Dinsdag 26/10/2021

De held en de bliksemafleider Leen Huet

Tijdens een bezoek aan een tuinbeurs werd er door een koppel goede geniën - bijna zag ik ze als mollige kleuters met schortjes van klimop rond mijn hoofd fladderen - een hoorn des overvloeds over me uitgestort: niet alleen vond ik potten vol sprookjesachtige rozen, maar ook de ideale tuinstoel om in te lezen en, vreemd genoeg, boeken. Kinderversjes met hypermoderne illustraties door Floris Jespers, een werk over sterrenkunde uit 1852 in prachtig Nederlands, negentiende-eeuwse fotalbums over Londen, Palermo en Jeruzalem, een stuk of wat landkaarten (op die warme dag bleek vooral een overzicht van de Bevaarbare Belgische waterwegen aantrekkelijk) en, goud op snee, Schetsen en toneelen uit Tyrol en Italië, door den kapitein De Jong van Rodenburgh. Waarom niet, denk je steevast als je je portefeuille bovenhaalt om iets dergelijks te kopen. De goede geniën in hun schortjes van klimop zagen erop toe dat die neutrale welwillendheid tijdens het lezen, in de ideale tuinstoel, omsloeg in enthousiasme.

Informatie over den kapitein De Jong van Rodenburgh is vooral te vinden in naslagwerken als Nederlands Patriciaat en De wapenheraut. Een gewoon biografisch woordenboek leerde in elk geval dat hij een reisverhalen schrijvende militair was en de zoon van een nog veel meer reisverhalen schrijvende militair. Cornelius Marius De Jong van Rodenburgh (Vucht, 1816 - Haarlem, 1899) zou je nog een hoge dunk doen krijgen van krijgslui uit het verleden - ik kan me vandaag weinig officieren voorstellen die, zonder hulp van ghostwriters, hun boeken verrijken met mooie citaten uit Shakespeare, Dante, Tasso, Lord Byron, Heine, de Lamartine en de klassieken. Het is even wat anders dan kinderen boven vuurtjes houden in den vreemde.

Zomer 1860. Kapitein De Jong, op jachttocht in de Alpen, werpt de buks over de schouder, stopt schets-, lees-, en dagboek in de ransel en kuiert en klimt door landschappen die hem duidelijk verrukken, "nu eens stilstaande om een lichteffect tusschen de boomen te beschouwen of, om te luisteren naar het schot van den ver verwijderden jager". Zijn middagmaal: "Gespikkelde forellen, juist uit de ijskoude wildbeek gevischt, en schuimend bier, gekruid door de inspanning der voetreis: een disch zoo eenvoudig als het land dat wij bereisden." 's Avonds wacht een kruikje landwijn "onder een priëel van wijngaardranken". De Nederlander, die zijn reisverslag "den welwillenden lezer en geenszins den strengen recensent" aanbiedt, blijkt een goede zwerver. Alles interesseert hem, van het ontstaan van de Alpen tot de politieke situatie van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie - Sissi was keizerin - over de jodelkunst, de stropersgewoonten en de plaatselijke legenden. Zo leren we dat een gemsbaard of een korhoenpluim op de hoed een absoluut statussymbool waren voor de jagers. Er golden strenge wetten om het wildbestand in de koninklijke domeinen op peil te houden: "Den gewonen strooper (Wilddieb) die hazen en patrijzen met hagel schiet, sluit men eenvoudig in den toren, maar de onverbeterlijke roofschutter (Raubschütz) die met de buks herten en gemsen neerlegt, wordt zonder genade neergeschoten." Toen was klassenjustitie nog niet schijnheilig. De roofschutters sloegen trouwens zonder genade terug - met een wolfsklem onder de sneeuw op het pad naar het boswachtershuis, om maar iets te noemen. Echt gruwelijke verhalen worden er in de dalen verteld. "Bij eene diepte stond een groot verweerd kruis, waar een afzigtelijk houten beeld tegen genageld was, daar de Tyroler de gewoonte heeft den Verlosser zoo lijdend mogelijk voor te stellen - mager, bloedend en door wonden misvormd. Naderbij komende, zag ik op de plaats van het hart twee gaten, die duidelijk door kogels gemaakt waren. Ik wist dat volgens een bijgeloof, algemeen onder de roekelooze roofschutters verspreid, de buks een onfeilbaar schot verkrijgt wanneer daarmede des middernachts, bij zekeren stand der maan, onder het uitspreken der tooverwoorden, een kruisbeeld doorschoten wordt." Elders hoort Van Rodenburgh over een herderin, het liefje van een neergeschoten stroper, die tijdens de trek met haar kudde de boswachter gewond aantrof. Ze hielp de smekende man niet, maar zette twee dennetakken in de vorm van een kruis naast hem neer: "'Wanneer nu de sneeuw komt, zoo spreekt ze, dan weet men dat hier een lijk ligt!'"

