Zondag 16/05/2021

'De juiste lijn op de juiste plaats'

Laat in het gezelschap van Ever Meulen (°1946) en Joost Swarte (°1947) de naam Kuifje vallen en prompt zie je twee internationaal gerenommeerde artiesten tot jongens ontdooien. Aardige jongens, dat wel. Tijdens een - fors uitgelopen - dialoog bleek hun enthousiasme voor het werk van Hergé, die volgende week, op 22 mei, honderd jaar zou worden, dan ook zonder meer besmettelijk te zijn. 'Maar voor die Kuifjefilms zouden ze beter Dominique Deruddere vragen dan Spielberg.'

door Armand Plottier en Toon Horsten

Vlaming Eddy Vermeulen en Nederlander Joost Swarte hebben duidelijk de invloed ondergaan van de ligne claire, de geroemde tekenstijl van Hergé. Met dit verschil dat ze die lijn vooral hebben uitgezet in illustratiewerk. Het bekendst zijn de vele covers die ze afzonderlijk voor Humo maakten, maar ook buiten de lage landen wordt hun grafiek erg gesmaakt. Art Spiegelman vroeg hen bijvoorbeeld allebei voor The New Yorker. Swarte tekende bovendien onlangs het 'scenario' voor de binneninrichting van het toekomstige Musée Hergé.

Eddy Vermeulen, alias Ever Meulen, leerde "het fenomeen Hergé" kennen tijdens zijn prille jeugd in de dorpsschool van Kuurne, in de buurt van Kortrijk. "Uitzonderlijk voor de situatie toen was er in ons Sint-Pietersschooltje een schoolbibliotheek die het complete oeuvre van Hergé op de schappen had. Dat was opmerkelijk, strips werden indertijd als niet-educatief verketterd. Gelukkig hield de hoofdonderwijzer, Antoon Herman, van goede strips en Kuifje beantwoordde aan zijn strenge maatstaven. De verhalen waren aannemelijk, goed gedocumenteerd en op de actualiteit gebaseerd.

"Kuifje, het jongetje dat de hele wereld rondreisde, sprak mij van in den beginne heel sterk aan. De strip was oogstrelend mooi getekend en de kwaliteit van dat tekenwerk boeide mij meteen. Hergé tekende zo Belgisch, eigenlijk Brussels. Voor een jongetje dat, zoals ondergetekende, in een dorp woonde, waren Brussel, Quick en Flupke en de avonturen van Kuifje natuurlijk onversneden exotiek."

Joost Swarte: "Als kind van een jaar of zeven ging ik wel eens logeren bij familie in Antwerpen. Bij hen ontdekte ik een schat aan Suske en Wiskes, oude Seefhoekverhalen als Sus Antigoon. Een revelatie! Een jaar of drie later bracht mijn broer Rieks van vakantie de De krab met de gulden scharen mee. Dat boek heb ik letterlijk kapot gelezen. Zoals Eddy het treffend verwoordt, bood Kuifje je 'een kijk op de wereld' omdat Hergé zijn avonturen telkens in andere landen situeerde. Zijn hoofdpersonage zat niet gewoon thuis, neen, het ging om een reporter die de hele wereld rondreisde en lekker onafhankelijk was. Toen lazen we die boeken met het enthousiasme waarmee we nu films bekijken. De Kuifjes sloegen toen ook in als een bom. Ik herinner mij boekhandelaren die een nieuw verschenen album trots in de etalage legden en elke dag één bladzijde omsloegen. Op weg naar school konden de gretige fans telkens twee nieuwe pagina's lezen. Schitterende reclame!"

Wat maakte het werk van Hergé zo bijzonder?

Joost Swarte: "In feite waren de undergroundstrips van Robert Crumb en de Zap Comix een aanleiding voor mij om zelf te gaan tekenen. Die legendarische undergroundvrijheid leek mij uiterst aantrekkelijk. Het was collega Mark Smeets (1942-1999, tekenaar voor onder meer NRC Handelsblad, AP/TH) die de belangstelling voor Hergé weer deed ontwaken. Toen ik op twintigjarige leeftijd Hergé herontdekte, frappeerde mij vooral de vakkundigheid waarmee zijn verhalen in elkaar waren gezet. In het begin denk je nog dat het in zijn tekeningen zit, na verloop van tijd ontdek je dan dat het vooral om de sequenties, de volgorde, de cliffhangers op de pagina's draaide. Alleen al de manier waarop hij zijn figuren tot leven brengt, is van grote klasse. Uiteindelijk ging ik beseffen dat ik het vakmanschap van Hergé wel wilde nastreven, maar dan in combinatie met de vrijheid van de underground."

