Dinsdag 19/10/2021

De historicus op reis

Over plagiaat en wetenschap, moraal en geschiedenis

Recensie door Jo Tollebeek

Het vertrekpunt van De plaag is een beschuldiging: Maurice Maeterlinck zou zich in 1926, in zijn La vie des termites, aan plagiaat hebben bezondigd. Hij zou hebben gestolen bij de Zuid-Afrikaanse schrijver en natuuronderzoeker Eugène Marais, die kort voor de verschijning van La vie des termites een reeks artikelen over Die siel van die mier in het weekblad Die Huisgenoot had gepubliceerd. De beschuldiging is niet nieuw. Marais uitte ze al in 1927 en vanaf de jaren zestig werd zij zowel in de aan de Belgische als aan de Zuid-Afrikaanse auteur gewijde literatuur opnieuw ter sprake gebracht. Maar de affaire bleef met een waas van geheimzinnigheid omgeven.

Dat is merkwaardig. De vermeende letterdief won immers - in 1911 - de Nobelprijs en zijn werk behoort sinds lang tot de canon van de symbolistische kunst. Niet ten onrechte: geïnitieerd in de 'hogere wereld' door de Parijse dandy Villiers de l'Isle-Adam werd Maeterlinck de belichaming van het naar 'onzichtbare goedheid' en 'innerlijke schoonheid' hunkerende fin-de-siècle. Zijn toneelstukken, poëzie en essays gaven hem een uitzonderlijke faam. Maar dat was omstreeks 1900 geweest. In 1926 had Maeterlinck zichzelf overleefd. Hij was een grootburger geworden, potsierlijk en gedreven door geldhonger, nog slechts in staat tot symbolistisch seriewerk en bevangen door fascistische sympathieën. De oudere Maeterlinck roept slechts meewarigheid op. David van Reybrouck koestert geen warme gevoelens voor hem.

Daartegenover staan de figuur van Marais en diens bizarre en tragische leven. Een 'man van twaalf ambachten en dertien ongelukken' heet het in dit boek. Journalist en politiek activist, al snel morfineverslaafde en getekend door de dood van zijn jonge vrouw, verliet Marais Zuid-Afrika om in Londen een leven als student in de rechten en de geneeskunde en als bohémien te gaan leiden. Een mislukte expeditie in de Boerenoorlog bracht hem terug in eigen land, waar hij dichtte, op zoek ging naar mineralen, 'dokterde', natuurstudies opzette en uiteindelijk, in 1936, zelfmoord pleegde. Van Reybrouck raakte door Marais gefascineerd.

Dat was het begin van een zoektocht, van een poging de totstandkoming van La vie des termites nauwkeurig te reconstrueren. Zij leidde in de eerste plaats naar het museum Arnold Vander Haeghen in Gent, waar de papieren van Maeterlinck worden bewaard, samen met zijn boekenkasten, zijn werktafel, zijn paarse sofa's en zijn bibliotheek. De plaats van de misdaad - niet echt (Maeterlinck woonde in 1926 in Frankrijk), maar toch. Er viel geen spoor te vinden. De zoektocht leidde daarom verder, naar Kortrijk, waar een textielindustrieel de grootste collectie maeterlinckiana in privé-bezit had bijeengebracht.

Maar ook die verzameling gaf geen uitsluitsel over het plagiaat. Van Reybrouck trok naar Zuid-Afrika. Hij bezocht de bibliotheken van Pretoria en het archief van de uitgever van Die Huisgenoot. Hij was te gast bij Marais-biograaf Leon Rousseau in de buurt van Kaapstad. Hij doorzocht de Waterberg, waar Marais na zijn terugkeer uit Londen had gewoond, er bavianen had geobserveerd en Die siel van die mier had geschreven. De plaag laat zich lezen als een literaire en historische detective.

