snel: o, jij ook? Dat zijn de gesprekken waarin het niet gaat om relativeren en bagatelliseren – of overbieden.

Maar ik merk dat er geleidelijk meer openheid komt over de impact van miskramen op vrouwen, mannen, relaties, de omgeving. De tijd van ‘miskramen, sst, dat woord bestond niet, moeder heette dan even onwel’ (zoals Mensje van Keulen schrijft in haar verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen), is voorbij.

Frida Kahlo in haar deerniswekkende ziekenhuisbed was een vroege voorloper. Ze schreef ook over haar miskraam in brieven aan arts en vertrouwenspersoon Leo Eloesser. De brieven aan haar ‘querido doctorcito’ werden vijftig jaar na haar dood geopenbaard en in 2007 uitgegeven onder de titel My Beloved Doctor. ‘Ik had er zo naar uitgezien om een kleine Dieguito te krijgen dat ik heel veel heb gehuild,’ schrijft ze. ‘Maar het is voorbij en er is niets anders wat ik kan doen dan het te dragen.’

Maar ik merk dat er de afgelopen jaren, in kunst, boeken, films of series steeds meer miskramen voorkomen. Er is een roep om meer openheid over zwangerschapsverlies. Op 1 oktober deelde het Amerikaanse model Chrissy Teigen haar verdriet over wat ze haar ‘darkest of days’ noemde op Instagram met een foto vanuit het ziekenhuis #pregnancyloss.

Dat maakte internationaal veel los, al kwam ook het duistere groepje reaguurders in actie waar ik zelf met het delen van mijn verhaal ook best beducht op ben. Zo bericht ene ‘Joe El Cool’ Teigen: ‘1. Wie, bij zijn volle verstand, die dit doormaakt denkt dat het een goed idee is dit op sociale media te posten? 2. Wie denkt dat het een goed idee is hier een foto van te maken en die op sociale media te delen? 3. Wie neemt er in zijn verdriet de tijd voor dit te schrijven en posten?”

Ik schrik soms zelf, als ik tijdens een avondje netflixen met miskramen word geconfronteerd. In de serie Dead to Me met Christina Applegate en Linda Cardellini blijkt Cardellini’s personage Judy vijf miskramen te hebben gehad – het heeft haar ook haar relatie gekost. Phoebe Waller-Bridge verwerkte de miskraam van haar beste vriendin en auteur Elizabeth Day in de veelbekroonde serie Fleabag. Day heeft er ook over geschreven in haar boek Durf te falen (2019).

Naarmate er meer vrouwen hun verhaal doen, vinden die verhalen hun weg en weerklank. En dat voelt als (h)erkenning. Daarom sluit ik me aan bij de stemmen. Dat het over miskramen gaat, doorbreekt die eenzame stilte. Het geeft ze de plaats in het leven die ze helaas nou eenmaal hebben.

Marjolijn de Cocq, Maar ik hield al wel van je, De Bezige Bij, 126 p., 16,99 euro. Verschijnt op 13/10.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234