Dinsdag 17/05/2022

'De heer zij met u, o Sidi Abu'l-Hajjaj'

'Luxor, Egypte. Ik ben op een van die plaatsen, en beleef een van die momenten waar alle religies versmelten'

Elk dorp en elke stad in het moderne Egypte heeft zijn dode sjeiks of heiligen die op vaste dagen worden vereerd. Anthony Sattin trok naar Luxor en werd stil van de letterlijk opeengestapelde culturen en religies die hij aantrof: de bijbel bovenop Herodotus, en de koran daar weer bovenop.

Er schijnt een zacht ochtendlicht over de rotsweg in Luxor en de Mecca, de oude ferry, glinstert in de zon terwijl de boot zijn korte pelgrimstocht over de Nijl volbrengt. Langs de oevers is er een nog grotere toeloop dan gewoonlijk van sjacheraars en schoenenpoetsers, van bonenverkopers en taxichauffeurs die met een soort namaak-Brits accent "hello, caleche!" schreeuwen. Als ik even halt houd om van het spektakel langs de oever te genieten, komt er een jongeman op me af die zich voorstelt als Mahmoud. Terwijl hij mijn ogen volgt langs de oude tempel van Luxor en de moskee van Abu'l-Hajjaj, die als een arendsnest bovenop de zuilenrij van de tempel staat, prijst hij de sjeik. "Ben je voor de moulid gekomen?" vraagt hij. "Dat is inderdaad de reden waarom ik hier ben, alhamdulillah."

Een moulid is een feest om de verjaardag te herdenken van een heilige man, of het nu een moslim, een christen of een jood is. Die heiligendagen zijn relatief recent op de religieuze kalender verschenen, waarschijnlijk niet langer dan vijf- of zeshonderd jaar geleden. Maar velen geloven dat de oorsprong ervan veel verder teruggaat. Net zoals elk dorp en elke stad in het oude Egypte zijn plaatselijke godheden had, die naast de grote staatsgoden vereerd werden, zo heeft ook elk dorp en elke stad in het moderne Egypte zijn dode sjeiks of heiligen. Het is precies dat verband tussen het verleden en het heden dat me naar Luxor lokte. Dat is wat ik Mahmoud vertel en in ruil prijst hij de sjeik nog meer. Mahmoud is geboren en getogen in Luxor, en is zopas aan de universiteit van Caïro afgestudeerd als mohandis, ingenieur. Ook hij is naar Luxor teruggekeerd voor de moulid. "Ik zal altijd terugkomen voor Sidi Abu'l-Hajjaj.Hij was een goed man. Omdat hij onze stad gered heeft, zoals wij hier beweren. En ook omdat er veel goeds is gebeurd met de mensen die in nood waren en die Sidi Abu'l-Hajjaj om hulp vroegen. Misschien kunnen we elkaar hier morgen weer ontmoeten. Ik zou je graag de optocht laten zien."

De grote sjeik al-Sayyid Youssef Abu'l-Hajjaj zou zeker bezwaren gemaakt hebben als men hem had vergeleken met die ongelovigen die in de tijd voor de profeet Mohammed in Egypte leefden. Youssef Abu'l-Hajjaj werd geboren in Bagdad. Als rechtstreekse afstammeling van de profeet reisde hij eerst naar Mekka en vervolgens naar Egypte. De legende wil dat er een storm losbrak toen hij op de Rode Zee voer en dat de hele vloot pelgrims verzwolgen werd, maar de sjeik, die zich misschien het verhaal van Mozes of Jonas herinnerde, bad tot God en zijn boot bleef gespaard. De sjeik studeerde bij verschillende soefibroederschappen in Caïro voor hij naar Luxor kwam, toen nog een klein dorpje. Het werd bestuurd, zo wil althans de legende, door een machtige vrouw die Sitt (Dame) Towzak heette. De sitt was niet echt ingenomen met de komst van de vreemdeling, maar Allah zij geloofd, de sjeik wandelde rond het dorp, dat hij met een enkele draad samenbond. Daarna was er niks meer dat de sitt kon doen om hem weerstand te bieden.

Als je de moskee van Abu'l-Hajjaj langs de rivier nadert, ziet ze er nog dreigender uit dan ik me herinnerde, hoog boven de binnentuin van de tempel van Luxor verheven. Het witgekalkte gebouw is volgehangen met lange slierten gekleurde lampjes, en als een lichtbaken schijnt het nu boven de verduisterde heidense heiligdommen uit. De basnoten van de muziek, de gezangen en gebeden weerklinken tot ver in de omtrek in de gelige nacht. Het is druk op de rotsweg, de voetpaden zijn glibberig van de weggegooide bonenpeulen en zonnebloempitten. Kinderen met glanzende tovenaarshoeden komen me treiteren - "een buitenlander! een buitenlander!" - tot hun ouders ze tot de orde roepen.