Ever Meulen: "Ook ik ben via de Amerikaanse undergroundtekenaars naar de strip teruggekeerd. Maar tijdens mijn opleiding op Sint Lucas - stripverhalen waren taboe op kunstacademies - leerde ik popartkunstenaars kennen als Roy Lichtenstein, Peter Blake en David Hockney, mensen die refereerden aan het stripverhaal en de popmuziek. Blake maakte de hoes van het Sergeant Pepper's-album van de Beatles. Als tekenaar wou ik dat ook en zo ben ik teruggekeerd naar mijn eigen grote jeugdliefde: strips van Hergé."

Hergé blonk vooral uit als verteller, maar uitgerekend zijn erfgenamen - jullie dus, maar ook Yves Chaland en Theo van den Boogaard - zijn allesbehalve vertellers. Jullie lijken vooral grafisch op de Brusselaar.

Joost Swarte: "In onze jeugd waren er geen opleidingen tot striptekenaar. Om het vak te leren moest je bestuderen hoe de besten het deden. Hen natekenen. Voor mij was Hergé ook in die zin belangrijk, wat niet uitsluit dat ik een tijd lang erg in de ban ben geweest van Krazy Kat (van George Herriman). Ook Winsor McCay (van Little Nemo), Will Eisner (The Spirit) of Robert Crumb stonden hoog op mijn voorkeurslijstje."

Ever Meulen: "Hergé tekende heel 'juist', hé. Mijn grote bewondering zat in zijn lijnvoering en dat is ook de reden waarom ik zelf altijd lineair ben blijven tekenen. Hergé had geen honderd lijnen nodig om iets te tekenen. Hij tekende de juiste lijn op de juiste plaats."

Joost Swarte: "Bij de aanvang van zijn carrière waren Hergés illustraties heus wel ingewikkeld. Zo gauw hij echter met Kuifje begon, met Kuifje in het land van de Sovjets (eerste album in 1930), zie je hem sober tekenen. Dat was zeker een bewuste keuze. Hergé moest immers iedere dag een aantal tekeningen kunnen maken die onmiddellijk de krant in moesten. Bovendien werden die op krantenpapier gepubliceerd en slecht gedrukt. Miskijk je daar dus niet op: in die periode kon hij al heel goed tekenen. Mijns inziens behoren albums als De blauwe lotus (1936) en De krab met de gulden scharen (1941) tot zijn sterkste werk. In die periode heeft hij het metier ontwikkeld. Daarna maakte hij een aantal verhalen die redelijk sober waren, maar die lezen als een speer: De geheimzinnige ster (1942), Het geheim van de eenhoorn (1942) en De schat van Scharlaken Rackham (1944). Later is hij steeds meer decor gaan toepassen en nam hij ook meer tijd om samen met assistenten als Edgar P. Jacobs en Bob de Moor zijn albums te maken."

Striptekenen is discipline, hoor je wel eens...

Ever Meulen: "En ik kon die discipline niet aan, tekenen mag geen dwangarbeid worden..."

Joost Swarte: "Ik heb wel strips getekend (onder meer de strip Katoen en Pinbal, AP/TH)."

Ever Meulen: "Jij kon functioneel werken, Joost. Duidelijk stellen: dit is het verhaal en dat moet worden verteld. Daar kon ik dus niet bij. Door mijn artistieke opleiding - onverenigbaar met discipline (lacht) - vond ik dat zoiets niet klopte. Ik had trouwens ook geen verhaal dat ik per se kwijt moest, maar wou vooral via de tekening vertellen."

Joost Swarte: "Ook het avontuur lonkte, ik wilde andere disciplines beoefenen, legde me toe op design- en architectuuropdrachten en maakte glasramen. Keer op keer klussen waarbij je 'avonturen' buiten de muren van het atelier beleven kon. Vier uur achter de tafel aan een strip werken? Als ik oud en grijs geworden ben, klinkt het misschien weer aanlokkelijk. (lacht)"

Meer nog dan discipline, het is tobben en vooral afzien.

Ever Meulen: "O ja zeker. (zucht diep) L'existentialisme! (imiteert de denker van Rodin en barst dan samen met Swarte in lachen uit)"

Joost Swarte: "Je leert wel economisch werken. Ooit maakte iemand mij een compliment over een prachtige Citroën DS die ik getekend had. Later merkte ik dat op de bewuste tekening enkel de neus van die prachtauto stond afgebeeld, de rest van de auto zat verborgen achter de rand van een kader. De mensen maken de tekening blijkbaar af in hun hoofd. En dat is heel prettig om vast te stellen."

