Vrijdag 24/01/2020

Hobbykoorts

De hobby's van je kinderen en hoe ze te managen

Beeld Jef Boes

Augustus is de hoek om en daar liggen de jaarlijks weerkerende vraagstukken al op de gezinstafel: welke hobby('s) mag/moet uw kind gaan beoefenen? Hoelang kun je een kind onder zachte dwang naar de muziekles of de sportclub duwen? En is het allemaal nog combineerbaar in de dagelijkse ratrace?

Ik haatte de Chiro. De uniformen. De welkomstformatie. De vochtige najaarskou die tot diep in je botten kroop. (Echte beren droegen geen lange broek.) De kampen waarin je in de rij moest staan voor het eten. De pestkoppen. De zaklampen van de leiders op kamp, die de pestkoppen uit hun bed kwamen zetten voor een nachtelijke looptocht. De 'legerdag' waarop je verplicht werd om door modderige beken te kruipen en dertig keer te pompen - "Buik intrekken! Kont naar boven!"

Mijn ouders hadden vroeger in de Chiro de tijd van hun leven gehad. En dus moest ik er ook heen. Kinderen die niet in een jeugdbeweging zaten, zouden vroeg of laat toch maar in de cafés belanden.

Jan (36) herkent het. Hij volgde 15 jaar muziekschool, omdat zijn vader dat graag wilde. "De fanfare was zijn leven. Elke woensdagnamiddag, als ik met vriendjes op een pleintje aan het voetballen was, floot hij op zijn vingers: tijd voor de muziekschool. Dan droop ik af. Ik heb veel dingen geprobeerd: een jaar voetbal, een maand basketbal, twee weken tafeltennis, een half uur volleybal... Niets hield ik vol, behalve de muziek, om mijn vader niet te ontgoochelen.

Beeld Jef Boes

"Eerst was ik een drummer. Maar na drie jaar had de fanfare trompetblazers nodig en schakelde ik over op trompet. Vanaf toen was het écht tegen mijn zin. Dagelijks repeteren? Kon ik niet opbrengen. Daardoor had ik te weinig kracht in mijn lippen en kon ik het tijdens de twee uur durende concerten nooit volhouden.

"Het ergste waren de examens. In mijn eentje moeten optreden voor een jury, dat gaf een hoop stress. Ik ben geen dag met plezier naar de muziekschool gegaan."

Joris Lambrechts is onderzoeksmedewerker aan het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen en bestudeert de invloed van ouders op jeugdsport. Hij vindt dat plezier altijd hét uitgangspunt moet zijn bij de activiteiten die kinderen doen.

"En dat plezier hangt samen met drie basisbehoeften", zegt Lambrechts. "Een kind moet zich verbonden voelen met anderen in de vereniging, het moet zich competent voelen en regelmatig positieve feedback krijgen, en het moet enige autonomie en beslissingsvrijheid ervaren. Dat is op het werk ook zo. Als je slechte collega's hebt, je werk niet aankunt, vaak negatieve reacties krijgt of geen inspraak hebt in je taken, dan hou je het niet vol. Het is belangrijk dat een kind gehoord wordt in de keuze van zijn hobby's."

Moeten mag niet

Maar sommige kinderen kunnen erg impulsief zijn, en altijd iets nieuws willen. Je hebt net een ruiterzadel, een helm en rijlaarzen gekocht, of dochterlief wil toch liever gaan inlineskaten. Om drie weken en een paar dure inlineskates later te besluiten dat ballet toch meer haar ding is.

Gelukkig zijn de meeste sportclubs zo slim om probeerlessen te organiseren. Maar eens het inschrijvingsgeld is overgemaakt en de nieuwe uitrusting in de kast hangt, verplichten de meeste ouders hun kind om het seizoen uit te doen. En niet alleen omwille van dat lidgeld. Karakter kweken is een vaak aangehaalde reden. Ouders willen hun koters vooraf doen nadenken over hun keuze, en daarna moeten ze de consequentie van die keuze leren dragen.

