Zaterdag 15/08/2020

De hellevaart van De Zwarte Hand

Jos Corbeel werd gisteren gehuldigd als een van de twee laatste overlevenden van De Zwarte Hand. Op zijn negentigste getuigt hij voor het eerst over wat een kleine verzetsbeweging was, die nauwelijks kattenkwaad uithaalde, maar wel een extreme prijs betaalde. 111 verzetstrijders werden gearresteerd, amper 37 keerden levend uit de concentratiekampen terug.

Jos Corbeel was gisterenochtend dan toch present in het Fort van Liezele. "Ik zag er nochtans tegenop", zegt de 90-jarige verzetsman uit Niel. Maar verstek geven was eigenlijk geen optie. Samen met zijn leeftijdgenoot Florent De Boeck is Jos Corbeel de eregenodigde op de herdenking van De Zwarte Hand. Vorig jaar pas werd besloten om daar een traditie van te maken: het laatste weekend van oktober zou het moment worden waarop oud-leden, nabestaanden en sympathisanten hulde brengen aan deze verzetsbeweging uit Klein-Brabant en de Rupelstreek.

De timing verwijst niet meteen naar een hoogtepunt in de overigens korte geschiedenis van De Zwarte Hand. Tussen 24 en 28 oktober 1941 werd de voltallige organisatie door de Duitse Sicherheitspolizei und SD opgerold. Echt moeilijk was dat niet, nadat de eerste arrestanten onder druk van zware folteringen in het Fort van Breendonk het bestaan en de vindplaats van een heuse ledenlijst hadden opgebiecht. In het handboek 'ondergronds verzet plegen onder een brutaal bezettingsregime' staat De Zwarte Hand niet echt als voorbeeld gestaafd. Maar als uiting van onversneden patriottisme en jeugdig idealisme kent de beweging haar gelijke niet. De meeste leden van De Zwarte Hand waren tussen de zestien en vijfentwintig jaar oud. Veel verder dan het kalken van wat V-tekens en het verspreiden van leuzen tegen nazi's en collaborateurs hebben ze het nooit gebracht. Kattenkwaad haast, maar de prijs voor symbolisch verzet viel ongemeen zwaar uit. Van de 111 arrestanten keerden er slechts 37 levend uit de concentratiekampen terug.

Historisch geheugen

Eind september is oud-voorzitter Rik De Bondt op de gezegende leeftijd van 88 jaar overleden. En toen waren ze nog met twee. Florent De Boeck wenste niet te reageren, de last van de jaren en de inktzwarte herinneringen wogen te zwaar. Jos Corbeel bleek wel bereid. "Niet om ermee uit te pakken", zegt hij. "Dat heb ik trouwens nooit gedaan. Ik liet me zelden zien op bijeenkomsten waar weerstanders met hun medailles kwamen pronken. Maar als een van de laatste getuigen wil ik me niet verstoppen, want het gaat niet goed met ons historisch geheugen. Een paar maanden geleden werd ik door een stel leerlingen van een middelbare school geïnterviewd, ze gaan er een boek van maken. Ik weet niet of ze zich hadden voorbereid, maar sommigen van die kinderen wisten niet eens dat er hier zoiets als een Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden."

Die comfortabele onwetendheid was hem zelf niet gegund. Jos Corbeel, zoon van een schrijnwerker-verzekeringsmakelaar, was 17 toen de oorlog uitbrak en ons land als een plukrijpe appel in de schoot van de nazi's viel. "Ik kom uit een socialistisch nest", zo begint hij aan zijn verhaal. "Niet toevallig, ze noemden deze streek trouwens de Rode Rupel. Uiteraard waren we anti-Duits en vaderlandslievend, mijn ouders herinnerden zich maar al te goed de bezetting van '14-'18. In het begin viel het nog mee. We leefden zogezegd onder de Nieuwe Orde, maar veel viel daar in deze streek niet van te merken. Ja, alle fabrieken lagen stil, en de bezetter probeerde arbeiders te verleiden om naar Duitsland te gaan werken. Vrijwilligers keerden beladen met zakken meel terug. Dat stak de ogen uit, want hier leden de mensen honger. Na een poosje maakten ze de arbeidsdienst verplicht en begonnen ze jacht te maken op werkweigeraars. Ik bleef buiten schot. Officieel was ik nog student, maar in feite werkte ik voor de socialistische vakbond. Toen die na een paar maanden werd verboden, heeft vader me via via een baantje bij de Commissie voor Openbare Onderstand bezorgd. We verdeelden voedsel, in het kader van de actie Winterhulp. Zo ben ik erin gerold.

