Donderdag 23/01/2020

De hele zomer verplicht op school

Niet elk kind hunkerde de voorbije week even sterk naar de laatste schoolbel. Wie in een permanent geopend internaat verblijft, moet de vakantie immers doorbrengen zonder mama of papa. 'Ik hoop wel dat ze op bezoek komt.'

"Telefoon voor Timo aan het secretariaat." De woorden schallen uit de luidsprekers in het internaatsgebouw aan de Driftweg in De Haan. Niemand kijkt op of pauzeert, met uitzondering van Timo zelf: die springt op en steekt enkele momenten later haastig het speelplein over. Tijd om te praten heeft hij niet. Toch niet met wie op het plein staat te dralen. Het thuisfront wacht aan de andere kant van de lijn. De wijzers van de klok duiden iets na zes aan. Het bel-uurtje in Huis aan Zee, het vroegere De Vloedlijn, is van start gegaan. En daar zal een handvol ouders gebruik van maken.

Huis aan Zee is een van de vier permanent geopende internaten van het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (vaak ook opvangcentra of noodinternaten genoemd) waar het hele jaar door kinderen en jongeren uit het buitengewoon lager en secundair onderwijs worden opgevangen. In totaal zijn er dat 250 - zij hebben geen thuis of zijn geplaatst door het Comité van Bijzondere Jeugdzorg of de jeugdrechtbank.

Het internaat in De Haan is het grootste: op schooldagen, van maandag tot vrijdag, verblijft er een 75-tal kinderen tussen de 4 en 25 jaar oud. Het merendeel van hen is er om de ouders te ontlasten, maar spendeert de weekends en de schoolvakanties wel thuis. Helaas is dat geen optie voor iedereen: er zijn ook kinderen die nergens anders naartoe kunnen. Zij blijven zeven dagen op zeven, het hele jaar door, in Huis aan Zee. Op zater- en zondagen, maar ook de komende twee maanden, krijgen ze gezelschap van lotgenoten uit internaten in Roeselare, Aalst en Kortrijk. Samen vormen ze een heel gevarieerde groep van 120 mensen. Sommigen lijden aan autisme en licht verstandelijke handicaps, anderen aan ernstige hechtingsproblemen en gedragsstoornissen.

Federica (13) trekt haar neus op. Ze zit tijdens de platte rust op een zorgvuldig opgemaakt bed. Nee, klinkt het, ze heeft geen zin om hier nog twee maanden te slapen. Het is haar zesde zomer in Huis aan Zee, net als die van haar broer Mattia (11). "Het is raar om hier te blijven. Leuk maar ook niet leuk. Het is tof. Maar ik wil ook mijn mama." Waarom dat laatste moeilijk is, daarover zegt ze niets. "Ik mis haar. Mijn hele familie eigenlijk. Mijn oma en opa heb ik al jaren niet gezien", zegt ze terwijl ze met haar vinger over de muur van foto's naast haar bed strijkt. Familiekiekjes hangen daar niet tussen. Het zijn de kinderen en begeleiders uit de vorige instelling waar ze zat. "Weet je wat daar leuk was: ik had een stapelbed."

In tegenstelling tot zijn zus vindt Mattia het niet erg om te blijven. Hij zal daar later van maken: "Soms niet." Het hangt van de dag af, of beter, van de activiteit die er dan plaatsvindt. Mattia, in Rode Duiveltenue en met twee tricolore plaktattoos op de wangen, hoopt op veel voetbal. "Ik ga ook op kamp." Wat voor kamp, dat weet hij niet. Iets met vlotten bouwen, of pony's. "Allemaal goed."

Zowel Federica als Mattia hebben een licht mentale beperking. Ze zijn geplaatst door de jeugdrechter omdat hun thuissituatie jaren geleden te problematisch bleek. Als hun moeder niet in de gevangenis zat, dan wel aan de heroïne. En daar blijkt maar geen verandering in te komen. Een papa is er niet. "Ik hoop dat ik bezoek van haar ga krijgen", zegt Federica.