Lambrechts heeft daar bedenkingen bij. "Een kind van 7 jaar kun je zulke levenslessen nog niet bijbrengen. Bij een 12-jarige is dat mogelijk al anders. Als je zegt dat ze hun jaar móéten uitdoen, leg je druk en bederf je een deel van de pret. Je kunt wel zeggen dat je kind moet proberen het seizoen vol te maken. Maar het heeft geen zin om een kind elke week dik tegen zijn goesting naar de club te blijven sturen."

De opvoedingsexpert was jeugdcoördinator bij enkele voetbalclubs, waaronder Sint-Truiden. Meermaals betaalde hij, in overleg met de ouders, het resterende lidgeld terug, omdat een speler het beu was. Toch vindt hij het goed dat ouders hun kind stimuleren om nog even vol te houden. "Mijn dochter ging na anderhalf jaar plots niet graag meer naar de Chiro", zegt Lambrechts. "Op zaterdag begon ze al te zeuren dat ze geen zin had. Maar als we haar op zondagmiddag brachten, was er geen vuiltje aan de lucht. En volgens de leidster amuseerde ze zich te pletter. Een maand later heeft ze toch beslist om mee op kamp te gaan. Soms moet je het als ouders dus wat tijd geven."

Maar er zijn veel grijze zones. Noëlla (38) is moeder van vier. Haar 9-jarige zoon dribbelt in de nationale voetbalreeks alles op een hoopje. Daardoor krijgt hij veel trappen en zijn z'n benen vaak een kleurboek. "Hij is nu voor de zoveelste keer geblesseerd en klaagt dat hij geen zin meer heeft in voetbal. Hij wil gaan koersen, want 'op de fiets kunnen ze me geen pijn doen'.

"We houden de boot voorlopig af. Dit kan een momentopname zijn. Hij is thuis vaak bezig met de bal en we hebben al zoveel in het voetbal geïnvesteerd: de trainingen, de verre verplaatsingen... Wat als hij echt de nieuwe Eden Hazard is?"

Lambrechts heeft begrip voor die afwachtende houding. Kinderen hebben wel vaker grilletjes van het moment. "Als hij ouder is, zal de jongen wel bestand zijn tegen die trappen. Het belangrijkste is goed overleggen met je kind en opletten dat het niet uit de hand loopt. Als een kind negatieve druk begint te ervaren, en al met buikpijn naar de match vertrekt, is het tijd om te stoppen."

Naar buiten!

Bart (40) heeft een creatief zoontje dat graag naar de tekenacademie wil. Zelf ziet hij zijn oogappel het liefst naar de tennisles gaan. Er kwam een compromis uit de bus: hij gaat het allebei doen.

Dit voorbeeld kan op goedkeurend gebrom rekenen van pedagogen en bewegingswetenschappers, omdat het goed is dat jonge kinderen verschillende interesses verkennen. Met één kanttekening: als dat creatieve zoontje na drie maanden nog altijd scènes maakt voor de tennisles, kun je als ouder de strijd maar beter staken.

"Iets opleggen heeft weinig zin", zegt Matthieu Lenoir, professor bewegingswetenschappen aan de UGent. "Er zijn creatieve kinderen die niks willen weten van sport. Als ouder aanvaard je dat maar beter, in plaats van sport te blijven opdringen. Tenzij je kind een motorische achterstand oploopt en zwaarlijvig dreigt te worden. Je moet sowieso niet accepteren dat het een zitkind wordt. Elk kind moet bewegen en buiten spelen."

Lenoir is het brein achter het Vlaams Sportkompas, een oriëntatietool die kinderen in de juiste sportrichting wil duwen. Ze worden getest op uiteenlopende motorische vaardigheden en mogen in een app aangeven wat ze graag doen. Uit onderzoek was namelijk gebleken dat de eerste sport van een kind heel vaak door de ouders wordt bepaald.