"Bij Winterhulp werken heel wat Belgische militairen. Een van hen was Camiel Bastaens, een officier en overtuigd patriot die er van het begin bij was. In feite is De Zwarte Hand in Klein-Brabant ontstaan, in Puurs en Tisselt. Via mensen zoals Bastaens is het naar de Rupelstreek uitgewaaierd, eerst naar Boom en vandaar naar Niel. Doe mee, zei hij op een dag. Ik heb er een week over nagedacht. Het leek me riskant dat ik een akte moest ondertekenen, compleet met naam en adres. Uiteindelijk heb ik het toch gedaan, in de zomer van 1941. Ze zullen wel voorzichtig zijn, dacht ik. Achteraf bekeken was het een stommiteit van jewelste. De koster van Tisselt, een van de stichters van De Zwarte Hand, had de voltallige lijst onder het altaar van zijn kerk verstopt. Je kunt wel denken hoe de Duitsers hebben gelachen toen ze die papieren vonden.

"Ik heb pas na de oorlog vernomen hoe het allemaal is verlopen, want van de hele organisatie in Klein-Brabant wist ik niks af. Eigenlijk kende ik maar drie leden. Bastaens, de man die me geworven had en me met sluikpers bevoorraadde. Daarnaast waren er Florent De Boeck uit Niel en John Bossuyt uit Schelle, jongens die ik al voor de oorlog kende. Soms ging ik alleen, maar meestal trokken we er met zijn drieën op uit, altijd na spertijd. V-tekens kalken, affiches aanplakken, vlugschriften in de brievenbussen van collaborateurs stoppen. 'Meer Meel! Minder Moffen!', was een van onze slogans. We verdeelden ook vlugschriften met de tien geboden van De Zwarte Hand, maar die ben ik helaas vergeten. Studentikoos allemaal, maar niettemin spannend. We moesten niet alleen oppassen voor de Duitse militairen, maar ook voor de Belgische politie. De commissaris van Boom was een patriot die het verzet stiekem hielp, maar zijn collega van Niel voerde braafjes de bevelen van de bezetter uit.

"Om geen argwaan te wekken opereerden we nooit op hetzelfde tijdstip. En niemand wist ervan, zelfs mijn ouders niet. Natuurlijk besefte ik dat we met onze V-tekens en vlugschriften de oorlog niet zouden winnen, maar het was zeker niet zinloos. We wilden de mensen een hart onder de riem steken en bewustmaken. Dat de strijd niet verloren was, en dat we bezetting niet mochten aanvaarden, want de Duitsers plunderden ons land en stalen ons voedsel. Ik voelde binnenpret als ik overdag het resultaat van onze acties zag. Een van mijn collega's bij Winterhulp was een overtuigde zwarte. Ik zie hem daar nog staan, terwijl hij schuimbekkend van woede onze affiches van de muur aan het krabben was."

Speldenprik

Het ontbrak De Zwarte Hand niet aan ambitie. Sabotageplannen werden gesmeed, contacten met het verzet in Brussel leverden een stel schietklare pistolen op. Op het militair vliegveld van Hingene liep een vat van vijfduizend liter kerosine leeg. Een speldenprik voor de Luftwaffe, een triomf voor De Zwarte Hand. Ook dat unieke wapenfeit heeft Jos Corbeel pas na de oorlog vernomen, net zoals de vergeefse pogingen om met Londen in contact te komen. "Hun zender was te zwak", zegt hij. "Bovendien vertrouwden de Engelsen het zaakje niet, want ze aanvaardden alleen gecodeerde berichten. Naar het schijnt heeft de gravin van Marnix van Sint-Aldegonde nog geld geschonken om een krachtigere zender te kopen, maar zover is het niet meer gekomen. Al bij al heeft De Zwarte Hand maar een goed jaar bestaan. Nee, ik heb mijn arrestatie niet zien aankomen, ook al had ik geruchten opgevangen dat er in Klein-Brabant een paar tegen de lamp waren gelopen. Ineens stonden er twee Duitsers in mijn kantoor. 'Corbeel! Mitkommen!' Ze namen me mee naar huis en keerden mijn kamer ondersteboven. Gelukkig had ik alle bewijsmateriaal op een dak verstopt. Ze hebben niks gevonden, behalve een affiche met 'No pasarán!' uit de Spaanse Burgeroorlog. Mager als bewijsmateriaal, maar er was natuurlijk ook mijn naam op de ledenlijst."