's Middags in de refter werd er door de kinderen, bij kip met appelmoes, druk gesproken. Over het zwembad met glijbanen waar ze naartoe gaan, over wat ze op school hebben gedaan, en over wat ze tijdens de vakantie zullen doen. Een iemand gaat naar het buitenland, een ander veel tv kijken. "Maar ik zou ook wel hier willen blijven hoor, zoals Ken", kirt er eentje. Ken (10) gaat voor het eerst niet naar huis. Het laatste weekend dat hij en zijn broer Keano er waren, ontspoorde de situatie volledig. Noch moeder, noch vader had de fles kunnen afzweren. Er volgde ruzie, politie, een crisisopname. In Huis aan Zee werd gesuggereerd dat het beter zou zijn om wat langer bij hen te blijven. Ken werd boos, daarna optimistisch. "Ik denk dat het hier een beetje als een hotel zal zijn, maar dan anders. We mogen langer slapen, tot halfnegen. En misschien ook wel naar de WK-matchen kijken."

Ken zal jarig zijn tijdens zijn zomer hier, vertelt hij nog snel nadat meester Jan hem eraan herinnerd heeft dat hij de tafel moet afruimen. Ook hij is vol hoop: "Normaal komt mijn mama dan langs."

Of ze er de twaalfde juli ook daadwerkelijk zal staan, is maar de vraag. Hoofdopvoeder Patrick Kindt weet uit ervaring dat hij weer teleurgestelde gezichtjes zal tellen. Hij werkt sinds 1982 in het opvangcentrum en is verantwoordelijk voor de weekend- en vakantiewerking. "Geen tijd, geen benzine, geen belkrediet: sommige ouders blijven met excuses komen", zegt hij. Wat hem na al die jaren nog altijd frappeert is dat de kinderen mild blijven.

Hetzelfde geldt voor wie een weekendje of een dag naar huis mag. "Ook al weten ze dat ze er geen eten zullen krijgen of dat er klappen zullen vallen, dan nog willen ze de week nadien weer gaan. Het is ongelooflijk hoe snel ze zich aan zo'n situatie aanpassen, hoe snel hun normen en waarden op dat vlak veranderen. Niets is zo sterk als de ouderband." In de mate van het mogelijke proberen ze de wens van het kind te volgen. "Ook wij geloven dat de band met de ouder belangrijk is. Maar het moet constructief zijn."

De eerste dagen van de vakantie zijn het moeilijkst, klinkt het dan. Want dan wordt duidelijk wie wel en wie niet blijft. "Ook de laatste week is zwaar. Sommigen van de kinderen die hier blijven hebben dan twee maanden niemand van hun familie gehoord of gezien. Dat weegt door." Zeker op zaterdag. Dan is de laatste bezoekdag. Voor sommigen betekent die: een hele dag via de intercom horen wiens mama of papa in de speelruimte wacht.

Als we naar het strand wandelen, waar de woensdagnamiddag met spelletjes wordt doorgebracht, zullen Patricks handen niet meer worden losgelaten. Een wordt opgeëist door Nelle, een meisje van vier. Ze werd drie jaar geleden door haar moeder op straat achtergelaten. "Je ziet hoe snel die kinderen zich hechten", vertelt Patrick aan mij. Ik kan niet anders dan beamen: ook ik word op dat moment door twee leeftijdgenootjes aan de hand voortgetrokken, bedolven onder de vragen. Of ik met hen wil spelen? Of ik hun juffrouw word? Of ik morgen terugkom?

Voor de twee aan mijn zijde is het de laatste dag. Straks zullen ze afscheid nemen van Nelle, die zal blijven. Soms mag zij ook een weekend naar huis. Maar dat verloopt vaak moeizaam. "Ze klapt volledig dicht als ze wordt opgehaald. Letterlijk: ze zegt geen woord meer. Haar moeder trekt er niet meer aan om haar nog te komen halen. Er valt toch niets mee te doen, zegt ze dan. Ook als Nelle weer hier is volgen er sprakeloze dagen."

Naar het strand gaan is een van de activiteiten die haar de komende weken weer aan de praat moeten krijgen. Net als zwemmen, fietsen, knutselen. Er zijn bakfietsen, en er zullen gocarts zijn. Elke zondag is er barbecue. "We proberen zo goed mogelijk het vakantiegevoel te creëren", zegt begeleidster Sofie. Zij staat in voor een achttal kinderen en heeft nog geen moment spijt gehad dat ze haar job als kleuterjuf opzei. "Je krijgt zoveel terug."