Hergé was een conservatieve man en hij tekende ook conservatief.

Ever Meulen: "Ik heb het niet zo moeilijk met dat conservatisme van hem. Als je juist wilt tekenen, moet je dat volgens de regels doen en zo werkte Hergé. Een conservatief kiest namelijk voor de éne ware lijn. Een progressief zoekt en twijfelt - daarom is het werk van Franquin ook helemaal anders. Maar als ik nu een overzicht van Franquins werk zie, zoals op zijn expo in Brussel, moet ik toegeven dat ik eigenlijk het meest van zijn oude, meer gedisciplineerde werk hou. Discipline is een kwaliteit van tekenaars. (slaat voorzichtig op tafel) Geef mij maar goed en ernstig gemaakt tekenwerk. Maar humor niet vergeten natuurlijk. (lacht)"

Joost Swarte: "Als je iets wilt zeggen, moet je het goed zeggen. Stuur de mensen niet het bos in met allerlei lijnen. Werk educatief en helder."

Ever Meulen: "Communicatie was een grote gave van Hergé. De hele wereld begrijpt zijn tekeningen."

Hoe zit het met zijn erfenis? Is het jonge talent nog geïnteresseerd in Hergé?

Ever Meulen: "Ik vrees dat mijn studenten op Sint Lucas, die geen echte stripopleiding volgen, niet bijzonder Hergéminded zijn. Tekenen als Hergé is voor de meesten ook te moeilijk. Het ziet er eenvoudig uit, maar it's damn difficult. De nieuwe lichtingen leren tekenen met de computer. En ze vinden Hergé tot overmaat van ramp te braaf en ouderwets. (denkt na) Zal het fenomeen Kuifje blijven bestaan? Het simpele feit dat er geen nieuwe albums meer verschijnen doet de jonge reporter natuurlijk geen goed."

Joost Swarte: "Zoals Eddy opmerkte, blijft het oeuvre van Hergé definitief gesloten. De enige manier waarop je de albums in de aandacht kunt houden, is door aantrekkelijke afgeleide producten te creëren: musicals, films en natuurlijk binnenkort het Musée Hergé. Voor dat museum ben ik enkele jaren geleden als scenograaf aangetrokken. Ondertussen zijn wij al een heel eind opgeschoten. Mijn 'scenario' belandde in de handen van de Franse architect Christian de Portzamparc (bekend van onder meer de Cité de la Musique in Parijs, AP/TH). Rond het scenario heeft hij een gebouw getekend. En momenteel ben ik bezig met het inrichten van de permanente collectie. Behalve aan de vaste collectie zal het museum ook onderdak bieden aan tijdelijke tentoonstellingen, van tijdgenoten van Hergé, maar ook van jonge tekenaars. Zo hou je contact met het aanstormende talent."

Kun je Hergé wel een dienst bewijzen met een museum?

Joost Swarte: "Het zal duidelijk verschillen van de traditionele musea voor beeldende kunst. Om maar iets te verklappen: het zal zeker het voorbereidende werk van de tekenaar tonen. Het zal vooral de vraag beantwoorden hoe die illustere Kuifjeboeken tot stand kwamen. Echt, je kunt zoveel leren en daardoor respect krijgen voor die boeken, op voorwaarde dat je je niet beperkt tot het obligate hangen van platen aan museummuren. Liever zie ik Hergés tekeningen in vitrinekasten, dat maakt het contact intiemer. (zwijgt even) Denk bij het museum eerder aan een prentenkabinet."

Ever Meulen: "Het is ook belangrijk dat Hergés archief ontsloten wordt. Dat Brussel voor Louvain-la-Neuve de duimen moest leggen is een typisch Belgische grap. Enfin, een Brusselse eigenlijk, maar dat zou met huidig burgemeester Freddy Thielemans - een Kuifjefanaat - niet gebeurd zijn, denk ik."

Wat denken jullie van de ambitieuze plannen van Steven Spielberg en Peter Jackson om van Kuifje een filmheld te maken?

Ever Meulen: "Ik hou mijn hart vast: ik vrees dat de Amerikanen Kuifje gaan massacreren. Sowieso ben ik al geen fan van animatie, met uitzondering van The Simpsons. En met het werk van mijnheer Jackson heb ik helemaal geen affiniteit.

"De kwaliteiten van een goede tekening - de juiste kadrering, de juiste suggestie - verlies je toch zo gauw als je met bewegende beelden begint. De vorige Kuifjefilms, uit de jaren zestig en zeventig, waren in elk geval een ramp.

