Dinsdag 22/09/2020

'De inkt is mijn bloed'

Een tekst die met de hand geschreven is, staat veel dichter bij zijn maker. Ik schrijf met de pen, en op grote vellen. Op van die zakken van de bakker die je kunt openknippen

Jeroen Brouwers leest voor op De Avonden van de boekenbeurs.

2 november, 20 uur, Rode zaal, deSingel.

www.deavonden.org

Margot Vanderstraeten

las de Vlaamse literaire en culturele tijdschriften van het jaar en stelde een bloemlezing samen. Kurt Van Eeghem praat met haar over haar keuze.

3 november, 14 uur, Architectura links.

Gesprek met Jeroen Brouwers, al meer dan 40 jaar ten dienste van de literatuur

'Of ik een Nederlandse Vlaming of een Vlaamse Nederlander ben, die vraag interesseert me niet. Wat vaststaat, is dat geen Hollander zich zo uitputtend met de Vlaamse literatuur heeft bemoeid als ik.' Jeroen Brouwers, schrijver en bemoeial eerste klas, neemt de Prijs der Nederlandse Letteren niet in ontvangst.

Door Margot Vanderstraeten

Ere wie ere toekomt. Deze krant heeft het oeuvre van Jeroen Brouwers minstens eenmaal rechtstreeks beïnvloed. Op 10 februari 2007 prijkte op de cover van DMMagazine een vrouwenlichaam dat zich, aan de vooravond van Valentijn, als een verleidelijk boeket aan elke lezer en kijker uitreikte. De vrouw was naakt, haar lichaam met bloemen beschilderd. Brouwers, abonnee van deze krant, zag de foto en wist meteen dat het silhouet zijn bijna afgewerkte roman Datumloze dagen zou sieren. "Wat moeten we met dat blote wijf op de cover?", vroeg Emile Brugman zijn uitgever, "zij heeft toch niets met je boek te maken." Waarop Brouwers: "Wacht, wacht, ik schrijf haar erin." En zo komt het dus dat op pagina 144 van het pas verschenen Datumloze dagen - dat onder meer over de mislukte relatie tussen een vader en zijn stervende zoon gaat - deze passage zich aan de lezer ontvouwt. "Wat moet ik, miserabele, tegen de urn zeggen? Ik zal er een steen bij leggen, zoals men op de joodse begraafplaats een steen op de zerkplaat achterlaat, en mijn zoon toewensen dat hij in zijn slaap, op reis naar godweetwat, een eeuwig onbederfelijk mooie jonge vrouw ontmoet, wier geurige lichaam uit eeuwig frisse rode rozen bestaat, waarvan hij er mag plukken zoveel hij wil, de hele eeuwige eeuwigheid lang, zonder dat hij er genoeg van krijgt."

U gaat - maar wacht u toch nog enige decennia - de eeuwigheid in als gevierd schrijver. De eerste schrijver die de Prijs der Nederlandse Letterkunde heeft geweigerd.

"Ik ben blij met prijzen hoor. Vorige week kreeg ik van Zutendaal, waar ik woon, de Cultuurprijs. Daar ben ik zeer verrukt over, omdat het een prijs uit sympathie is. De Prijs der Nederlandse Letterkunde is dé literaire staatsprijs van Nederland en België, het is een soevereine prijs met een pretentieuze geschiedenis. Mocht er aan deze Parnassus altijd een bedrag van nul euro, franken of guldens vast hebben gehangen, dan zou ik hem aanvaard hebben. Maar dat is niet zo. Het is een grote prijs waar groot over gedaan wordt. Nou, dan mag er ook een groot bedrag aan vasthangen, en niet de aalmoes van vandaag. Maar blijkbaar ben ik de enige die de moed heeft om deze degradatie publiekelijk aan te kaarten. Van de vorige winnaars kon je dat niet verwachten: Harry Mulisch is miljonair, die heeft dat geld niet nodig. En Hella Haasse is een aardige vrouw die altijd vriendelijk is. Ach, het gaat hier niet om geld, en ik spreek niet voor mezelf; ik spreek in naam van de literatuur. Een schrijver heeft geen pensioen. Waarom denkt men daar, bij het toekennen van deze driejaarlijkse staatsprijs, die toch ook als een fin-de-carrièreprijs wordt beschouwd, niet eens heel eventjes bij na? Mag ik trouwens de opiniebijdrage van uw cultuurredacteur Jeroen de Preter rechtzetten? Hij schrijft dat ik een werkbeurs van 85.000 euro heb ontvangen. Het klopt dat ik enige jaren geleden drie projecten heb ingediend, en dat ik van het Nederlands Fonds voor de Letteren een subsidie heb gekregen. Maar dat geld staat niet, zoals hij doet uitschijnen, zomaar op mijn rekening. Het is 'een potje' waar elk jaar een deel van afgaat. Waarom krijg ik die subsidie? Omdat mijn inkomen onder de wettelijk bepaalde schijf ligt.

