Maandag 06/12/2021

De keerzijde van het co-ouderschap

De Senaat behandelt een wetsontwerp dat van de gelijkmatig verdeelde huisvesting de 'norm' zou maken. Volgens Cathy Galle (DM, 23/5) zouden veel meer kinderen daardoor systematisch uitgroeien tot probleemkinderen en in instellingen terechtkomen. Niets is evenwel minder waar.

Als lid van de subcommissie Familierecht in de Kamer volgde ik samen met collega Martine Taelman de bespreking van dat wetsontwerp. Het klopt dat minister van Justitie Onkelinx aanvankelijk gelijkmatig verdeelde huisvesting als norm (= regel) in België wilde invoeren voor kinderen wier ouders niet meer samenwonen. Ze wou zo de procedures met betrekking tot de verblijfsregeling van kinderen meer voorspelbaar maken en zo ook beperken.

Daartegen werd gereageerd via een VLD-amendement, ondertekend door twee andere meerderheidspartijen. Daardoor wordt het systeem van de gelijkmatig verdeelde huisvesting wel in de wet opgenomen naast de bestaande regeling, maar de rechter heeft de volledige vrijheid om te beslissen welke regeling hij oplegt. Belangrijk is dat de rechter zijn beslissing goed motiveert ook als hij de gelijkmatig verdeelde huisvesting beveelt. Dat houdt een belangrijke wijziging in van de regeling voorgesteld door minister Onkelinx.

Het wetsontwerp moet eigenlijk als een verlengstuk gezien worden van de wetswijziging die in 1995 de "gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag" invoerde. Ook daartegen was aanvankelijk veel verzet in Vlaanderen. Nochtans heeft die wetswijziging ervoor gezorgd dat de meeste niet-samenwonende ouders het ouderlijke gezag over hun kinderen samen blijven uitoefenen. Het verblijf van de kinderen blijft evenwel het strijdpunt.

Het gerechtelijk landschap in België is op dat punt ook heel divers. Sommige rechters houden vast aan het klassieke systeem: de kinderen verblijven bij de moeder en één op de twee weekends bij de vader. Andere rechters spreken waar mogelijk wél het gelijk verdeeld verblijf uit. Uit de hoorzittingen in de subcommissie is gebleken dat sommige rechters zelfs weigeren akkoorden met betrekking tot gelijk verdeeld verblijf te homologeren.

Om dat te verhelpen, geeft het huidige wetsontwerp duidelijk het signaal dat er twee verblijfssystemen bestaan in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag: het gelijk verdeeld en het ongelijk verdeeld verblijf.

Cathy Galle somt in haar artikel een aantal negatieve ervaringen met gelijk verdeeld verblijf op. Daarnaast kunnen echter evenveel positieve verhalen worden verteld. Essentieel voor mij is dat de rechter een vraag tot gelijk verdeeld verblijf moet toetsen aan een aantal criteria, zoals: mogelijkheid tot dialoog tussen de ouders, betrokkenheid van de ouders, leeftijd van het kind, afstand tussen ouders, beschikbaarheid van de ouders...

Dat meer kinderen door die wetswijziging in harmonie met mama en papa mogen opgroeien hoop ik uit de grond van mijn hart.

Sabien Lahaye-Battheu, federaal volksvertegenwoordiger VLD

Kleuters

Ik las met aandacht het Standpunt van Yves Desmet van afgelopen zaterdag 20 mei. Ik kan er mij bij aansluiten dat de basis van een bepaald probleem in onze multiculturele samenleving, meer bepaald taalachterstand en bijgevolg leerachterstand van allochtonen, gezocht dient te worden vanaf de 'pamperleeftijd'. Daarmee denkt men echter doorgaans aan kleuters die vanaf 2,5 jaar naar school beginnen te gaan, en meer in het bijzonder allochtone kleuters die op die leeftijd amper Nederlands kennen.

Ik meen echter dat de oplossing van het taalprobleem niet bij de schoolleeftijd (2,5 jaar) gezocht dient te worden, maar wel veel vroeger, werkelijk vanaf de pamperleeftijd. Ik meen bovendien dat het taalprobleem van het kind niet toegeschreven kan worden aan 'Nederlandsonkundige moeders'. In veel allochtone families is het namelijk de 'traditie' dat kinderen jonger dan 2,5 jaar in het land van herkomst opgevoed worden door familieleden. De in België wonende ouders, die doorgaans wél Nederlands spreken, kunnen opvang in een crèche niet bekostigen en hebben zelf geen tijd om met hun kind thuis te zijn. Zodra het kind de leeftijd van 2,5 jaar heeft bereikt wordt het in het land van herkomst opgehaald en zowat van de ene op de andere dag in een 'nieuw' gezin (de 'moeder' is voor het kind natuurlijk de tante of de grootmoeder die hem/haar opvoedde, en niet de biologische moeder met wie hij/zij amper contact heeft gehad) ondergebracht en in een kleuterklas geplaatst met allemaal kinderen die een totaal vreemde taal spreken.

Mijn persoonlijke mening is dat de bron van bepaalde problemen zich dus elders situeert en dat het probleem niet zomaar opgelost kan worden door kleinere klasjes in te richten en meer leraars in te schakelen, maar wel door bijvoorbeeld te werken aan meer toegankelijke (betaalbare) vormen van kinderopvang tot de leeftijd van 2,5 jaar. Wanneer het allochtone kind van 2,5 jaar in een Belgisch klasje terechtkomt, is de schade misschien per definitie al onherstelbaar, niet alleen door het taalprobleem, maar ook, en niet het minst, door de abrupte wijziging van omgeving, cultuur, omringende personen dat het kind heeft moeten ondergaan. Wat bijvoorbeeld met het fenomeen 'hechting', waar men bij adoptie zoveel aandacht aan besteedt? Inderdaad, de persoonlijkheid wordt al op zeer jonge leeftijd gevormd, zoals u schrijft.

Gudrun Rawoens, Gent

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234