"Hollywood zou de Kuifjefilms aan Dominique Deruddere moeten toevertrouwen: hij zou alvast het typische karakter van onze Belgische held kunnen vrijwaren en toch een goeie en spectaculaire film maken, denk ik."

Joost Swarte: "De films van Spielberg en Jackson hebben niet tot doel om het werk van Hergé aan te vullen. Als professionals iets maken waardoor het werk van Hergé weer in de aandacht komt, kan ik dat alleen maar toejuichen."

Maak ons jaloers en vertel ons alles over jullie ontmoetingen met Georges Remi, oftewel Hergé.

Ever Meulen: "Wisten jullie dat hij nog in 'mijn' straat heeft gewoond? (lacht) Van 1936 tot 1939 - toen hij de Scepter van Ottokar tekende en De zwarte rotsen en vooral de verhalen van Jo en Suus, waar ik verzot op ben, een belangrijke periode dus - woonde hij op het Meiplein in een appartement waar ik nu elke dag voorbij 'mag' wandelen. (lacht) Daarna heb ik - het moet in 1977 geweest zijn, in het gezelschap van Joost - het Heilige der Heiligen, de studio, bezocht. Daarvan herinner ik mij vooral de twee bolhoeden en twee wandelstokken die ons aan de kapstok in de vestiaire hingen op te wachten.

"Voor het overige moet ik jullie ontgoochelen: tot een echt gesprek met Hergé is het nooit gekomen. Ik was te verlegen. En ik vreesde - ten onrechte zoals later bleek - dat hij enkel in het Frans zou converseren. Een gedachtenwisseling over zijn mooie Lancia Aurelia van toen - een auto die hij zelf bezat en waar we beiden dol op waren (zie ook De zaak Zonnebloem, AP/TH) - hing in de lucht, maar daar bleef het helaas bij. (lacht)

Joost Swarte: "Toen de Rotterdamse Kunststichting in 1977 de tentoonstelling Kuifje in Rotterdam organiseerde, werkte ik mee aan de totstandkoming van dat evenement. Meteen had ik een aanleiding om Hergé op te zoeken.

"In die periode was hij makkelijk benaderbaar, omdat hij niet meer zo hard werkte. Wij hebben een uur of vier op zijn kamer gezeten, met Bob De Moor erbij. En hij sprak een curieus soort Brussels-Vlaams... Hergé gedroeg zich als een aimabele man, hoor. Hij kende mijn werk. Van een tekening die ik voor de tentoonstelling had gemaakt, zei hij zelfs dat het 'goed gedaan' was. Wel vroeg hij mij om één detail aan te passen: ik mocht niet signeren met 'Hergé', wel met 'naar Hergé'. (lacht)"

Ever Meulen: "Wij ontmoetten indertijd een oude man, die eigenlijk ook onder vuur lag. In die periode begon bekend te raken dat hij voor de collaborerende krant Le Soir had gewerkt. Hij had daarbovenop door huwelijksproblemen met een depressie geworsteld. Al die verzuchtingen kwamen tijdens ons gesprek naar boven. Op de keper beschouwd zaten we tegenover een oude rechtse bourgeois. Ons respect was groot, maar tegelijkertijd eigenlijk een beetje passé. Ik herinner mij ook dat het eclatante succes van de Asterixstrips hem verontrustte en verbaasde. Hij vreesde echt voor de toekomst van zijn 'imperium'.

"Mocht hij nu nog leven, zou ik hem willen zeggen dat Kuifje veel beter was dan die dappere Galliër. Tijdens onze ontmoeting had ik hem dat op het hart moeten drukken, maar daar was ik te verlegen voor."

Overzichtstentoonstelling Chapîtres van Joost Swarte, tot 19 augustus in het Centre de la Gravure et de l'Image Imprimée, 10 rue des Amours, La Louvière, www.centredelagravure.be. Maandag wordt in Louvain-la-Neuve de eerste steen gelegd van het Musée Hergé.

Dit interview gebeurde in samenwerking met Stripgids en verschijnt begin juni in een uitgebreidere versie in het volgende nummer, gratis in stripspeciaalzaken en Antwerpse bibliotheken.

Ever Meulen:

Ik heb het niet zo moeilijk met het conservatisme van Hergé. Als je juist wilt tekenen, moet je dat volgens de regels doen en zo werkte hij

Joost Swarte:

In het begin denk je nog dat het in zijn tekeningen zit, na verloop van tijd ontdek je dan dat het vooral om de sequenties, de volgorde, de cliffhangers op de pagina's draaide

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234