"En die keuze is dikwijls ingegeven door toevalligheden", weet Lenoir. "Welke clubs zijn er in de buurt? Wat gaan de vriendjes doen? Welke sport hebben de ouders gedaan? Er wordt te weinig gekeken naar de natuurlijke aanleg van het kind. Dat is nochtans belangrijk, want als een kind talent heeft voor iets, zal het dat vaak ook graag doen. Er is snel een mate van succesbeleving nodig, anders houden ze het niet vol. Na twee of drie 'foute keuzes' kan een afkeer voor sport ontstaan. Het Sportkompas kan ouders en kinderen helpen om meteen de juiste keuze te maken."

Maar wacht even: bestaat er geen wetenschappelijke consensus dat kinderen zich best niet te vroeg op één sport toeleggen? Dat het beter is voor hun ontwikkeling dat ze zich na de pamperfase niet louter concentreren op balletjes trappen, maar ook leren springen, rollen, werpen, klauteren, dansen, fietsen, zwemmen, knutselen...

Beeld Jef Boes

"Klopt", zegt Lenoir. "Maar die zogeheten multimove-ontwikkeling moet gebeuren in de fase vóór het Sportkompas: bij het kleuterturnen, in de lessen lichamelijke opvoeding, in omnisportclubs en in reguliere sportclubs die één keer per week een multimove-les aanbieden."

Leen zou haar drie zoons graag tot hun 8ste naar een club sturen waar ze elke maand een nieuwe sport kunnen beoefenen. Helaas vindt ze die niet in haar directe omgeving. En hen elk jaar van sportclub laten veranderen, wil ze niet, omwille van de vriendjes die ze telkens moeten achterlaten. "Om hen toch een veelzijdige ontwikkeling te bieden, stuur ik hen naar verschillende probeerlessen en laat ik hen in de vakanties af en toe een multimove-kamp volgen."

"Die moeder heeft overschot van gelijk", reageert Lenoir. "Omnisportclubs zijn dé ontbrekende schakel in het Vlaamse sportbeleid. Ondanks de wetenschappelijke consensus over het heilzame effect van multimove, heeft de Vlaamse regering de subsidies deze zomer in stilte geschrapt. Ik vind dat een onbegrijpelijke beslissing. Men draait de klok terug."

Ook het Sportkompas is nog niet wijdverspreid in Vlaanderen. Lenoir droomt ervan dat de tool door scholen en gemeenten wordt aangeboden. Maar voorlopig zit het dossier vast bij de Vlaamse regering.

'Dat is niets voor jou'

Heel vaak duwen ouders hun kinderen in een hobby die ze zelf te gek vinden. Minstens even vaak blokken ze de keuze van hun kind af. Wielrennen? Te gevaarlijk en te duur. Boogschieten? Te ver rijden. Karate? Och, dat is niks voor jou, doe maar waterpolo, zoals je drie broers.

Lambrechts: "Ouders die hun drie jongsten naar het waterpolo sturen, omdat de oudste ook al waterpolo doet, hebben het praktisch netjes voor elkaar. Maar als die kinderen niks anders mogen proberen, is dat toch een beetje zonde. Misschien boren ze zo nooit hun grootste talent aan."

Lenoir nuanceert. Hij vindt niet dat alle kinderen olympisch goud hoeven te behalen, zolang ze maar gelukkig zijn bij hun club. Beide experts zijn het er over eens dat ouders hun kinderen niet te veel mogen beperken in hun keuze.

"Een ouder die zijn zoon niet laat koersen of bmx'en, moet hem ook niet naar school laten fietsen, want dat is ook gevaarlijk", zegt Lambrechts. "Een voetballer kan een been breken, een volleyballer kan zijn ligamenten scheuren. Dat zijn toch geen redenen om een kind thuis te houden?"

