Donderdag 24/10/2019

'De hedendaagse muziek zit een beetje op een dood spoor'

Jerry Aerts en Tino Haenen van deSingel over muziek, concerten en ensembles

Lieven Bertels

Een ijverig tokkelend pianist van het Antwerpse conservatorium - waarmee deSingel het prachtige gebouw van de hand van Léon Stynen deelt - doorkruist het gesprek met Jerry Aerts, algemeen directeur, en Tino Haenen, muziekprogrammator. Leven en werken in deze muziektempel is niet zo rustig als de hagelwitte buitenkant doet vermoeden. DeSingel meet zichzelf zonder valse bescheidenheid het imago aan van een instelling die zich niet meer hoeft te bewijzen. Niet bepaald een biotoop voor vernieuwende hedendaagse muziek? Van een huis met de omvang van deSingel kan je in elk geval moeilijk de wendbaarheid verwachten die zo typisch is voor de talrijke kleine festivals die her en der de kop opsteken. Aerts en Haenen leggen uit.

Jerry Aerts: "De grote volumes waarmee wij rekening moeten houden scheppen niet meteen ideale omstandigheden om hedendaagse muziek een forum te bieden. We kunnen ons eigenlijk geen kleinschaligheid permitteren. Er dienen zich bovendien heel wat goede, kleinschalige initiatieven aan en er komen er steeds maar bij, met het risico van dien dat het aanbod oververzadigd raakt, ook in de klassieke muziek. Voor deSingel zit de uitdaging in het spanningsveld tussen de capaciteit van een grote concertzaal en de marginaliteit van de muzikale creatie. Hoe verzoen je de specialisatie met de brede culturele rol die een concertzaal met een capaciteit als de onze moet vervullen? Zelf heb ik, helaas, het gevoel dat er zich op dit vlak de laatste tien jaar een enorme evolutie heeft voorgedaan. Als ik zie met welk gemak een publiek gemotiveerd kon worden om bepaalde dingen mee te maken... Dat ligt nu een stuk moeilijker. Langzaam is er een attitude van selectiviteit ontstaan, die nog in de hand werd gewerkt door het voornoemde overaanbod. Bovendien raakt een deel van het publiek misschien toch een beetje uitgekeken op ensembles en bewegingen die zich tien jaar geleden als vernieuwend aanboden, maar intussen, met dezelfde kunstvorm, tot het podium-establishment zijn gaan behoren. Nieuwe 'nieuwen' stromen nog amper door, een toestand die nog in de hand wordt gewerkt door een subsidiepolitiek die een klimaat van regelgeving en normering oplegt. Daardoor verstikt het landschap in een veelheid aan uitvoerders en regeltjes."

Muziekprogrammator Tino Haenen wil zelfs gewag maken van een gebrek aan interessante componisten: "Een probleem is volgens mij dat er in de jaren negentig nog geen nieuwe componisten zijn opgestaan. De hedendaagse muziek zit een beetje op een dood spoor na de grote namen uit de jaren vijftig en zestig. Componisten krijgen tegenwoordig veel sneller een breed podium op de vele festivals, maar lijken ook veel sneller 'uitgeschreven'. Bovendien brengen nieuwe instrumenten of het gebruik van elektronica geen wezenlijk vernieuwende elementen meer aan. Het publiek raakt bovendien steeds verder versnipperd: wie naar Lindberg komt luisteren zal afwezig blijven als Pärt gespeeld wordt..."