Tegelijkertijd echter is dit debuut een journalistiek reisverslag. Het boek brengt de lezer niet alleen in de wereld van de literatuur en de - Afrikaner - taal en in de wereld van de insecten, bij de 'witte mieren' en hun gigantische bouwwerken, maar ook en vooral in het 'donkere continent' dat Afrika heet. De auteur verhaalt over zijn busreis door de halfwoestijn die tussen Pretoria en Kaapstad ligt, over de terugreis per trein, over zijn autotocht door de verlaten Waterberg. Hij herinnert zich ontmoetingen, mensen, landschappen en cafés, biltong, chibuku en schietbanen. Elke bladzijde van het boek getuigt van avontuurlijkheid en exotisme, is gedrenkt in een aanstekelijk, jongensachtig enthousiasme, dat onwillekeurig het beeld van Kuifje oproept.

Zo eenvoudig liggen de zaken echter niet. Het Zuid-Afrika dat Van Reybrouck doorkruist, is immers een verscheurde wereld. De samenleving heeft er zich wel bevrijd van de apartheid, maar haar kwetsbaarheid is er niet minder groot om. Er is de wrok van de blanken, die alles verloren menen te hebben, en er is de teleurstelling van de zwarten, die nog niets gekregen menen te hebben. Er is de armoede en er is aids. Er is misdaad, er is geweld, en er zijn de spookgeesten die overal misdaad en geweld menen te zien. "Er zijn momenten", zo schrijft Van Reybrouck, "dat ik me geneer voor mijn exotische interesses."

Die gêne wordt in dit boek niet afgekocht met het kopergeld van sentiment en goede zeden. Zij leidt integendeel tot passages waarin het leed, de moed en het eigen onvermogen ten aanzien van het onrecht eenvoudig worden getoond. Er is de passage over de kapster, een passage die aanvangt met een inderdaad exotisch klinkende lof op het kappersbezoek 'in den vreemde' (van de getatoeëerde kapper in de haven van Dublin tot de zaak aan de voet van het Alhambra), maar die uitmondt in de zacht vertelde biografie van een blanke kapster, die haar man en haar zwager bij de moorden in Zuid-Rhodesië verloor, maar er desondanks op stond ook kroeshaar te leren knippen. Er is de onthutsende passage over de opgeschoten Afrikaner jongens, met hun verstikkend nationalisme en hun Victoriaanse antropologie (Ons is rasiste, ja), die desondanks de sympathie van de bezoeker weten te wekken. De plaag is een reisverslag, in letterlijke, maar ook in figuurlijke zin: het boek is immers ook een verkenningstocht door de wetenschaps- en de cultuurgeschiedenis. Het exploreert daarbij uiteenlopende themata, waarvan het eerste door Maeterlinck zelf wordt aangereikt: wat bracht die zoeker naar 'het hogere' ertoe zich met insecten bezig te houden? Wat hebben literatuur en entomologie met elkaar te maken? Het antwoord, aldus Van Reybrouck, ligt in de metaforische kracht die in de wereld van althans de sociale insecten - de termietengemeenschap met haar kastes van werkers, soldaten en een koningskoppel - besloten lag. Die wereld kon de verbeelding van de menselijke cultuur voeden. Zij kon Maeterlinck, die in 1901 al over het leven der bijen had geschreven, een instrument bieden om zijn lezers voor de totalitaire samenleving van het communisme te waarschuwen. Aldous Huxley liet in 1932 zijn Brave New World verschijnen: zijn broer Julian, bioloog van professie, had twee jaar eerder over mieren en termieten gepubliceerd.

Het thema van de insectenmetaforiek brengt Van Reybrouck tot andere themata uit de wetenschaps- en de cultuurgeschiedenis. Het boek gaat in op de lange westerse traditie van het denken over staat en samenleving in termen van lichaamsgroei, het raakt de verhouding tussen wetenschap en literatuur aan, legt de relatie tussen wetenschap en ideologie bloot. Het trekt verder naar het thema van de wetenschappelijke geloofwaardigheid: hoe komt het toch dat Europese (en Noord-Amerikaanse) geleerden de archeologische paradigmata bepaalden, terwijl hun collega's uit andere continenten geen erkenning voor hun empirische vondsten kregen? Is wetenschap een kwestie van macht, van hiërarchie tussen kolonisators en gekoloniseerden? Of nog een ander thema, dat van de politieke recuperatie van de literatuur: Marais dichtte in het Afrikaans, hij werd door het apartheidsregime ingelijfd.