Maar hobby's kunnen flink wegen op de draagkracht van een gezin. Leen laat haar drie zoons veel uitproberen, maar daarna mogen ze maximum twee hobby's uitkiezen. "Mijn oudste heeft het voetbal een tijd gecombineerd met basketbal, maar voelde zelf aan dat dat te veel werd. Een kind moet ook nog tijd hebben om thuis te spelen."

Noëlla heeft vier kinderen in co-ouderschap. Twee zonen spelen nationaal voetbal, de derde bmx't, haar dochter speelt gitaar. Haar voetballers mogen niks extra doen, omdat ze al vier keer per week van huis zijn. De andere twee mogen er eventueel nog een hobby bijnemen, als die niet te veel tijd vraagt.

"Vrijdag is de enige dag waarop bij ons niemand weg moet", zegt ze. "Op donderdag moeten ze alle vier op pad. Om zes uur voetbal, om halfzeven bmx, om halfacht gitaar. Dat is nauwgezet plannen: op tijd eten, kleren klaarleggen, carpooling regelen met ouders van vriendjes... Voor de wedstrijden doen we een beroep op grootouders en ouders van ploegmaats, anders krijgen we het niet gebolwerkt."

Lenoir wil geen getal kleven op het aantal hobby's dat een kind aankan. Wat de mogelijkheden van een kind zijn, verschilt van individu tot individu. De ene kan geen minuut stilzitten, de andere heeft meer rust en tijd voor zichzelf nodig. "Aandachtige ouders merken het vanzelf wel als de druk op het kind of het gezin te groot wordt."

Minstens 20 goals

De 8-jarige zoon van Tom (37) werd door zijn voetbalclub geselecteerd voor de nationale competitie. Tom weigerde. Hij wil niet dat zijn hele gezin in het teken staat van het voetbal.

"Drie trainingen per week en op zaterdag om halfzes 's morgens opstaan om naar Virton te rijden. Ik heb nog een dochter die ook recht heeft op hobby's. En ik zit in het weekend zelf graag uren op de fiets. Dat wil ik niet opgeven. Misschien maakt dat van mij een egoïstische vader, maar ik vind het beter dat hij in provinciale voetbalt, met zijn vriendjes. Daar beleeft hij evenveel plezier aan. Hij speelt niet slecht, maar de nieuwe Kevin De Bruyne wordt hij ook niet. Bovendien heb ik een hekel aan de agressieve cultuur in het voetbal. Als dat te erg wordt, zal ik hem aanmoedigen een andere sport te kiezen."

Beeld Jef Boes

"Als het kind op zijn niveau kan spelen, plezier ervaart en inspraak heeft in de keuze, lijkt me dit eerder van realisme dan van egoïsme te getuigen", zegt Lambrechts. Hij haalt een onderzoek aan waaruit blijkt dat de impact van een topsporter op het gezin groot kan zijn. De broers of zussen ondervinden vaak nadelige effecten. Ze ervaren dat de gesprekken aan tafel heel vaak over de prestaties van dat ene kind gaan, en voelen zichzelf ondergewaardeerd en opzijgeschoven in hun sportbeleving.

"Ouders kunnen heel fanatiek zijn", zegt Lambrechts. "Ik heb als jeugdcoördinator vaak gezien hoe kinderen kraakten onder de druk die hun ouders hen oplegden. Opa's die de wedstrijd van hun kleinzoon filmden met de tablet om hem te wijzen op zijn fouten. En vaders die zeiden 'als je geen 20 goals maakt dit seizoen, stop je ermee'.

"De beste vraag die je een kind na de activiteit kunt stellen, is niet 'heb je gewonnen?', maar 'wat vond je ervan?' of 'was het fijn?'. Laat je kind eerst zijn verhaal doen en geef positieve feedback. Daarna kun je nog hier en daar een werkpuntje aanhalen."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234