In het Fort van Breendonk werd meteen de toon gezet. Urenlang rechtop staan met het gezicht tegen de muur. Wie ook maar een vin verroerde, werd in elkaar gestampt. Jos kent de haltes op zijn lijdensweg nog rats uit het hoofd. De Begijnenstraat in Antwerpen, het Gestapo-hoofdkwartier in de Della Faillelaan, waar het tijdens de ondervragingen vuistslagen regende. Na een paar maanden verhuisde hij naar Vorst, van waaruit hij op transport naar Wuppertal werd gezet. "In afwachting van ons proces", zegt hij. "Ik moest als een van de 25 leiders van De Zwarte Hand terechtstaan, net zoals Florent en Johnny. Absurd als je weet dat we maar een dikke drie maanden actief zijn geweest. Wellicht kwam het door onze contacten met Bastaens, een van de zestien die door het Volksgericht ter dood werden veroordeeld. Wij zijn uiteindelijk met vijf jaar dwangarbeid weggekomen. Geluk gehad, maar ook mijn kennis van het Duits heeft geholpen. Er waren immers advocaten, één per vijf beklaagden. Hoe oneerlijk het hele proces ook was, die man heeft ons goede raad gegeven. Beken vooral niets dat ook maar in de verste verte als spionage of sabotage kan worden geïnterpreteerd, raadde hij aan, anders krijg je sowieso de doodstraf. Dat hebben we goed in onze oren geknoopt, we hadden onze verklaringen trouwens al in Antwerpen op elkaar afgestemd."

Geluk is hier een relatief begrip, want de gevangenis van Wuppertal was een hel. Jos: "De bewakers waren misdadigers van gemeen recht, er zaten echte sadisten tussen die niks liever deden dan ons aftuigen. Misschien kwam het door mijn kleine gestalte, maar ik was hun favoriete boksbal. Als de deur van mij cel openging, wist ik hoe laat het was. Ze hebben me daar meermaals bont en blauw geslagen. Meestal echter zat ik alleen tussen vier muren, weken aan een stuk. Het was ten strengste verboden ook maar een woord met de andere gevangenen te wisselen. Om niet gek te worden zong ik in mijn hoofd alle schlagers die ik kende. Een keer, tijdens de wandeling, heb ik toch iets naar Florent geroepen. Ik werd prompt uit de rij gehaald en met de wapenstok afgeranseld. Ze bleven maar doorgaan, want ik was te trots om een kik te geven. Uiteindelijk ben ik toch beginnen kreunen om ze te doen ophouden. Ik heb dagenlang niet op mijn achterwerk kunnen zitten."

Lijmresten eten

Hameln an der Weser werd zijn eerste werkkamp. Papieren zakken lijmen, hij ziet de vouwlijnen nog zo voor zijn ogen. "Honger geleden", zegt hij. "Op de duur begon ik lijmresten te eten. Zetmeel, dacht ik, kan nooit kwaad. Maar toen kreeg ik dat gezwel onder mijn oksel, zo groot als een ganzenei. Een bloedvergiftiging van de lijm, denk ik nog altijd. Een dokter was er natuurlijk niet, je kon trouwens beter niet ziek vallen. Dat van die vijf jaar straf, daar geloofde ik niks van. We waren Nacht und Nebel-gevangenen, het was niet de bedoeling dat we ooit zouden vrijkomen. Werkslaven, daar kwam het op neer. Wie geen nut meer had, werd geliquideerd. Officieel bestonden we trouwens niet, mijn ouders hebben ook nooit geweten waar ik uithing."

Talen- en mensenkennis loonde, zeker in de concentratiekampen. In Sonnenburg, vlak bij de Poolse grens, hield hij er als tolk in de schrijnwerkerij een relatief comfortabel bestaan op na. In Sachsenhausen, zijn laatste kamp, werd hij naar een plaatslagerij gecommandeerd. Jos viel in de gunst van een Nederlandse dwangarbeider die de onbezoldigde taak van personeelschef waarnam. "Ik moest 's avonds de vloer vegen en ijzerresten verzamelen", zegt hij. "Overdag verstopte ik me tussen de turbines. Lekker warm, ideaal om te slapen. In Sachsenhausen waren vele Russen. Die waren veel brutaler en handiger dan wij. Ze sneden naakte vrouwenposturen uit plexiglas en versjacherden die aan de bewakers voor sigaretten. En zingen dat die mannen konden. 's Avonds bleef de trein van de fabriek naar het kamp vaak urenlang op een zijspoor stilstaan. Dan staken de Russen zelfgemaakte kandelaars aan terwijl ze patriottische liederen zongen. Onvergetelijk, ik ben altijd dol geweest op Russische koormuziek".