De waterkant van Luxor is opgeknapt, maar zodra ik van de hoofdstraat afga ben ik weer in het meer vertrouwde Egypte van afbladderende verf en afbrokkelende gevels. De meeste winkels zijn nog open en cafés hebben een deel van de straat ingepalmd. De opkomst is goed en er wordt gul geld uitgegeven aan moulid-speelgoed, aan eten en drinken en aan roze suikerpopjes, onder meer in de vorm van een vrouwenfiguur met een forse boezem. De oorsprong van de popjes is vermoedelijk pre-islamitisch. Het (prijzige) vrouwenfiguurtje stelt Arusa voor, de bruid van Abu'l-Hajjaj. Kinderen die zien dat ik er een koop, beginnen steels te giechelen. Oudere mannen kijken de andere kant op.

Na mijn tocht door de soek ga ik de sjeik met een bezoek vereren, maar niet voordat ik mijn arusa ingepakt en in een tas weggestopt heb. Er hangt een volle maan boven het feestgedruis, er zingen en wiegen verschillende soefi-ordes in hun tenten buiten de moskee, en in de omliggende tuinen spelen nog altijd kinderen. Een passerende zwarte Peugeot (de gouverneur?) drukt ons samen als zand in een emmer, en de menigte verwordt tot een massief blok dat zich voortbeweegt richting graftombe van de sjeik. Ik word meegeduwd naar onze eerste halte voor een deur die niet opengaat. De 'deur van de ziel' wordt ze genoemd, de geheime deur waar Abu'l-Hajjaj en de hemelse heiligen wel door konden.

De kamer naast de graftombe van de heilige zit vol gelovigen. Uit hun rituele gezangen leid ik af dat ook zij een soefibroederschap vormen. Ik sla ze vanuit de gang een tijdje gade en raak zelf in de ban van de rijen heen en weer wiegende mannen en enkele vrouwen en hun eenstemmige gezangen waarin ze de sjeik aanroepen, zijn deugden bezingen, zijn daden herdenken, hem aan God aanbevelen. De stem van de voorzanger klinkt hoog, zijn volgelingen antwoorden met een diep, aards, eenstemmig gebrom. Allahu.

Het doet me denken aan de beelden die ik al zo vaak in westerse nieuwsuitzendingen gezien heb bij verhalen over moslimfanatisme. In zekere zin heeft het ook iets fanatieks, extreems, tot het uiterste gedreven. En het raakt me, zoals weinig andere dingen in het leven dat kunnen. Hier staat de graftombe van de grote sjeik Sidi Youssef Abu'l-Hajjaj in al zijn glorie. Onder ons ligt een deel van de tempel van Luxor dat uit respect voor de heilige niet blootgelegd werd; tussen het einde van het heidendom en de opkomst van de islam hebben christenen de tempel als kerk gebruikt. Ik beleef een van die momenten waar alle religies versmelten. In de naam van Allah en zijn Profeet Mohammed, in de naam van de Vader en zijn Zoon Jezus Christus, in de naam van de grote godheid, van Amon, Mut en Khonsu, de drievuldigheid van Thebe, is hier sinds mensenheugenis al gebeden, brood gebroken, zijn hier bloemen en beelden aangevoerd, dieren geslacht en zieken heengebracht in de hoop op genezing. Terwijl ik naar de soefi's zit te kijken en naar de menigte die naar voren schuift om voor de sjeik te bidden en zijn zegen te ontvangen, moet ik terugdenken aan de woorden van een islamitische sjeik in Caïro die bleef volhouden dat dit soort heiligenverering in strijd is met de islam. Hier en nu weet ik wel zeker dat hij het bij het verkeerde eind had, dat dit wel degelijk de islam is, én het christendom, én het jodendom, én alle heidense cultussen die ervóór kwamen. Dit is een of ander diepgeworteld menselijk ritueel. Wat de geloofsbelijdenis ook was, de Egyptenaren hebben altijd vastgehouden aan een onwrikbaar geloof: dat ze de geesten van overleden heilige mannen konden oproepen om hun leven hier op aarde te verbeteren.

Ik ontmoet Mahmoud de volgende dag vlak voor het middaggebed. Ik wil de Tempel van Luxor bezoeken en stel voor dat hij met me meegaat. "Denk je soms dat ik een toerist ben?" vraagt hij geamuseerd. "Ik woon hier."

Honderd jaar geleden werd de tempel gezuiverd van al het opgehoopte slib en puin en werden alle gebouwen afgebroken die de glorie van de farao's aan het oog onttrokken. Allemaal, behalve de moskee van Abu'l-Hajjaj. Als Mahmoud en ik naar de heiligdommen binnenin de tempel lopen, komen we voorbij de moskee die boven de tempelmuur hangt, boven het dak. Niets van wat ik in Egypte al gezien heb geeft beter uitdrukking aan de manier waarop dingen bovenop elkaar gebouwd worden, de manier waarop culturen tradities absorberen: de bijbel bovenop Herodotus, en de koran daar weer bovenop.

Ik vind wat ik zoek op een afbeelding in de zuilengalerij die de machtige farao Amenhotep III in de 14de eeuw voor Christus liet bouwen ter ere van Amon. Wat zijn ze aan het doen?" vraagt Mahmoud. "Dit is een beschrijving van het grote feest van Opet." Hij heeft er duidelijk nog nooit van gehoord. "Opet was een van de belangrijkste feesten voor de farao's, toen de goden Amon, zijn vrouw Mut en hun kind Khonsu - de drie goden van Thebe - Karnak verlieten om de tempel van Luxor te bezoeken."

