Maandag 29/11/2021

De hand van de Meester

Is het werk van Hugo Claus, de enige Nederlandstalige schrijver die in de Good Fiction Guide van de Oxford University Press staat, eigenlijk niet veel minder invloedrijk geweest dan dat van generatiegenoten als Gerard Reve, W.F. Hermans en Louis Paul Boon? Was van zijn generatie uiteindelijk Godfried Bomans niet de meest invloedrijke? En waarom is iedereen toch zo gek op die Oostakkerse gedichten? Schrijvers van vandaag over de sporen die Hugo Claus naliet.

Weinig schrijvers die zich zo nadrukkelijk lieten inspireren door de literatuur voor hen als Hugo Claus. Vergilius, Shakespeare, Faulkner, Joyce, Alain Robbe-Grillet, de jonge Hugo had het al allemaal achter de kiezen en heeft ook op geen enkel moment verzwegen dat hij de klassieken gretig imiteerde.

"Bij de oude Chinezen was het een compliment als men zei dat het werk ergens op leek", verdedigde de schrijver zich al jong. "Wij schrijven boeken nadat wij boeken gelezen hebben", of: "We komen niet uit de bomen gevallen met een paar verwonderde kreten die dan haast per toeval het equivalent van Hölderlin zijn."

Literatuur als het kind van vroegere literaturen, het idee is ouder dan de straat. Men zou zich de geschiedenis van de literatuur kunnen voorstellen als een stamboom, en het belang van een schrijver in die geschiedenis bepalen door het aantal takken op te tellen die zich op zijn tak hebben geënt.

Wat dergelijk stamboomonderzoek in het geval van Claus oplevert?

De vraag is niet makkelijk te beantwoorden. In elk geval zullen er in Vlaanderen en Nederland niet veel schrijvers rondlopen die hun Claus niet grondig gelezen hebben. Sterker nog. Hierna komen vier schrijvers aan het woord voor wie de confrontatie met diens Oostakkerse gedichten de vonk in de schrijversmotor betekende.

Maar of die schrijvers zich even sterk door hem lieten beïnvloeden als Claus zich door Vergilius en Faulkner liet beïnvloeden? Hebben ze met andere woorden literaire werken geschreven waarvan men, in het spoor van de Oude Chinees, kan zeggen dat ze echt op die van Claus gelijken?

Op het eerste gezicht nauwelijks. De enkele keren dat een jongere schrijver met Claus werd vergeleken - het overkwam het jongste decennium alleen Miguel Declercq en Erwin Mortier -, hebben de 'slachtoffers' zich ervoor gehaast om de vergelijking onderuit te halen. Vergelijkingen met schrijvers als Boon, Reve of Hermans bleken iets vruchtbaarder en lijken ook vaker gewettigd. De invloed van Gerard Reve op het oeuvre van Herman Brusselmans, Manon Uphoff, J.J. Voskuil en Frans Kellendonk is niet weg te gommen. Het oeuvre van W.F. Hermans heeft duidelijk een stempel gedrukt op het werk van jongere schrijvers als Arnon Grunberg of Christophe Vekeman. En een hele stoet jongere Vlamingen, onder anderen Dimitri Verhulst, Stefan Brijs en Jeroen Olyslaegers, liet zich ooit weleens inspireren door het oeuvre van Louis Paul Boon.

Tom Lanoye bijvoorbeeld. In zijn monoloog Gespleten en bescheten gebruikte hij precies hetzelfde idioom en dezelfde vorm als in Boons tweeluik De Kapellekensbaan / Zomer te Ter Muren. Vorig jaar nog ging Lanoye samen met Ivo Michiels op tournee met een tekstcollage waarin Boons Mijn kleine oorlog de rode draad was. Lanoye is bovendien weleens een seismograaf genoemd, een aan Boon ontleende aanduiding voor een schrijver die "de trillingen van deze tijd" wil registreren.

En toch. Hoe opzichtig de referenties ook mogen zijn, Lanoye zelf ziet veel meer verwantschap met Claus. "Als ik vaker met Boon vergeleken wordt", zegt Lanoye, "dan heeft dat allicht te maken met de maatschappelijke betrokkenheid van mijn proza. Blijkbaar is mijn werk iets geëngageerder dan de huidige norm en denkt men bijgevolg automatisch aan Boon. Veel is daar niet voor nodig. Elk jaar staat er in Vlaanderen wel een nieuwe Boon op."