Idyllische taferelen in Sachsenhausen? De dagelijkse realiteit was veel grimmiger. Zoals het appel op die ijskoude novembernacht in 1944. In veel te lichte kleren stond Jos met de andere kampbewoners het verdict van de slavenkeuring af te wachten. Links betekende werkbekwaam en uitstel van executie, zieken en zwakken werden rechts uitgerangeerd en verdwenen voor immer uit beeld. "Een van de gevangenen brak uit het gelid en werd doodgeschoten", zegt Jos. "Zelfmoord, dat kwam in de kampen vaak voor. Ach, er waren zoveel manieren om te sterven. De Duitsers hoefden ons niet eens dood te schieten, mensen vielen als vliegen door honger en ontbering."

Hoe sereen hij het allemaal vertelt. Tijd heelt vele wonden, maar de herinnering aan de dodenmars wordt hem toch te machtig. Op 20 april 1945 begon de evacuatie van Sachsenhausen. 33.000 verzwakte en uitgehongerde gevangenen begonnen in groepen van vijfhonderd aan een dwangmars richting Oostzee. Zonder eten of drinken, boeren die de uitgemergelde passanten wat eten probeerden toe te stoppen, werden door bewakers neergeknuppeld. Jos woog geen veertig kilo meer, maar het geluid van de geweerschoten hield hem op de been. Achterblijvers werden zonder genade met een nekschot afgemaakt. Na een paar moordende dagen strandde de karavaan in een woud nabij Wittstock.

Daar, in een complete chaos, verscheurd door de vrees voor de laatste bewakers en de hoop op een spoedige bevrijding, beleefde hij zijn zwartste moment. "Ik moest eten vinden", zegt hij, "anders was het afgelopen. Ik zat in een groep Nederlanders. Domme pech, want de Belgen kregen in de kampen een zekere voorkeursbehandeling. Flamenpolitik, werd er gezegd. Bij hun aankomst in het bos hebben ze van het Rode Kruis allemaal een voedselpakket gekregen. Ik mocht nog tien keer uitleggen dat ik ook een Belg was, ik kreeg niks. Met mijn laatste krachten heb ik me naar de Belgische colonne gesleept, drie kilometer verder in het bos. Ze waren daar aardappelen aan het koken, het leek een festijn."

Het is bij deze passage dat zijn stem stokt. Zijn landgenoten, onder wie enkele medestanders van De Zwarte Hand, bleven doof voor zijn smeekbeden. "Ik begrijp het wel", zegt hij. "Ze werden zelf door honger verteerd. En toch heb ik het nooit kunnen aanvaarden. Geen stukje aardappel, niks hebben ze gedeeld. Dat moment is me blijven achtervolgen. Ik ben toen op mijn rug gaan liggen, overtuigd dat ik zou sterven. Ik geloofde niet in God, maar ik was er helemaal klaar voor."

Maar zie. Op de valreep, zoals in een slechte Hollywoodfilm, verscheen de eerste Russische tank. Met zijn odyssee door het pas gecapituleerde Duitsland kunnen we nog een paar pagina's vullen. Twee weken deed hij erover. De laatste etappe ging per vrachtwagen van Brussel naar de markt van Boom. "Ik werd er meteen opgemerkt door een vader van een Zwarte Hander. Hij heeft me met de auto naar Niel gebracht. Een jonge vrouw vloog in mijn armen, ik wist eerst niet wie het was. De laatste keer dat ik mijn zus had gezien, was ze nog maar een kind van twaalf. Een buurman is op zijn fiets gesprongen om mijn ouders te verwittigen die gaan wandelen waren op de dijk. Jos is thuis, riep hij van ver. Vader en moeder wisten niet waar ze het hadden. Drie jaar lang hadden ze niks van mij gehoord, ze wisten niet beter of ik was dood. Vergeet ook niet dat de oorlog hier intussen al bijna een jaar achter de rug was. Niemand had nog op mijn terugkeer gehoopt. Het weerzien met mijn moeder, er zijn geen woorden om dat te beschrijven."

Hij nipt van zijn glas water, en weg is de krop in de keel. Buiten, in de voortuintjes van de fraaie Ridder Berthoutlaan, staan nog enkele verkiezingsborden. De uitslag ligt Jos, ABVV-kaderlid met dertig jaar pensioen op de teller, zwaar op de maag. "Ik vertrouw die De Wever niet", zegt hij. "Ze zouden hem beter De Bever noemen, want hij is de pijlers van ons land aan het doorknagen. Ook daarom wil ik getuigen, om jongeren bij te brengen wat vaderlandsliefde betekent. Spijt van die vreselijke jaren? Nee, ik zou het zo opnieuw doen. Maar dan toch graag bij een organisatie die het allemaal wat professioneler aanpakt dan De Zwarte Hand."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234