Net als de andere begeleiders zal Sofie trachten zoveel mogelijk buiten de internaatsmuren te treden. Elke leefgroep zal een keer ergens in België op kamp gaan. Er zal ook een pretpark worden bezocht. En op 31 augustus staat er traditiegetrouw een zeiltocht met een piratenboot gepland. "Dan hebben de kinderen ook wat cools te vertellen als de school weer begint."

"De maatstaf voor mij is altijd de vraag: wat als mijn eigen kinderen hier zouden zitten?", vult Patrick aan. "Wat zij doen in de vakantie, moet ook enigszins mogelijk zijn voor de kinderen hier. Ik denk dat we op vlak van ontspanning echt wel voldoende aanbod hebben, zeker door de inspanningen van sponsors. Ik geloof zelfs niet dat mijn dochter en zoon ooit zo actief waren tijdens hun vakanties." Maar alleen: een kind heeft meer nodig dan een kamp, dan een kooknamiddag, dan fietsparcours. "Een echte thuis hebben, liefde en warmte voelen. Daar kunnen wij maar beperkt mee helpen. En dat blijft voor de meesten wel het grootste gemis."

"Ik vind het erg dat de school straks gedaan is", zegt Liene (17), een studente haartooi na een spelletje kubb op het strand. "Voor mij hoeft de vakantie niet. Als ik les heb, dan kan ik bij mijn vrienden zijn." Haar vrienden zien, dat lukt tijdens de vakantie ook maar beperkt. Via het Yes, We Can-project dat in Huis aan Zee loopt, kan ze, afhankelijk van haar inzet en gedrag, meer vrijheden en verantwoordelijkheden verkrijgen. Nu mag haar gsm een paar uur per dag aan, en mag ze een halfuur alleen het dorp in. Ze zal ook als kampmonitor gaan werken. "Ik denk dat ik binnenkort weer een stap hoger kan", zegt ze. Kort geleden was het er een minder: toen was ze zodanig moeilijk dat haar regime strikter moest. Ze heeft er een laatstekanscontract aan overgehouden. Maar dat was toen. Nu boekt ze vooruitgang, lacht ze, zorgt ze voor de kleintjes. Richting huis wil ze niet. De banden met haar moeder, diens zoveelste partner en haar zussen en broers heeft ze zelf doorgeknipt. "Ik kon al die leugens en al die ruzie niet meer verdragen."

Twee jaar geleden klaagde een opvoeder van Huis aan Zee de situatie in het opvangtehuis aan. Volgens hem verwaarloosde de Vlaamse overheid de kinderen die er worden opgevangen. Hij hekelde het gebrek aan middelen. Tussen de politieke discussies door getuigden sommige kranten over hoe "triestig" en "afgeleefd" het "gevangenisgebouw" aan de Driftweg wel was.

De infrastructuur is inderdaad niet meteen wat je noemt modern. In de gangen en leefruimtes die nog niet zijn opgeknapt, zijn de schilderingen op de muren oud, de keukens aftands, het meubilair ouderwets. Maar de kinderen lijken daar niet wakker van te liggen: voor hen zijn het de flatscreens, de Playstations, de Apple-beeldschermen die hun aandacht trekken. Ze lijken niets tekort te komen. De mensen die er vandaag werken zijn overtuigd dat ze dat ook niet doen.

Sommige van de slaapkamers doen wel kil aan. De muren zijn kaal, de kasten vrijwel leeg. Op die van Mattia staat een koffer klaar. Niet omdat hij plots wel naar huis mag, wel omdat er straks weer van kamer gewisseld moet worden. Hij baalt zichtbaar. Liever zou hij zoals zijn zus een vaste plek hebben, maar dat kan niet. Nog niet. "De puzzel moet kloppen", zegt Patrick.