De Tyrolers tonen ook wel eens aanleg voor gemoedelijkheid: "Zonderbaar intusschen paart zich soms het schrikbarende aan het nuchtere, alledaagsche. Zoo is de voormalige folterkamer van het bergslot, het tooneel van meenig zoo ontzettend drama, in eene keuken veranderd, waaruit ons de geur eener heerlijke knodelsoep te gemoet kwam."

Wanneer Van Rodenburgh door de Alpen zwerft, heeft zijn verhaal vakantiecharme; zodra zijn voet "Italiaansche bodem drukt" komen we midden in een Europees oproer terecht. De onversaagde kapitein leidt ons naar de voornaamste slagvelden en personages. Solferino heet de eerste stopplaats - een oord van verdoemenis, waar op 24 juni 1859 meer dan dertigduizend soldaten het leven verloren hadden in een slordig treffen tussen het Oostenrijkse en het Piëmontese leger, dit laatste bijgestaan door Franse troepen onder leiding van Napoleon III. "Genoeg met die slachting," zou de keizer bij valavond gezegd hebben, "er moet een eind aan komen".

In Noord-Italië vocht men tegen de gehate Oostenrijkse overheersers. In het zuiden streed Giuseppe Garibaldi met zijn roodhemden voor de eenmaking van Italië. Wanneer onze nieuwsgierige gids in Genua aankomt, hangen daar al de affiches met de langverwachte mededeling: Garibaldi heeft Napels veroverd op de troepen van de Bourbon-koning die daar heerste. "Welk strijder toch is ooit onder het starende volk verschenen met een naam grooter en schitterender dan Garibaldi? Want dagelijks klonk die naam in de ooren en altijd als overwinnaar, altijd van naderbij." Van Rodenburgh wil geschiedenis gemaakt zien worden en spoedt zich met het eerste schip naar Napels. De stad blijkt veranderd sinds zijn laatste bezoek: de douanebeambten gedragen zich minder onbeschoft, het volk zelf is blijer en rustiger. Van Rodenburgh gaat er scherpzinnig van uit "dat de toestand der gevangenissen mede dienen kan tot beoordeling van den geest eener regering". Hij bezoekt de gevreesde Napolitaanse gevangenissen Prefettura, Santa Maria Apparente en Sant Elmo, nog maar net afgeschaft door Garibaldi. "De verpestende stank, het vuil, en de zwoele vochtigheid waren hier zoo onverdragelijk, dat geen van ons het langer dan eenige minuten kon uithouden. De kerkers stonden sinds eenige weken ledig, tot teleurstelling naar het scheen, van een paar magere ratten die over den vloer draafden en in een gat in de vloer verdwenen." Evengoed vallen hem de paradoxen van een regimewissel op: "Het is vreemd dat de cipiers, die kort geleden de ijverigsten waren om de bevelen van het onregt uit te voeren, de eersten zijn om de geheime voorvallen, die tusschen deze muren gebeurd zijn, aan den dag te brengen."

En zie, in een stationnetje aan de frontlinie ontmoet kapitein De Jong van Rodenburgh plotseling de grote man, Giuseppe Garibaldi zelf. "De lange, roode baard, de naar achteren gestreken blonde haren, het zachte blauwe oog, soms vol vuur en uitdrukking, geven iets germaansch aan zijn uiterlijk. Ik was getroffen door de grootheid en openhartigheid in die edele trekken te lezen, door de zachte innemendheid van zijn glimlach; dat goedaardige gelaat kon niet bedriegen en die mond zegt niets wat het hart niet meent. Garibaldi is edelman in den volsten zin des woords." De meeste geschiedenisboeken spreken in dezelfde lovende termen over deze wonderlijke guerrillero. Als lezer ben je nauwelijks bekomen van de kennismaking met dit historisch personage, of daar wachten al nieuwe verrassingen: Alexandre Dumas père schertst met de Hollandse reiziger, en Flauberts vrienden Maxime du Camp en Louise Colet zijn ook al naar Napels afgezakt om Garibaldi te steunen. Vooral Louise Colet, toch een collega-schrijfster van reisverhalen, werkte Van Rodenburgh op de zenuwen: "Zulk eene blue stocking (...) schijnt mij een zeedelijk monster, vooral wanneer zij verwaarloosd schoeisel draagt en valsche bloemen in de haren." Ai!

Er woei een nieuwe geest door Italië, de opmars van Garibaldi en de nieuwe denkbeelden was niet meer te stuiten. Dat ik Van Rodenburgh een goede reiziger vind, heeft alles te maken met zijn opmerkzaamheid. Op de terugreis, in Rome, valt hem een veelbetekend detail op. Pius IX, de conservatieve paus die de Onbevlekte Ontvangenis tot dogma liet verklaren en vocht voor het behoud van zijn wereldlijke macht, stond wel toe dat er naast het kruis op de koepel van Sint-Pieter een bliksemafleider geplaatst werd - "dat zigtbare blijk van onmagt".

Kapitein De Jong van Rodenburgh, Schetsen en toneelen uit Tyrol en Italië, bij D. A. Thieme, Arnhem, 1862. Tuinbeurs De Diept, Merksplas, boekenkraam Karel Mariën, Kapellen. 100 frank, niet in voorraad.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234