"Toen ik van de Taalunie, de organisator van de Prijs, de mededeling kreeg dat ik de winnaar was en dat ik, naast de eer en de handdruk van de koning, ook een bedragje van 16.000 euro zou ontvangen, heb ik een briefje gestuurd waarin ik heb geschreven dat ik dat bedrag voor een auteur met mijn staat van dienst van zulke vernederende aard vond dat ik geneigd zou kunnen zijn de prijs te weigeren. Ze wisten dus al heel lang dat ik een weigering in overweging nam. Vervolgens is er over mijn bezwaar vergaderd. Bert Anciaux is tijdens die vergadering, die in Den Haag plaatsvond, mijn advocaat geweest. Hij heeft me verdedigd; ook hij schaamt zich voor het bedrag dat amper 1.000 euro meer is dan het bedrag van de Nederlandse debutantenprijs, die nota bene jaarlijks wordt uitgereikt. Maar de bureaucratie bleek aan de winnende hand. Administratief, zo werd me verteld, is het onmogelijk om het geldbedrag voor dit jaar te verhogen. De volgende laureaat zou wel op een verhoging kunnen rekenen. Nu ja. Ik pieker er niet langer over."

U hebt in alle interviews die de afgelopen weken van u verschenen zijn, herhaaldelijk gezegd dat uw leven al meer dan veertig jaar ten dienste van de literatuur staat. U hebt niet alleen veel geschreven, maar ook veel gelezen. U kent de Vlaamse literatuur van binnen en buiten. Waarom hebt u onze taal- en literatuurgeschiedenis zo maniakaal doorwrocht?

"Omdat God zelf me gezegd heeft dat ik nog goed moest oefenen. Die God was Herman Teirlinck. Mijn aanbidding dateert van mijn jonge jeugdjaren: als zestienjarige was ik al koortsachtig verliefd op Teirlincks taal, ik kende hele passages uit mijn hoofd. Zinnen als guirlandes. En wat een prachtige woordkeus, vol beelden en metaforen. De grote spankracht in zijn verhalen.

"Ik herinner me onze ontmoeting nog als gisteren. Joris Ockeloen en het wachten, mijn debuut (1967), was al verschenen, en ook al volledig afgekraakt. De negatieve kritiek had mijn zelfvertrouwen lam gelegd. Het lukte me niet meer om woorden op papier te krijgen. Tot Teirlinck op een dag mijn kantoor bij uitgeverij Manteau binnenstapte (van 1964 tot 1976 werkte Brouwers als redactiesecretaris en later als (hoofd)redacteur van Manteau in Brussel, mvds); ik was juist de zetproeven van zijn Verzameld werk, deel 5 aan het nalezen. Teirlinck schudde me de hand. Daar was ik al danig van onder de indruk. En hij had mijn boekje bij zich. Daar moet ik nog steeds van bekomen. Op de koop toe bleek hij Joris Ockeloen en het wachten gelezen te hebben. God sprak: 'Daar zit iets in dat goed is, maar gij moet nog veel oefenen.'

"Ik heb Teirlincks aanmoediging ernstig genomen. Geen enkele Vlaming is sindsdien ongelezen aan me voorbijgegaan. Ik begon met Domien Sleeckx, Hendrik Conscience, Jan Renier Snieders; van hen schoot ik door naar Timmermans, Claes en anderen; ik boog me over Elsschot, Boon, Geeraerts, Ruyslinck, enzovoort. Van de huidige generatie Vlaamse schrijvers lees ik veel, maar niet langer alles. De noodzaak is er niet meer. Ik ben een ouwe hond die aan de deur van de winkel ligt, het hoofd vooruit, rustend op de mat. Ik houd de puppies scherp in de gaten, maar dat dartelen, dat hoeft niet meer. Al zal ik, uiteraard, brommen, grommen en bijten als anderen me te na komen.

"Er is geen Hollander die zich zo uitputtend bemoeid heeft met de Vlaamse literatuur en de Vlaamse taal als ik. Het zou interessant zijn om dat eens na te gaan, maar ik vraag me af of er een Vlaming bestaat die even sterk op de hoogte van de Nederlandse literatuur is als ik van de Vlaamse. Misschien in de academische wereld, maar daarbuiten?

"Het is voor mij niet meer dan vanzelfsprekend dat ik mij verdiep in het land waar ik, alle verblijven samengeteld, al ongeveer 25 jaar woon. Die verdieping is een vorm van galantheid. Ik word door Vlamingen ook meer bemind dan door Nederlanders. De aard van mijn karakter leunt meer bij hen aan. Of ik me herken in het zogenaamde minderwaardigheidscomplex van de Vlaming? Ik heb geen hoge dunk van mezelf, laat ik het zo zeggen."