Als eerste belangrijke parallel met het werk van Claus noemt Lanoye de biotoop. "Boons miserabilisme staat mijlenver van mij af. Mijn Monster-trilogie speelt zich af in de West-Vlaamse bourgeoisie, net als Claus' Het verdriet van België. In zekere zin is die trilogie mijn Verdriet van België. Ik heb uit dat boek, maar ook uit de boeken van Walschap, geleerd dat je het over universele thema's kunt hebben door over typisch Vlaamse toestanden te schrijven."

Inspirerend noemt Lanoye ook Claus' veelzijdigheid. "Schrijvers als Reve of Boon zijn uiteindelijk toch beperkter. Ik vind het prachtig dat je Claus onmogelijk op één stijl, karaktertrek of genre vast kunt pinnen. Claus is een parvenu die tegelijk controversieel is. Zijn werk is authentiek én industrieel. Hij is een groot lyricus, maar ook een fenomenaal theatraal talent. Zijn taal is extreem gekunsteld, en toch waarachtig. In die paradox schuilt volgens mij de essentie van grote kunst."

Uiteindelijk is Lanoyes liefde voor het werk van Claus niet zo verwonderlijk. De ontdekking van de literatuur viel voor de schrijver samen met de ontdekking van De Oostakkerse gedichten. "Zoals sommigen op hun vijftiende de rock-'n-roll ontdekken en er voor de rest van hun leven aan blijven hangen, zo ontdekte ik op die leeftijd De Oostakkerse gedichten. Sindsdien ben ik nooit meer zo diep geraakt door poëzie." Een even verpletterende invloed maakte die bundel op de jonge Erwin Mortier. "Ik was een jaar of vijftien toen ik De Oostakkerse gedichten las", vertelt Mortier. "Ik was erdoor gebouleverseerd. Ik ben nooit meer zo van mijn sokken geblazen als toen." Hoewel er in Mortiers poëzie op het eerste gezicht geen spoor van Claus te bekennen valt, was de kennismaking met die gedichten van grote betekenis voor zijn schrijverschap. "Claus trok zich van geen enkele conventie wat aan, en schreef zoals hij vond dat hij moest schrijven. Met een vulkanische kracht. Ik heb daarvan onthouden dat ik met mijn eigen stem moet spreken, en me geen bal moet aantrekken van de opinies over hoe er geschreven moet worden." Schatplichtig zou Mortier zichzelf niet willen noemen. "Al kun je wel zeggen dat, op een indirecte manier, alle Vlaamse schrijvers schatplichtig zijn aan Claus. Maar niet alleen aan hem. Net als Boon, Walschap en voor mijn part ook Ivo Michiels heeft hij de literatuur losgerukt van de bevoogding door de kerk. Daar plukken alle Vlaamse schrijvers nog de vruchten van."

Rechtstreekse beïnvloeding of Claus-epigonisme ziet Mortier evenwel nauwelijks. "Je hebt inderdaad meer Boon-epigonen. Op het eerste gezicht is Boon ook makkelijker te imiteren dan Claus. Op het eerste gezicht, want als je de resultaten ziet, verbleken ze altijd naast het origineel."

Toeval of niet, maar de schrijver wiens werk nog het duidelijkst op dat van Claus lijkt, is een Nederlander. Verzen als "hij blut zich aan haar raadsel zij/ vriest dicht en siert hem wankel hij/ verbijt haar noemt haar mooi en valt" zijn wellicht geen verwonderde kreten van iemand die uit de bomen komt vallen. Het is poëzie van de classicus Ilja Leonard Pfeijffer, een dichter die vergelijkingen met Claus en Lucebert koestert als trofeeën. "Van Claus leerde ik hoe zintuiglijk de taal wel kan zijn. Zijn poëzie is verre van cerebraal. Ze is geschreven met kloten, niet met hersens. Het is poëzie die de taal niet als heilig beschouwt en ze durft af te breken. Claus is vooral in dat opzicht een voorbeeld voor mij."