Als in het weekend en de vakantie de kinderen van de andere internaten bij Huis aan Zee op de stoep staan, moet hij met zijn team eerst bedacht hebben wie in welke bedden mag slapen. "We hebben er 120, maar niet voldoende plaats om die allemaal in een aparte kamer op te stellen." Daar komt bij dat de groep wekelijks kan variëren. "We werken met horizontale leefgroepen. Dat betekent dat we kinderen met dezelfde leeftijd en in dezelfde ontwikkelingsfase telkens opnieuw proberen samen te plaatsen." Kinderen in een rolstoel moeten bijvoorbeeld samen kunnen liggen, dicht bij een aangepaste badkamer. "Maar we moeten tegelijker ook met heel wat andere dingen rekening houden, we zitten hier nu eenmaal met een zeer divers en soms kwetsbaar publiek. Zo moeten we er bijvoorbeeld ook op toezien dat iemand met een verleden van seksueel grensoverschrijdend gedrag geen kamer deelt met een slachtoffer van seksueel misbruik."

Niet alleen de kinderen maar ook de begeleiders in Huis aan Zee betreuren dat ze geen eigen kamers hebben. "Ze hebben al geen echte thuis. Dat hier dan ook nog voortdurend andere mensen in 'hun' bed komen liggen, vinden we moeilijk. Voor de hechting en ontwikkeling van een kind is het belangrijk om een eigen plek te hebben, die ze met persoonlijke stukken kunnen inrichten." Er is wel beterschap op komst. In 2016 is de nieuwbouw aan Huis aan Zee klaar, en komen er twintig eenpersoonskamers bij. En mogelijk is tegen dan ook al de druk op de schouders van de noodinternaten verkleind. Het aantal centra zou tegen 2015 verdubbeld worden, van vier naar acht. Maar zelfs met eenpersoonskamers zal er altijd plaats te weinig zijn, vrezen ze. "Kinderen komen hier geregeld met hun hele hebben en houden aan. Dat krijg je nooit allemaal opgeborgen."

Zeker niet omdat het aantal geplaatste kinderen jaar na jaar blijft toenemen. "Hier zitten kinderen van kinderen die ik heb geholpen", zegt Patrick. Vroeger waren het vooral vrijwillige plaatsingen, nu zijn ze vaker gedwongen. "Omdat er meer druk vanuit de maatschappij komt. Maar ook omdat we steeds alerter zijn: er worden sneller mistoestanden geconstateerd."

Voor Kelly (17) wordt de zomer spannend. Als alles goed gaat, heeft ze straks haar eerste studentenjob beet, ergens in De Haan. In een winkel misschien. Ze heeft er zin in. "Alles wat ik verdien gaat naar mijn spaarboekje", klinkt het. Voor later, als ze in een eigen appartement gaat wonen, "met begeleiding". Kelly zal deze zomer haar vader één keer bezoeken: tijdens een namiddag, want de man verblijft zelf in een instelling sinds hij een zwaar accident kreeg. Haar moeder is overleden. Jaloers dat Sam, haar beste vriend, straks twee weken naar zijn oma en opa gaat, is ze niet. "Dat hoeft niet voor mij. Ik heb het hier naar mijn zin." En dan loopt ze terug naar haar vrienden. Er worden gelachen en geroepen op het strand. Het enige trieste gezicht is dat van een kind dat zand in de ogen krijgt.

"Als mensen mij vragen hoeveel kinderen ik heb, dan zeg ik tweehonderd", zegt Fernand Savels. Hij verzeilde als wiskundeleraar in het centrum, waarop 35 jaar voorbijvlogen en hij nu internaatbeheerder is. De man vindt dat "zijn" kinderen te vaak de stempel "uit een noodinternaat" krijgen opgeplakt. "Dat is een woord dat wij zelf nooit zullen gebruiken: wij zeggen permanent geopend internaat. Noodinternaat is een woord dat door de media is verzonnen. Het benadrukt vooral het negatieve. Terwijl wat wij doen, wat de kinderen hier bereiken, net positief is. Natuurlijk: wij zijn voor een deel van deze kinderen de laatste oplossing. Maar moeten we ze daarom voortdurend als sukkelaars afschrijven? Dat zijn ze volgens mij hier nu net niet meer."

De namen van de kinderen zijn fictief.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234