U zegt, 'de noodzaak om de jonge generatie auteurs van heel nabij te volgen is er niet meer'. Waarom was die noodzaak er voordien wel?

"De kennis van de literatuurgeschiedenis is humus voor een schrijver. Pas als je veel leest, krijg je inzicht in hoe je zelf zou willen schrijven. Lezen is een essentieel onderdeel van het schrijversvak. Hoe meer je weet, hoe meer je durft. Als debutant had ik nooit, zoals ik in Datumloze dagen doe, zo snel van de ene associatie naar de andere durven te springen. De ik-persoon wandelt door het bos, en zijn gedachten schieten heen en weer. Het hele boek zou zich in een tiental seconden kunnen afspelen. Als beginneling was ik voorzichtiger. Dat heeft met zelfvertrouwen te maken, en met de beheersing van het vak.

"Nu, na veertig jaar, durf ik te zeggen dat ik het vak ken. Maar weten hoe het moet, is nog iets anders dan met routine schrijven. Routine is nooit aan de orde. Elk boek brengt je op wegen die je niet verwacht had. De pen gaat met je op de loop. Een voorbeeld? Datumloze dagen begint met de stilte in het bos. Ik vergelijk die stilte met de stilte in een ziekenhuis, als alle slangen en draden waarmee de patiënt verbonden is, ophouden met reutelen. Ik beschrijf de stilte aan de hand van stekkers die uit de contactdoos getrokken worden. Het is zeer merkwaardig, maar een schrijver kan iets schrijven zonder dat hij zich bewust is van wat hij nu precies schrijft. Ik herinner me nog dat ik me, toen ik die passage over dat ziekenhuis scheef, afvroeg: waarom schrijf ik dat hier, dat van die stekkers? En ook: kan ik er wel iets mee doen? Maar zo gaat het dus. Ik besloot het te laten staan. Omdat ik dacht dat die vergelijking nog wel een functie zou krijgen, later in het verhaal. En omdat ik ervan uitging dat ik, mocht die functie later niet blijken, die passages nog altijd gewoon kon schrappen. Het beeld van die doodse stilte is uit mijn pen gekropen nog voor ik wist dat mijn zoon zou sterven. En neen, voor ook jij begint: Datumloze dagen gaat niet over mij en mijn zoon; het overlijden van mijn zoon heeft de literaire machine aan het werken gezet. Alles in mijn leven vormt materie voor de literatuur, dus ook zijn dood. Autobiografische elementen zetten mij aan om fictie te schrijven. Zo is dat en niet anders. Een oeuvre staat nooit los van een schrijver. Ik ben zoals men mij leest. Maar ik ben niet alle ik-personen die men leest."

Teirlinck won 51 jaar geleden de Prijs der Nederlandse Letterkunde. U weigert een prijs die God won. U voelt zich beter dan God?

"Sodemieter toch op. Ik heb absoluut niet de pretentie om me aan Teirlinck te meten. Ik heb zelfs absoluut geen pretentie. Waarom zou ik? Om te schrijven heb je een bepaalde aanleg, een zeker talent nodig. Dat talent is mijn verdienste niet. Ik had even goed met een bochel geboren kunnen worden. Er is geen verschil: beide eigenschappen hebben een genetische verklaring. Uiteraard. De aanleg is niet voldoende om schrijver te worden. Je moet ook iets te vertellen hebben. Maar de techniek om iets te vertellen kun je leren. Via vakmanschap kun je vorm geven aan alles wat er ventileert. Zo zie ik het. En daarom zie ik het als mijn taak om met mijn talent het alleruiterste te doen wat ermee te doen is. Nu nog.

"Harry Mulisch, die ik zeer bewonder, heeft enige tijd geleden de hand geschud van de vorige, intussen overleden paus Johannes Paulus II, alias Wojtyla. Naar aanleiding van die 'gebeurtenis' wierp een journalist aan Mulisch de volgende hypothese op: 'Gesteld dat u een gesprek met de paus gehad zou hebben, wat zou u hem dan hebben gevraagd.' Waarop Mulisch antwoordde: 'Ik zou hem hebben gevraagd of hij voor zijn besef ook een paus is.' Zo zit het helemaal in elkaar. Ben ik voor mijn eigen besef een groot schrijver?"

En?

"Ik wilde binnen mijn capaciteiten de allerbeste schrijver worden. Dat is me gelukt. Ik heb er hard voor gewerkt, voor het schrijven is geen moeite me te veel. En dan heb ik het zeker niet uitsluitend over romans. Romans worden als het hoogste goed binnen de literatuur beschouwd, maar essays met een intrinsieke kwaliteit, zijn minstens evenwaardig. De essayistiek wordt onderschat. Ik heb, vind ik, erg goede essays geschreven. Over zelfmoord in de Nederlandse letteren, om maar een voorbeeld te noemen (gebundeld in De laatste deur, mvds)."