De poëzie van Pfeijffer wordt vaker nog met die van Lucebert vergeleken, een dichter die op het eerste gezicht ook al niet veel directe navolgers kent. "Als er in Nederland over de navolgers van Lucebert wordt nagedacht, komen ze altijd bij mij uit. Dat vind ik een grote eer. Maar een epigoon ben ik natuurlijk niet. Claus imiteren is niet eens zo makkelijk. In zijn poëzie etaleert hij met veel brille een eigenzinnig, militant soort anti-academisme. Hij vermengt dat met zijn katholieke verleden, dat hij verafschuwt en tegelijk koestert. Die combinatie krijgt niemand voor elkaar. Imitatie zou alleen maar slechte poëzie opleveren."

De liefde voor het werk van Claus ontwaakte overigens ook bij Pfeiffer na lezing van De Oostakkerse gedichten. "Ik kocht De Oostakkerse gedichten toen ik een jaar of zeventien was. Dat moment viel ongeveer samen met het moment waarop ik van mezelf vond dat ik serieuze gedichten aan het schrijven was. (lacht) Ik begreep toen dat ik nog veel te leren had."

Is Hugo Claus dan toch de meest invloedrijke schrijver van zijn generatie? Paul Claes, notoir Claus-kenner en -pasticheur, gelooft van niet. "Volgens mij moet dat Godfried Bomans zijn. Bomans werd niet alleen stukgelezen, hij kwam ook regelmatig op de televisie. Hij heeft de Vlaming leren spelen met de taal. Je ziet Bomans' invloed heel duidelijk bij iemand als Walter van den Broeck. En Guy Mortier, natuurlijk, de man die verantwoordelijk is voor de hele Humo-stijl."

Niet dat Claes geen sporen van Claus ziet. "Ze zullen het misschien niet graag horen, maar dichters als de jonge Nolens, Lanoye en zeker ook Van Bastelaere waren of zijn nog altijd duidelijk gefascineerd door hem. Alleen is het niet makkelijk om Claus' invloed aan te wijzen. Want wat is typisch Claus? Hij beheerst zoveel verschillende stijlen dat je hem nauwelijks op tics kunt betrappen. Ik vermoed dat hij zich telkens heeft heruitgevonden om te voorkomen dat hij in tics zou vervallen."

Is de stijl van Claus dan niet onmiddellijk te herkennen? "Dat zou ik niet durven te beweren. Claus heeft in de jaren zeventig onder de schuilnaam Connie Couperus De Leeuwerik van Vlaanderen geschreven. Niemand die doorhad dat het van hem kwam. Dat is pas onlangs ontdekt."

Niettemin is het volgens Claes een koud kunstje om een Claus-pastiche te schrijven. "Hoe verschillend zijn stijlregisters ook zijn, er blijven nog altijd een paar herkenbare tics over. Dat bedoel ik trouwens absoluut niet denigrerend. Alle schrijvers hebben tics, de grote schrijvers vaak nog meer dan de middelmatige. Het is dus zeker niet zo dat alleen middelmatige schrijvers makkelijk te pasticheren zijn."

Of de meester-pasticheur een schrijver kent die niet te pasticheren is? "Ik denk het niet. Tenzij misschien Paul Claes. Die verandert zo vaak van stijl dat hij niet eens een stijl heeft."

Jeroen de Preter

Tom Lanoye: 'Zoals sommigen op hun vijftiende de rock-'n-roll ontdekken en er voor de rest van hun leven aan blijven hangen, zo ontdekte ik op die leeftijd 'De Oostakkerse gedichten'. Sindsdien ben ik nooit meer zo diep geraakt door poëzie'Erwin Mortier: 'Claus schreef zoals hij vond dat hij moest schrijven. Met een vulkanische kracht. Ik heb daarvan onthouden dat ik met mijn eigen stem moet spreken'Ilja Leonard Pfeijffer: 'Zijn poëzie is geschreven met kloten, niet met hersens. Het is poëzie die de taal niet als heilig beschouwt en ze durft af te breken. Claus is vooral in dat opzicht een voorbeeld voor mij'Paul Claes: 'Claus beheerst zoveel verschillende stijlen dat je hem nauwelijks op tics kunt betrappen. Ik vermoed dat hij zich telkens heeft heruitgevonden om te voorkomen dat hij in tics zou vervallen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234