Donderdag 17/06/2021

De hamer van de verbeelding

Wie dacht dat het einde van het millennium is weggelegd voor de volgelingen van Nostradamus, heeft zich vergist. Op de tentoonstelling ABRACADABRA in de Tate Gallery rukken kunstenaars zich niet langer de haren uit het hoofd om de ziekten van onze beschaving te bezweren. Alledaagse humor en persoonlijke verbeelding worden aangewend om de lichtheid van het bestaan gestalte te geven.

Ronald Van de Sompel

Het openingsbeeld van ABRACADABRA is veelzeggend. Hoog in rotonde van de Tate Gallery zweeft, gevat in een lederen beugel, een opgezet paard met hangende poten en een doffe blik in de ogen. Met zijn Novecento (Twentieth Century) (1997) zet Maurizio Cattelan (°1960) de toon van een tentoonstelling die de verbeeldingskracht van een generatie wil spiegelen.

De Italiaanse autodidact werd ooit omschreven als een slimme jongen die net voor de opening van een tentoonstelling ontsnapt door een touw van aan elkaar geknoopte lakens uit het raam te gooien om vervolgens de sporen van zijn verdwijning achter te laten als bijdrage aan die tentoonstelling. Maar Cattelan doet het goed, zowel bij het publiek als bij de bewakers van de goede smaak. Het spektakel van de visuele metafoor verleidt hen immers evenzeer als het hen stoort. In dat opzicht is de ingreep tekenend voor de mentaliteit van de vijftien kunstenaars die zijn betrokken bij ABRACADABRA. Het gaat om een generatie die niet is afgesneden van het moderne denken, maar evenmin treurt om de desillusies van de avant-garde. Hoewel ze de radicale cultuur van de conceptuelen met de moedermelk heeft ingezogen, predikt ze geen revolutie. De strijd met de vorige generaties wordt niet langer aangegaan. In de eigenlijke tentoonstellingsruimte, een grote, open zaal waaruit architect Nick Coombe alle tijdelijke wanden heeft laten verwijderen, wordt de bezoeker overdonderd door het bonte gezelschap dat de samenstellers van ABRACADABRA bij elkaar brachten. In de benadering van Catherine Grenier van het Centre Pompidou in Parijs en Catherine Kinley van de Tate Gallery leven arme materialen en lowbudgetfilms, kleine huiselijke ruzies en persoonlijke herinneringen vrolijk naast elkaar, als in een lunapark waar de bezoeker een keuze kan maken uit de beschikbare attracties. Er hangen bizarre kledingstukken met erotische tint van de Franse Marie-Ange Guilleminot (°1960), er staat een Explosion Simulator van de Spanjaard Fernando Sánchez Castillo (°1970) en op de vloer ligt de levensechte robot van de Japanse Momoyo Torimitsu (°1967). Kinderen rennen onmiddellijk naar het op een centraal gelegen platform opgestelde Stadium (1991) van Cattelan, een in de lengte uitgerekt tafelvoetbalspel voor twee keer elf spelers.

Een te volgen parcours is er niet, maar zodra de bezoeker The Ticket Gates (1993) van Patrick Corillon is gepasseerd, stuit hij op de vleesachtige, roze waterlelies van de New Yorker Keith Edmier. De hyperrealistische simulaties van de Victoria Regia (First and Second Night Bloom) (1998), met een omvang van drie bij drie bij drie meter, kunnen alleen uit kikkerperspectief worden bekeken. Drie republikeinse wachters te paard van Xavier Veilhan (°1963), verwijzend naar het traditionele monument zonder de symbolische waarde ervan te behouden, kunnen in een zelfde gebied van hedendaagse neopop worden gesitueerd. In bevreemdende foto's, bewerkt met digitale technieken, verschijnen vrienden van de kunstenaar, gekleed in zelfgemaakte kostuums. Ze doen aan gewichtheffen in oninteressante hedendaagse interieurs of betogen tegen de achtergrond van verlaten landschappen.

Vlakbij, in een hoekje, zit een kind aan een schoolbankje met de rug naar de bezoeker. Wie naderbijkomt, stelt - als in een thriller pas op het laatste moment - vast dat de handen van het kind aan de schoolbank zijn vastgeprikt met een potlood. De titel van het werk is Charlie Don't Surf (1997). "Sommige van mijn werken zijn nogal deprimerend," geeft de kunstenaar toe, "maar ik verneder ook mezelf. Uiteindelijk maak ik mezelf belachelijk."

Het menselijk falen is prominent aan de orde in de verhalen die de werken op ABRACADABRA sturen. Nagenoeg altijd zijn het sterk persoonlijk getinte verhalen, die zich lenen tot onmiddellijke identificatie. Of het gaat om de puberale fantasieën van Pierrick Sorin (°1970) of om de wonderlijke assemblages van Patrick Van Caeckenbergh (°1960), alle hebben ze te maken met hulpeloosheid, trots of andere trekken die we liever niet in de schijnwerpers plaatsen. En alle middelen van het entertainment worden ingezet om deze lachwekkende commedia umana gestalte te geven: van de associatie en de ironie, over het taalspel tot de provocatie en de verrassing. Maar duiden al deze overdrijvingen, uitvergrotingen en vervormingen dan niet op een lichte vorm van zinsverbijstering?

"Geen van deze kunstenaars," antwoordt curator Catherine Grenier in haar tekst in de catalogus, "wenst de realiteit te ontkennen. De meesten willen haar draaglijk maken, haar vertederen onder de hamer van de verbeelding." Net als in de sprookjes van weleer wordt het onderwerp in een buitengewone of ongerijmde context geplaatst, waarbij duchtig gebruik wordt gemaakt van de verworvenheden uit de film, de literatuur, de mode en de wetenschap.