Wat vergt het meest moeite? Het beginnen te schrijven? Het schaven en polijsten? Alles tezamen?

"Ik stel het schrijven elke dag zolang mogelijk uit. Ik ga koffie zetten. De kachel moet aan. Ik lees de krant. Ik herlees de krant. Enzovoort. Ik moet me elke dag de trap opslepen, naar mijn werkkamer. Daarom dat ik mezelf beloon met een spelletje Nintendo, het spelletje met de balletjes en de blokjes dat ik in Geheime kamers beschrijf. Het computerspel ligt bewust niet op mijn werktafel: ik mag pas spelen als ik al gewerkt heb; als ik moet nadenken over een stokkend ritme, of over een andere knoop die ik aanvoel. Ik mier tot alles goed zit en het strekt me tot eer om de dingen anders te zeggen dan hoe ze al miljoenen keren worden gezegd. Als de ik-persoon in Datumloze dagen voor het eerst sinds jaren weer oog in oog staat met zijn ex-vrouw, denkt hij: 'hoe het haar gaat interesseert me eigenlijk geen molecule'. Natuurlijk had hij ook kunnen denken: 'dat interesseert me geen moer of geen reet', maar dan had ik me er te gemakkelijk van afgemaakt. Die molecule past volkomen in het boek waarin de geheimzinnige ziekte van zoon Nathan centraal staat. De stap van bacil naar molecule is een veroorloofde baldadigheid."

Is Nintendo de enige computer die u aanraakt?

"Ik ruik, zie en merk of een roman met de hand of met de computer is geschreven. Een tekst die met de hand geschreven is, staat veel dichter bij zijn maker. Ik schrijf met de pen, en op grote vellen. Op van die zakken van de bakker die je kunt openknippen zodat je dan een groot blank vlak hebt. Ik krabbel de vellen met zwarte stift vol petieterige lettertjes, alle zinnen en woorden heel dicht op elkaar, zodat het hele papier helemaal zwart ziet van mijn gepriegel.

"Schrijven is ook een lichamelijke bezigheid. Ik neem mijn pen stevig vast. Als ik schrijf, voel ik mijn hartslag via mijn vingers op mijn pen overslaan. De inkt is mijn bloed. Mijn zinnen zijn mijn hartslag. Pas als ik de drukproef in handen heb, kijk ik met afstand naar de woorden die ik geschreven heb. Wie met de computer schrijft, heeft een andere, meer afstandelijke verhouding tot de woorden die hij schrijft. Het toetsenbord wordt niet omhelsd zoals ik, met mijn vingerzetting, de pen omhels. Vastklem. Het klavier wordt aangeslagen. Er komt geen hartslag bij te pas. De auteur die met de computer werkt, ziet zijn tekst een halve meter verderop voor zich verschijnen. Die tekst is niet door zijn hand gemaakt. Hij ruikt niet. Hij vertoont geen inktvlekken. Hij vertoont zelfs geen doorhalingen. In plaats daarvan staat alles, keurig geschikt, op een verlicht scherm, in een onpersoonlijk, egaal lettertype dat niet aan de auteur ontsproten is, maar dat gekozen is door een welbepaalde klik. Die afstand, die lichamelijke afwezigheid, is voelbaar in het werk. Het wordt tijd dat daar eens een onderzoek naar verricht wordt. Mijn volgende boek zal die verhouding trouwens behandelen, drie hoofdstukken zijn al klaar, ik wacht op de rust en stilte om verder te werken.

"Doorgaans schrijf ik mijn gepriegel in een schoon schriftje over. Dat overschrijven doe ik altijd met potlood. Ik schrijf enkel aan de rechterzijde van het schrift, de linkerbladzijden zijn voorbehouden voor aantekeningen, wijzigingen. Ook dat overschrijven is een consciëntieuze bezigheid: ik pietepeuter tot ik meen dat het allemaal goed zit. Dat, het goed zitten van een tekst, is een subtiel evenwicht. Een evenwicht dat je beter aanvoelt naarmate je - nu ja, dat is dan misschien een voordeel van ouder worden - het vak beter kent. Je moet niet te lang in een tekst blijven kliederen, dan schrijf je de tekst dood en dat is fataal. Woorden moeten leven."

Ik word door Vlamingen meer bemind dan door Nederlanders. Of ik me herken in het zogenaamde minderwaardigheidscomplex van de Vlaming? Ik heb geen hoge dunk van mezelf, laat ik het zo zeggen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234