Waar ligt de samenhang tussen al deze themata? Waar vinden de grootburger die over termieten schrijft, en de 'gepolitiseerde' dichter elkaar, de Zuid-Afrikaanse anatoom met een niet erkend fossiel en de Engelse socioloog die het 'lichaam' van de samenleving ontleedt? Van Reybrouck brengt hen samen rond het vermeende plagiaat van Maeterlinck. Het plagiaat is "de zandkorrel waarin hij een wereld hoopt te zien".

Gemakkelijk gaat dat niet. De plaag is een boek dat systematiek ontbeert en waarin willekeur heerst. De auteur laat zich leiden door zijn ongebreidelde interesses, hij betreedt de zijpaden die hij ziet. Zijn zoektocht langs bibliotheken en archieven is bovendien een aaneenrijging van ontgoochelingen en verloren illusies. Wanneer hij wél een spoor vindt, dan is dat veelal te danken aan het toeval. Of erger nog: hij ontdekt dingen die hij niet zocht. Het boek kan bezwaarlijk gelden als een model voor de historicus.

En toch, toch biedt juist deze histoire sauvage een uitvergroting van wat de geschiedschrijving inhoudt, van elementen die in élk historisch onderzoek een wezenlijke rol spelen. Zij toont hoe de historicus door zijn thema wordt gegrepen (De plaag is ook het verhaal van een liefde), hoe vasthoudend hij kan zijn, hoezeer de geschiedschrijving verwant is met het oplossen van raadsels, hoe zij daarom ook altijd een moment van spanning bevat, hoe moeizaam het archiefonderzoek kan zijn. Deze histoire sauvage leert hoe gevarieerd de bronnen van de historicus kunnen zijn en hoe veelvormig de betekenisverbanden die hij kan leggen. Zij illustreert hoe de historicus door het gevoel kan worden bekropen verder en verder van zijn oorspronkelijke thematiek weg te drijven.

Dit boek, dat geen model is en dat ook niet wil zijn, toont wat elke historicus vermoedt en beangstigt: dat hij slechts snippers van het verleden kan verzamelen, die zich niet tot eenheid laten brengen. Het getuigt van de sensatie die kan uitgaan van de voorwerpen die uit het verleden zijn overgeleverd, van de toevallig gevonden medicijnflesjes die Marais zelf heeft gebruikt en die de dode dichter, net als de dichter uit Henry James' The Aspern Papers, even nabij brengen. Het verraadt hoe sterk ook de sensatie kan zijn van de plaats die ooit de plaats van de geschiedenis is geweest - de boerderijen waarin Marais heeft gewoond, de broodboom die zijn naam draagt, de termietenhoop die hij ooit heeft bekeken.

Zo waaien uit de willekeur van dit boek de lezer 'het besef van vergankelijkheid' en 'de tastbaarheid van de tijd' toe. Van Reybrouck laat zich door het verleden verleiden, zijn historische interesse voert hem weg en maakt hem tot een vreemdeling in de eigen tijd. Maar telkens opnieuw is er ook het stille knagen van het geweten. Is er geen andere omgang met de geschiedenis mogelijk, noodzakelijk? Juist in dit verscheurde Zuid-Afrika is de geschiedenis 'rauwe herinnering'. Dient de historicus daarom niet het voorbeeld van de Waarheidscommissie te volgen? Zijn terugblik tot een helend en troostend instrument te maken, niet om het verleden terug te halen, maar om het heden van de last van het verleden te bevrijden?

Van Reybrouck thematiseert en suggereert. Hij is genereus en zaait twijfel. Wie met hem thuiskomt, merkt dat de inhoud van zijn bagage is veranderd: zij is rijker geworden, er zijn stukken uit verdwenen. En het plagiaat waar het allemaal om begonnen was? La vie des termites en Die siel van die mier? 1926? De reiziger kijkt verstrooid rond. De aanleiding van de reis was hij alweer vergeten. En in het Gentse archief was geen spoor van misdrijf te vinden.

David van Reybrouck

De plaag. Het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika Meulenhoff, Amsterdam, 302 p., 724 frank.

'De plaag' laat zich lezen als een literaire en historische detective

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234