De uitgehouwen reliëfs werden een paar decennia na de dood van Amenhotep toegevoegd, tijdens de regeerperiode van Toetanchamon. Ze tonen de piepjonge koning terwijl hij zit te bidden voor de ceremoniële boten van de goden. Die boten werden vervolgens op staken gehesen en onder luide gezangen en handgeklap naar de ingang van de tempel gebracht. In die periode was Karnak nog via een kanaal met de Nijl verbonden. De ceremoniële boten werden toen op rivierboten gezet en met zeilboten naar Luxor gesleept. De menigte hielp daar ook een handje bij door de boten vanop de oevers met touwen voort te trekken. Vanaf de Nijloever in Luxor werden de goden in hun ceremoniële boten opnieuw gedragen door de priesters. Dansende meisjes toonden de weg. Het was een vernieuwingsfeest dat halfweg de vloedperiode van de Nijl gevierd werd, een vruchtbaarheidsfeest.

Mahmoud staart de reliëfs met open mond aan. "Ik besef nu pas waar deze afbeeldingen me aan doen denken", zegt hij. "Kom mee, naar de optocht, dan zul je het wel begrijpen."

Rondom de moskee en de tempel staat al een flinke menigte Egyptenaren. "Waar zijn alle buitenlanders?" vraagt Mahmoud. - "Tja, misschien heeft het iets te maken met de toeristische dienst, die iedereen vertelt dat het feest pas om vier uur begint." - "Waarom doen ze dat?" - "Uit veiligheidsoverwegingen misschien?" - "Hier zijn geen terroristen." "Hoe weet je dat? Ze hebben al vaker gezegd dat ze vinden dat de moulids stopgezet moeten worden." - "Laat ze maar proberen", zegt hij kwaad. "We zullen Sidi Abu'l-Hajjaj altijd blijven vereren. Daar kan niemand iets aan veranderen."

Na het middaggebed zwelt de menigte nog aan en wordt het ook druk in de omliggende straten. De ordediensten verliezen al vlug hun greep op de feestelijkheden en de menigte begint de route van de optocht te versperren. Dan komt er nog veel meer lawaai en geduw. "Snel", zegt Mahmoud alsof ik nog keuze heb. "Daar komen ze."

De menigte drukt ons naar voren, de politiemannen in hun zwarte uniformen blazen op hun fluitje, de menigte fluit terug, er word geschreeuwd en gejoeld en de hele stoet zet zich in beweging, praalwagens en tractors, vrachtwagens en jeeps, allemaal mooi versierd. Dan komt er een tractor de hoek om die iets met een zeil voorttrekt.

"Kijk!" zegt Mahmoud triomfantelijk. "Daar zijn ze. De boten die we de stad ronddragen. Net als in de tempel." Hij wijst naar een houten boot, compleet met zeil, die op een onderstel in onze richting wordt getrokken. Erachter zie ik nog twee boten. In de plaats van de Thebaanse drievuldigheid Amon, Mut en Khonsu worden er kinderen uit Luxor in meegevoerd. Er worden snoepjes in de menigte gegooid, en iedereen joelt en zingt de lof van Abu'l-Hajjaj.

Op de volgende praalwagen zit een travestiet, een man met een jurk en slechte make-up die de lippen tuit en met zijn lichaam pronkt, zijn bloes omhoogtrekt en een enorm stel borsten laat zien. Hij probeert de menigte op te hitsen. Vergeet de islamitische welvoeglijkheid maar, want dit doet me denken aan Amon van Luxor, de vruchtbaarheidsgod met zijn enorme penis. De travestiet roept naar het publiek, wiegt met zijn heupen en duwt uitdagend zijn kruis naar voren. Sommige van de meisjes beantwoorden zijn gebaren. Een van hen in mijn buurt verliest zichzelf lang genoeg om zijn voorbeeld te volgen. Ze steekt haar borsten vooruit, tuit haar lippen, roept zelfs iets terug, tot haar vrienden haar weer met beide voeten op de grond zetten.

Net als ik de optocht voor de sjeik op mijn lijstje van intact gebleven rituelen wil zetten, komt er nog een tractor met nog een boot erachteraan om de hoek gereden. Dat is al vier. En nog een, een vijfde. Dat is niet volgens de regels van de aloude traditie. Hoe kan dat nou? Mahmoud denkt even na en trekt dan ietwat stoïcijns zijn conclusie. "Dit is Egypte. We groeien, we groeien altijd maar verder."

Vertaling Wim Coessens

Dit is een uittreksel uit het pas verschenen boek 'The Pharaoh's Shadow' van onze medewerker Anthony Sattin. Uitg. Victor Gollancz, London. ISBN 0 575 06397 1, £ 20.00, goedkoper kan via internet: www.amazon.co.uk en www.bol.co.uk

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234