Zaterdag 08/05/2021

De honger van de spekpater

Vandaag zit in Leuven de Sint-Pieterskerk vol voor een plechtige herdenkingsmis, gisteren was het in het Duitse Königstein aanschuiven bij zijn begrafenis: Werenfried van Straaten, alias de Spekpater, zal niet meer hoeven te bedelen voor een plaats in de hemel.

Rood waren ze, groot vooral, overweldigend zelfs, de machtige vrachtwagens die om de twee jaar het provinciale stadje in the deep south van Limburg binnendonderden. Dieper rood dan de vlag van de Sovjet-Unie, strijdbaarder rood dan het kardinaalrood waarmee de kerkprinsen zich tooien: de kapelwagens van Oostpriesterhulp.

Het waren goede oude Mann-vrachtwagens, monsterlijke machines, die in de jaren zeventig en tachtig al een sfeer uitstraalden van industriële oldtimers: zware snuit, bekroond met een imposante radiator en daarrond twee grote, kogelronde koplampen. Als die kapelwagens vooraf hun aankomst aankondigden in het parochieblad wist het stadje wat te doen. Zakken vol kleren werden voor de deur gezet, en volksvrouwen hielden vanachter de gordijntjes de straat in het oog: als de kapelwagen naderde, zag je ze haastig de straat op stappen, sloffen aan de voeten, schort om het lijf, in de hand waar het hen om te doen was: een enveloppe voor Oostpriesterhulp, neen, voor de Spekpater zelf. De chauffeur nam die persoonlijk in ontvangst, als de plaatselijke gezant van Werenfried van Straaten. De vrachtwagen vullen deed hij niet zelf. Dat was het werk van de plaatselijke misdienaars. En dan, na een hele dag zwoegen en tillen - het weegt, die zakken vol kleren - was er een beloning: een faiencetegeltje. 'Oostpriesterhulp dankt u.' Dat kreeg een ereplaats, naast de medaille van de schoolcross.

Heel Vlaanderen kent dat soort verhalen over de kapelwagens. Ze hebben iets ouderwets over zich, herinneringen aan la Flandre profonde. Net zoals de naam van de Spekpater verbonden blijft met een tijd waarin kroostrijke gezinnen zelf hun varken vestmestten, waarin missionarissen aanzien genoten, een tijd van de spaarpotten met dankbaar knikkende negertjes op de toog van de slagers, toen paters en hun preken nog indruk maakten en vrijdag visdag was. Dat beeld roept het woord 'Spekpater' nog altijd op: dat van het verleden.

Dat beeld is niet juist. De kapelwagens behoren niet meer tot het klassieke straatbeeld en de Spekpater zelf is overleden, maar zijn organisatie staat sterker dan ooit. Wat ooit begon als Oostpriesterhulp noemt zichzelf vandaag in de eerste plaats 'Kerk in Nood'. Of beter: 'Kirche in Not', 'Ayuda a la Iglesia que Sufre', of 'Aide à l'Eglise en Détresse', 'Aid to the Church in Need', 'Ajuda à Igreja que Sofre', noem maar op. Kerk in Nood is weliswaar gegroeid in de sfeer van spek en de haast middeleeuwse monnikspijen van de witheren van Tongerlo, maar het levenswerk van Werenfried van Straaten is vandaag een van de meest dynamische en invloedrijke verstrekkers van caritatieve en godsdienstige hulp. Kerk in Nood is voor de ngo-wereld wat Coca-Cola is voor de drankenmarkt: een wereldwijde marktleider.