Jerry Aerts: "Die segmentering van het publiek gaat gepaard met de verfijnde marketingtechnieken van organisaties en ensembles. Niet alleen wordt te pas en te onpas naar een heel precies doelpubliek gewerkt, bovendien ben ik persoonlijk van mening dat het behoorlijk de verkeerde kant opgaat met het concept 'ensemble'. Het muziekensemble zoals we dat al zo'n dertig jaar kennen is een werkvorm die uit armoede is ontstaan. De gevestigde orkesten en kamermuziekgroepen gaven na de Tweede Wereldoorlog geen opdrachten meer aan levende componisten. Net deze creatieve armoede was de impuls voor het ontstaan van groepjes muzikanten die zich uit noodzaak gingen specialiseren. De muziek uit deze periode maakte gebruik van onconventionele bezettingen - omdat die toevallig voorhanden waren. Sinds de jaren zeventig is men deze ensembles echter als orkest gaan consacreren: talrijke groepen zijn zich op deze leest gaan schoeien. Helaas is dat geen ideale voedingsbodem voor creatieve kunst."

"In die zin ben ik bijvoorbeeld niet zo positief over de situatie in Nederland, waar de subsidiëring van ensembles en structurele ondersteuning van componisten - die zo'n twintig jaar eerder begon dan hier - amper interessante nieuwe muziek heeft opgeleverd. Op hetzelfde moment bracht Vlaanderen zonder doorgedreven ondersteuning - zeker wat componisten betreft - een veel interessantere generatie voort. Misschien is het een voorbijgestreefd idee dat een kunstenaar in armoede op zijn zolderkamertje moet zitten om creatief te zijn, maar toch is het opvallend dat ensembles, naarmate ze meer gesubsidieerd worden, ook individueel duurder worden. Door de al aangehaalde regelgeving en de subsidie-technische dwang om veel te spelen, moeten ensembles noodgedwongen steeds hogere uitkoopsommen (de prijs die een organisator aan het ensemble betaalt; LiB) vragen. Op die manier ontstaat een vicieuze cirkel die nefast is voor de hedendaagse muziek."

Niet alleen moeten de Vlaamse muziekensembles steeds vaker spelen, bovendien wordt tussen festivals en cultuurhuizen een concurrentieslag geleverd waar vele ensembles volgens Tino Haenen zelf handig gebruik van maken: "Als je in dezelfde stad in hetzelfde seizoen tweemaal hetzelfde ensemble met dezelfde componisten krijgt, dan kun je als organisator nog maar moeilijk een publiek vinden wanneer je als tweede aan de beurt komt."

Als je de programmering echter nauwkeurig bestudeert, zul je zien dat het 'ensemble' in het eerste geval uit één of enkele solisten bestaat, terwijl deSingel steevast in grote projecten investeert die het voltallige ensemble laten aantreden. Hoewel de kleine festivals een belangrijke laboratoriumfunctie kunnen vervullen, kan een overaanbod een rechtstreekse bedreiging vormen voor de financieel gedurfde projecten van grotere zalen. Dit is iets dat heel wat ensembles, gewild of ongewild, zelf in de hand werken."

Als deze boodschap al negatief klinkt, dan zien Aerts en Haenen in eigen huis toch nog een boeiende toekomst voor de hedendaagse muziek weggelegd. Jerry Aerts: "Je komt als organisator heel wat hindernissen tegen, en soms lijkt het wel alsof de situatie stagneert. Toch willen we doorgaan met ons engagement voor de nieuwe muziek. Overigens, ook op de elders beproefde 'festival'-formules komt er sleet. Zelf willen we de troeven die inherent zijn aan een opzet als deSingel nog meer aan de oppervlakte brengen. Uniek voor onze organisatie is ongetwijfeld het multidisciplinaire aspect ervan: in de voorbije seizoenen zijn bijvoorbeeld spontane contacten ontstaan tussen Jan Fabre en de Beethoven Academie, die volgend seizoen moeten resulteren in een compositie op tekst van Fabre door Luc Brewaeys. Kruisbestuiving op zich is natuurlijk nog geen garantie voor kwaliteit, maar ze zijn het evidente gevolg van het fenomeen 'kunstencentrum'."