Toen secretaris-generaal Antonia Willemsen, sinds jaar en dag steun en toeverlaat van haar heeroom Werenfried, het 'Jaarverslag 2001' van Kerk in Nood presenteerde, kondigde ze trots het hallucinante bedrag van 79,15 miljoen euro inkomsten aan, of 3,16 miljard oude Belgische franken. Het grootste deel daarvan (46 miljoen euro) waren individuele giften. Verder ging het om 10,5 miljoen euro aan misintenties, 1,6 miljoen euro aan collectes en 14,9 miljoen euro aan erfenissen. Als er aan deze 'multinational der naastenliefde', zoals Kerk in Nood zichzelf graag omschrijft, iets oer-Vlaams is en blijft, dan wel de volkswijsheid 'Wie het kleine niet eert...' Net zoals Werenfried dat ooit deed, schraapt Kerk in Nood haar inkomsten binnen, links en rechts, bij bedrijven, zeker wel, maar ook bij honderdduizenden kleine donateurs. Hier een frank, daar een dollar, ginds een peso. Niets laten liggen, klein beginnen om groots te eindigen.

Maar is dat wel 'Vlaams'? Moeten we niet zeggen 'Nederlands'? Stichter Werenfried van Straaten was een man van uitersten, van tegenstellingen ook. Een Nederlander die in Tongerlo een halve Vlaming werd. Een man die vanuit de Kempense bossen Duitsland ging heroveren voor God, daarna Oost-Europa en ten slotte de rest van de wereld. Een religieuze man met een wereldse kijk, een bedelmonnik die miljoenen uitdeelde. Hij wilde de wereld leren bidden, maar stond wel op de eerste rij telkens als er ergens voor God werd geknokt. Met zijn hoekige karakterkop, zijn besliste blik en zijn grove gestalte is hij een Anton Geesink in monnikspij: olympisch kampioen in de open klasse, klaar om iedere tegenstrever te vloeren, bij voorkeur een zwaargewicht.

Wellicht heeft zijn afkomst daar veel mee te maken. Van Straaten werd geboren in een katholieke familie te Mijdrecht, nabij Amsterdam. Speciaal volk, die Nederlandse katholieken, zeker die uit het noorden, uit 'protestants gebied'. Het kernland van Willem van Oranje, waar gevochten werd tegen die al te katholieke Spanjaarden, en dus ook tegen de kerk. Wie zich in Noord-Holland als katholiek profileert, kan tegen een stootje.

Of deelt zelf de klappen uit. Philip Van Straaten (°1913) - zo heet de jongen officieel - studeert in de woelige jaren dertig aan de universiteit van Utrecht. Het is een tijd van hysterische links-rechtspolarisatie. Van Straaten is militant-rechts. De Spaanse Burgeroorlog interesseert hem bijvoorbeeld mateloos. Hij kiest tegen de officiële republiek en los rojos (de roden) en hun kerkvervolging, ook als dat steun aan de fascistoïde opstandelingen van Franco impliceert. Van Straaten sluit weliswaar niet aan bij de Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert, maar hij ligt mee aan de wieg van een club die de Nieuwe Orde ook niet slechtgezind is, niet van nationaal-socialistische maar van zogenaamd 'nationaal-solidaristische' inslag. In België bestond die ook, met name in het Verdinaso van Joris Van Severen en consorten. En net zoals de partijgangers van Van Severen vielen ook de Nederlandse nationaal-solidaristen tijdens de oorlog uiteen in verschillende kampen. Sommigen kwamen in de collaboratie terecht, anderen bleven eruit.

Die keuze moest Van Straaten niet meer maken. Net als zijn broers Amatus en Modestus trok hij naar het klooster. Niet in Nederland, waar hij de sfeer te weinig open vond. Hij trok naar het Vlaamse Tongerlo. Destijds was dat een van de belangrijkste steunpunten van de orde van de norbertijnen (of premonstratenzer monniken, of witheren, naar hun kledij). Het klooster telde niet minder dan 220 monniken, waarvan een zestigtal als missionaris in de tropen werkte. Philip werd Werenfried, een verwijzing naar een Hollandse polderheilige, de plaatselijke patroon van de groenteboeren en de jichtlijders.

Maar zo lokaal als zijn nieuwe naam was, zo universeel zijn ambitie - al heet dat in kerkelijk jargon 'zijn roeping'. "Ik was toen nog een onbekende norbertijn van vierendertig met een zwakke gezondheid. In het koor zong ik iets te hard en een beetje vals", relativeert Van Straaten zijn eerste kloosterjaren in zijn autobiografie Ze noemen mij Spekpater. Toch was er van in het begin een merkwaardige dadendrang. De nasleep van de Tweede Wereldoorlog liet de voormalige nationaal-solidarist niet los. Veel van zijn ex-medestanders vlogen na de bevrijding in de gevangenis, een aantal probeerde celstraf (of erger) te ontlopen. En Werenfried? Ja, Werenfried hielp hen. In 1945 steunde hij een aantal Vlaamse collaborateurs, zoals SS'er Staf Van Veldhoven en Alex Colen (vader van Alexandra) in hun ontsnapping naar het zeer katholieke maar wel neutrale Ierland. Ook later schakelde hij voormalige collaborateurs in bij de werking van Oostpriesterhulp of de Bouworde.

Vanuit datzelfde mededogen voor het verliezende kamp zag hij met lede ogen aan hoe erg Duitsland eraan toe was. In het holst van een decembernacht in 1947 schrijft hij een artikel voor het kerstnummer van de abdijkrant Toren. De tekst is gemaakt om voor te lezen. Hier hanteert geen schrijver de pen, hier voert een prediker het woord: "Honderd kilometer naar het oosten ligt een stad in puin. Er is praktisch niets meer van over, behalve een reusachtige bunker, zoals de Duitsers overal gebouwd hebben om de bevolking te beschermen tegen luchtaanvallen. De berooide overlevenden van die stad wonen in die ene bunker. Duizenden hokken er samen. Er heerst een verpestende stank. Elk gezin - voor zover men nog van gezinnen spreken mag - ligt samengedrongen op enkele vierkante meters beton. Er is geen vuur of warmte, tenzij de warmte van andere lichamen waaraan men zich vastklemt. En Christus wil ook in die mensen leven, met zijn lelieblanke zuiverheid, zijn naastenliefde en zijn goedheid. De herders hebben Christus aanbeden in een stal, maar dit is niet eens een stal."

Bij die allereerste bedeltochten is het Van Straaten om dezelfde waarden te doen als hij degene die hij op zijn oude dag zal verdedigen, namelijk de hoge standaarden der christelijke moraal. In zijn laatste levensjaren, als de Muur gevallen is, wordt hij minder nadrukkelijk anticommunistisch en fixeert hij zich meer op de thema's van de pro-lifebeweging. Zo is hij ook begonnen in 1947. Duitsland kent relatief weinig mannen (gesneuveld, krijgsgevangen, vermist) maar herbergt wel honderdduizenden geallieerde soldaten. Daartussen een verwrongen maatschappij, veel uit elkaar gerukte gezinnen, families en wijken. De katholieke predikant ziet het met verschrikte ogen aan. Apocalyptisch zijn de beelden die hij schetst, opzwepend zijn taal, onheilspellend zijn boodschap: "Zie, hoe de verstoten christenen hier samenhokken en naakt op de grond liggen te hijgen. Vier gezinnen, willekeurig dooreen, in elke betonnen krocht. Zestien of meer bedden vullen de ruimte. Geen plaats voor tafels en stoelen. Geen huiselijkheid. Geen gezinsleven. Geen intimiteit. Overal rondom schaamteloze ogen, geile gebaren, dubbelzinnige opmerkingen, liederlijk lachen. Vergeelde en gerimpelde zuigelingen naast tachtigjarige grootmoeders. Benauwende stank en bedorven lucht... Tuberculoselijders fluimen in een kroes. Hoe wanhopig is hier de strijd tegen de zonde die geen remmen kent, waar geen muren zijn om de schaamte te behoeden. Hoe zou de deugd nog wortel kunnen schieten op plaatsen waar twintig, veertig, zeventig mannen en meisjes, vrouwen en jongeren maanden- en jarenlang in één gloeiend bunkerhol naast en op elkaar slapen, zweten, wonen, zich kleden en ontkleden en de hete roep volgen van het wilde en geprikkelde bloed... Dit is de hel voor de lichamen en voor de zielen."