"In zekere zin is het kunstencentrum de rechtmatige erfgenaam van wat voor en tijdens het interbellum het persoonlijke initiatief van individuele pioniers kon zijn. Mensen als Paul Collaer, die het Brusselse muziekleven vóór de oorlog in zijn eentje een impuls kon geven met internationale weerklank, zouden in deze tijd veel minder goed kunnen gedijen. Aan de andere kant kun je daardoor natuurlijk ook een grotere continuïteit nastreven, los van de personencultus rond een artistiek directeur. We mogen ook niet vergeten dat muziek slechts laat een vast onderdeel geworden is van de programmering in de kunstencentra. Ze is er eigenlijk binnengesijpeld via het theater. Doordat de hedendaagse dans- en theaterwereld steeds meer afkerig werd van vooraf opgenomen muziek, ontstonden multidisciplinaire contacten die de hedendaagse muziek een kans gaven. De huidige kruisbestuiving is hiervan een rechtstreeks gevolg, en niet een marketingzet als tegenwicht voor de doorgedreven specialisatie en fragmentering van het publiek. Dat we al eens iemand over de streep kunnen halen en laten kennismaken met een hem of haar minder bekende kunstvorm, is natuurlijk meegenomen."

Behalve de kruisbestuiving lijkt ook de beproefde sandwichformule - een 'moeilijk' want hedendaags werk dat handig wordt verpakt tussen enkele repertoirewerken - weer ingang te vinden. In de programmering voor volgend seizoen wil deSingel het iets subtieler spelen.

Tino Haenen: "Het is nooit onze bedoeling om wat dan ook aan de luisteraar op te dringen. Maar we kunnen ons niet voorstellen dat een liefhebber van een genre als het strijkkwartet niet door Mozart én Ligeti geboeid kan worden." Het resultaat is een soort 'macrosandwich', waarbij het in de twintigste eeuw gespecialiseerde Arditti-kwartet aantreedt in een cyclus naast het Hagen- of het Artis-kwartet. Jerry Aerts: "Op die manier krijgt het publiek specialisatie én diversiteit, overzicht én detail... We hebben het Arditti-kwartet jarenlang voor een soms bedroevend klein publiek geprogrammeerd. We hopen op deze manier een grotere groep mensen warm te maken, wars van elke segmentering. Natuurlijk moet je als programmator risico's durven nemen, maar deSingel is geen laboratorium, je moet hoe dan ook rekening houden met een publiek. Ik herhaal dat evenwicht niet het interessantste klimaat is voor de kunsten, maar voor een organisatie als de onze is het een werkbare noodzaak." Voor Aerts en Haenen is het echter duidelijk dat dit evenwicht niet per se moet leiden tot een vaste relatie tussen ensembles en een organisator in residentieprojecten, of erger, tot de oprichting van huisensembles. Jerry Aerts: "De koppeling van een gespecialiseerd ensemble aan een producent of kunstencentrum, zoals het Ensemble Intercontemporain aan de Cité de la Musique in Parijs, neemt meteen ieder spanningsveld weg tussen creatie en verspreiding. Dat lijkt me geen goede zaak. En dat deSingel wat hedendaagse muziek betreft een nogal sober low profile-imago heeft, zal wel met onze huisstijl te maken hebben: de inhoud komt steeds vóór de verpakking."

Tino Haenen bevestigt: "We hopen op die manier een publiek aan te spreken dat niet uit is op evenementen, maar dat vertrouwen heeft in onze programmering. Het mooiste compliment dat iemand ooit maakte was misschien dat je in de deSingel nooit weet wát er op het podium zal gebeuren, maar dat je er blindelings op kunt vertrouwen dat het kwaliteit zal zijn. En ach, ons team bestaat niet echt uit vaandelzwaaiers."

De deSingel-pocket '98-'99 wordt u op verzoek toegestuurd: deSingel, Desguinlei 25, 2018 Antwerpen, tel. 03/248.28.28, fax. 03/248.28.00. Internet: www.desingel.be; E-mail: tickets@desingel.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234