Opvallend: de man van God spreekt nergens over Christus, roert niet één katholiek thema aan, behalve helemaal aan het einde: 'de zielen'. Daar gaat hij voor. Maar anders dan zovele priesters loopt hij er niet mee te koop en vermoeit hij zijn publiek niet met kwezelachtige taal of theologische traktaten. Werenfried is religieus, maar ook behendig. Als hij ginds zielen wil redden, moet hij dat doen door harten te winnen. Vandaar zijn aangrijpende, erg emotionele prediking. Daarbij dreef hij op adrenaline: "Ik zocht mijn publiek tijdens de schafttijd aan de fabriekspoorten. Ik drong binnen op vergaderingen van of koffiefeesten van de boerinnen- en vrouwengilden. Ik stond in mijn witte pij langs de autowegen totdat een fabrikant me in zijn Cadillac meenam. Ik trok van school tot school om van de kinderen hun gebed, een stuk chocolade en de inhoud van hun spaarpot te krijgen." Schaamte kende Van Straaten niet. Zijn doel wettigde niet alleen de middelen, het heiligde ze ook. Hij krijgt hulp van monseigneur Cruysberghs, de voorzitter van de Boerenbond. Die zet boerinnen onder druk om spek en graan in te zamelen. Later fokken ze zelf varkens (in Vlaanderen) en schapen (in Nederland). Intussen bedelt pater Werenfried ook rechtstreeks geld, in zijn beroemde en onverslijtbare 'bedelhoed' - "originally made by Dunn & Co", vermelden de Britse kranten dezer dagen met enige trots. Zijn miljoenenhoed, ook in dollars.

Op een vergadering in Turnhout spreekt een boerin voor het eerst van de 'Spekpater'. Pater Werenfried ziet direct het propagandistische voordeel van die vondst. Spekpater is voortaan zijn eretitel. Kort, herkenbaar, en helemaal gepast voor een pater die zelf goed in het vlees zit.

Als Spekpater wordt Van Straaten niet alleen beroemd maar ook gewiekst. Hij leert onderhandelen over de prijs per kilo vlees, hij pingelt af op de prijs van blik voor zijn cornedbeef, hij laat worsten maken met een vetgehalte van 52 procent - zo kon hij meer uitdelen voor hetzelfde geld -, hij arrangeert trafieken in bevroren paardenvlees uit Argentinië. En ondertussen kan er gelachen worden. Als een Nederlandse journalist hem in de varkenshokken van Tongerlo wil interviewen, ontstaat volgend gesprek tussen de persjongen en Werenfrieds confrater Dominicus:

"Ik wil de Spekpater spreken."

"Die is in het varkenshok."

"Maar ik ken hem niet."

"Het is die met de hoed."

Het werk van Werenfried van Straaten blijft niet lang beperkt tot geld- en vleesinzamelingen in het kader van de strijd tegen het zedelijke bederf in Keulen. Het tot puin geschoten Duitsland moet ook miljoenen zogenaamde 'Vertriebenen' uit Silezië en Oost-Pruisen opvangen. De kaart van Europa was immers danig hertekend: Polen schuift goed honderd kilometer westwaarts op, laat zijn oude oostkant aan de Sovjet-Unie maar neemt in het westen land af van het Deutsche Reich. De bewoners kunnen maken dat ze opkrassen.

Zo komt monnik Van Straaten terecht in een verhaal waarin godsdienst en politiek hand in hand gaan. Hij wil het Duitse volk wel geestelijke en materiële bijstand verlenen, en de kerk heropbouwen. Maar door de aanwezigheid van de Vertriebenen én door de geopolitieke context van de Koude Oorlog komt Oost-Europa snel in het vizier. De oude erfvijand doemt weer op, de tegenstrever die hij al als student bekampte, toen hij in Holland voor Franco betoogde, tegen het rode gevaar van de communistische kameraden. Hij begint zich erop te concentreren: "In Oost-Pruisen wonen, naar men zegt, Tartaren en Kirgiezen. In Silezië verwilderen de akkers tot steppen." Van Straaten gruwt ervan, ziet hordes Hunnen al voor Berlijn staan, en straks voor Brussel of Amsterdam. Dat nooit.

Daarom gaat hij het bolsjewisme te lijf met al wat hij kan mobiliseren. Oostpriesterhulp bekampt hamer en sikkel met kruis en wijwater. Hij sponsort en organiseert rugzakpriesters. Vervolgens financiert hij kapelwagens, rijdende parochiekerken die hulpgoederen kunnen vervoeren. Hij betaalt en vormt missionarissen en stuurt hen naar Oost-Europa. Hij ziet colonnes van vrachtwagens oostwaarts dreunen, heeft het over "de muziek der ronkende motoren", op weg naar "het front van de Wereldkerk". Want een oorlog was het natuurlijk wel.

Van Straaten wordt wereldwijd bekend. Hij krijgt bijnamen vol bombast. 'De Djenghis Kahn van deze tijd' (van de Duitse kardinaal Frings), 'een reus van de naastenliefde', of 'de grootste bedelaar van de eeuw'. En natuurlijk was hij 'de (laatste) generaal van de Koude Oorlog'. Dat kan het best zo letterlijk mogelijk begrepen worden. Werenfried van Straaten maakte de Hongaarse opstand in 1956 persoonlijk mee. Hij wilde in 1968 naar Tsjecho-Slowakije, toen daar de Praagse Lente neergeslagen werd, maar de sovjettanks waren hem nipt voor (hij was de grens al over, maar zijn medewerkers overtuigden hem ervan snel rechtsomkeer te maken). Een anekdote die bij zijn overlijden nergens ontbreekt, is het feit dat hij de microfoon en geluidsinstallatie leverde die Boris Jeltsin nodig had om op te roepen tot verzet tegen de Kremlin-putschisten.

Hij maakt er ook vrienden. Geen bisschop in Oost-Europa die Werenfried van Straaten niet kent, die hem niet smeekte om geld voor deze kerk, die pastorale actie. Het meest ambitieuze project zou Oostpriesterhulp evenwel in Polen opzetten. Nabij Krakau werd een nieuwe, industriële voorstad gepland, met alles erop en eraan, behalve een kerk. De aartsbisschop van Krakau stond bekend als 'ne speciale', wilde zich er niet bij neerleggen en zou daar in Nowa Huta - zo heette die buitenwijk - dan maar op eigen kracht een kerk bouwen, een halve kathedraal zelfs. Als je met de spierballen rolt, moet je zorgen dat de ander geïmponeerd wordt. Zo begon Werenfried Van Straaten met de sponsoring van aartsbisschop Karol Wojtyla, waarmee een vriendschap ontstond die het uitzicht van de wereldkerk mee zou bepalen.

Op het toppunt van de roem kwam ook de eerste felle kritiek. In het geval van Werenfried van Straaten was dat: kritiek. In de jaren vijftig en de vroege jaren zestig waren voor hem katholicisme en anticommunisme altijd hand in hand gegaan. Intussen had Van Straaten zijn horizon verruimd en was hij actief in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Naar goede gewoonte combineerden zijn vrienden daar ook een vurig katholiek geloof met virulent anticommunistische politieke opvattingen. Een van zijn trouwste kompanen was de jezuïet Roger Vekemans, een Brusselaar die in Chili en Colombia werkte en later voorzitter zou worden van Kerk in Nood. Alleen zag Vekemans met lede ogen aan hoe het meest sociaalvoelende deel van de Zuid-Amerikaanse kerk zich steeds nadrukkelijker bekende tot een stroming die wereldwijde bekendheid kreeg als 'de bevrijdingstheologie', en tot zijn afgrijzen merkte hij hoe er mensen waren die het beste van het christendom en het marxisme probeerden samen te brengen. En dat was voor hem niet één maar drie bruggen te ver.

Werenfried van Straaten dacht er niet anders over, en hij steunde zijn vriend Vekemans zoals hij dat altijd had gedaan: met geld. Miljoenen dollars. Ditmaal dienden die niet alleen om katholieken te helpen achter het IJzeren Gordijn maar sponsorde hij een interne guerrilla binnen de katholieke kerk: tegen los rojos. Het was, alles welbeschouwd, een merkwaardig gezicht. De bakermat van Kerk in Nood lag in België, in Tongerlo. Nu lag ook de bakermat van de bevrijdingstheologie in België, namelijk in Leuven. De meeste bekende bevrijdingstheologen (onder meer Gustavo Guttierez) hebben er gestudeerd, de Salvadoraanse aartsbisschop Oscar Arnulfo Romero kreeg er een eredoctoraat, kort voordat extreem-rechtse doodseskaders hem neerkogelden.

Zij waren niet de beste vrienden van Van Straaten. Hij laat zich fotografen met de beruchte Braziliaanse aartsbisschop dom Helder Camara, maar dat is een nummertje voor de camera. In hun hart hebben ze een andere kerk voor ogen. Hoewel ook Van Straaten zich de armoede in de derde wereld aantrok - hij schreef er een boek over, Waar God schreit - verfoeide hij iedere linkse analyse, laat staan revolutionaire praktijken. Vandaar zijn weerzin voor de bevrijdingstheologie. Vandaar ook dat Kerk in Nood in de jaren zeventig en tachtig in de praktijk doorgaans aan de kant stond van rechtse krachten in Latijns-Amerika. Toen Karol Wojtyla in 1978 paus Johannes Paulus II werd, wist Van Straaten weer helemaal dat hij goed zat. Het gezag van de eerste en het geld van de laatste zorgden ervoor dat bevrijdingstheologie vandaag een concept is dat eigenlijk al in geschiedenisboeken thuishoort. Ze zijn er nog, de bevrijdingstheologen, maar ze hebben niet meer de mondiale impact, het geestelijke gezag en de wervende kracht die ze tot een jaar of twintig geleden bezaten.

Het is die inborst die de Spekpater in contact brengt met Moeder Teresa. Haar vrome en menslievende benadering sprak hem aan. Dat Moeder Teresa zelfs niet de intentie heeft om de oorzaken van de verschrikkelijke armoede in Calcutta aan te pakken, deerde Van Straaten niet. Teresa was gelovig, op haar eigen manier sociaal, en onvoorwaardelijk trouw aan de paus. De Spekpater ook. Samen zouden ze in de jaren negentig menig congres van 'Doctors who respect Human Life' en andere antiabortusverenigingen bezoeken. Tot zijn oude dag kreeg Werenfried van Straaten in zijn publiek menig oog vochtig als hij aan het preken sloeg.

In België had Van Straaten in 1981 nog eens een campagne van Humo over zich gekregen, waarin hem een liederlijk gedrag werd verweten. In zijn repliek daarop, Mijn Antwoord, weet Werenfried Van Straaten heel precies wie achter dat complot steekt: 'De Tegenstander', met hoofdletter. De Boze, dus: een lage list van de Duivel. En die was bij Werenfried aan het verkeerde adres, ook op zijn oude dag.

De hoogbejaarde Werenfried van Straaten bleef alert, al namen zijn vermogens de laatste jaren erg af. Zolang hij kon, reisde hij nog naar Rusland. Niet meer om er communisten te bekampen, maar vooral om de orthodoxe kerk een hart onder de riem te steken, en geld en bijbels in het handje. Werenfried van Straaten wist dat een goede gelovige hier op aarde zijn plaats in de hemel moet verdienen. De Spekpater interpreteerde dat erg letterlijk.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234