Onze landgenoten zijn goed vertegenwoordigd op de tentoonstelling. Blijkbaar wordt de combinatie van ironische afstandelijkheid en persoonlijke betrokkenheid nog altijd beschouwd als een waarmerk voor Belgische kunst. Zo vertaalt de bij ons weinig gewaardeerde Luikse kunstenaar Eric Duyckaerts (°1953) zijn wantrouwen tegenover het leerproces in knullige video's die aanschouwelijke werkvormen uit tv-documentaires parodiëren. Patrick Corrillon (°1959) daarentegen oogst sinds jaar en dag succes met installaties waarin futiele gebeurtenissen uit het leven van het literaire personage Oskar Serti een centrale rol spelen.

En er is uiteraard Patrick Van Caeckenbergh, aan wiens in 1992 uitgegeven boek ABRACADABRA de titel van de tentoonstelling is ontleend. Net als het boek is zijn werk gericht op het obsessief herschikken van dezelfde thema's, vragen en mogelijkheden. In ingenieus gebricoleerde sculpturen als De raket (1986) en Chapeau! (1989) worden de grenzen van de kennisverwerving afgetast. In hun opbouw zijn de werken opgevat als mobiele overlevingspakketten, terwijl het achterliggende ideeëngoed kritisch commentaar levert bij de arrogantie van de alwetende mens. Gepresenteerd in de nabijheid van werken als Het kacheltje (1992) en De kakstoel (1993), fungeren ze als autonome sculpturen die tegelijk worden opgenomen in een niet aflatende stroom van beelden. Verderop staat De volière, een adembenemende habitat waarin zeven collages en evenveel personages, luisterend naar namen als Ali Baba (1997), Tante Gusta (1996) of Monsieur Teste (1997), zijn ondergebracht. De bezoeker kan de intieme ruimte met de kwetsbare, in klei geboetseerde figuren enkel waarnemen via op ooghoogte aangebrachte patrijspoorten.

In haar catalogustekst suggereert Catherine Grenier dat de geest van dada hier nog altijd rondwaart: "Door de grenzen van de conventie te overstijgen wordt alle gewichtigheid ver achterwege gelaten." Op ABRACADABRA wordt kunst voorgesteld als een bevrijding van de arbeid en de geschiedenis, van en door de verbeelding. Toch kan moeilijk ontkend worden dat de meeste kunstenaars in dit rariteitenkabinet zich hebben laten inspireren door de erfenis van zowat alle stromingen die de geschiedenis van de moderne kunst heeft voortgebracht, iconen als Marcel Broodthaers en Andy Warhol incluis. De regels van het spel zijn hen bekend en ze bewegen zich vrij van het ene taalspel naar het andere. En als ze ook daarvan genoeg hebben, creëren ze nieuwe spelen.

Zo probeert de Britse Emma Kay (°1961), in The Bible from Memory (1997), te reconstrueren wat ze zich herinnert van de bijbel. De vergeten delen van de geschiedenis zijn voor haar even belangrijk als de herinneringen zelf. Tegenover deze zoektocht naar de grenzen van het persoonlijk geheugen staan de Personal Articles (1995-'99) van de Braziliaan Vik Muniz (°1961), gebaseerd op het inauthentiek karakter van het gedrukte woord. Op een prikbord hangen geïmiteerde krantenknipsels met koppen als 'Dalai Lamai introduces meditation software' en 'Henry Moore took drugs'. In de serie Pictures of Chocolate (1997-'99) wordt de bezoeker geconfronteerd met reproducties van bekende foto's zoals die welke Hans Namuth nam van Jackson Pollock. Het portret is opgebouwd uit glanzende druppels chocolade, die Alfred Hitchcock gebruikte in Psycho, ter vervanging van bloed.

Een andere Brit, Paul Noble (°1963), realiseerde met The Doley Game (1995) een gezelschapsspel voor 'steuntrekkers', waarin de spelers worden verondersteld zich in te leven in de persoonlijkheid van personages met ongeïnspireerde namen als 'Burnt Out', 'Formless' of 'Ineffectual'. Het spel, dat ons herinnert aan de sociale positie van de kunstenaar in het Groot-Brittannië van vandaag, kan niet gewonnen worden, maar wanneer de spelers de regels volgen is wanhoop te vermijden.

Een laatste dosis hyperrealisme wordt ons toegediend door Momoyo Torimitsu's robot Miyata Jiro (1994). De over de grond kruipende machine vertoont gelijkenissen met de doorsnee Japanse zakenman, waarvan hij ook het maatpak draagt. Het bijzondere is dat hij niet rechtop kan staan, maar veroordeeld is zich over de grond voort te slepen. De robot werd aanvankelijk gemaakt voor een performance in een openbare ruimte in Tokio en op een video zien we hoe de als verpleegster verklede kunstenares de heer Miyata helpt bij zijn moeizame kruiptocht tussen de gefascineerde omstanders. Zelf omschrijft Torimitsu haar creatie sarcastisch als "een soldaat van het Japanse bedrijfsregime, gericht op de invasie van vreemde economieën in dienst van het vaderland".

Het dient gezegd dat de architect en de samenstellers van ABRACADABRA een vernuftige tentoonstellingsmachinerie in elkaar hebben gezet. De niet-hiërarchische aanpak van de opbouw sluit perfect aan bij de hoogst persoonlijke beeldtaal van de deelnemende kunstenaars. Hun werk definieert zich immers niet in relatie tot een gegeven ruimte, maar drukt zich uit aan de hand van reeksen, aan elkaar geregen door de rode draad van het verhaal. Los daarvan leiden deze reeksen tot relatief zelfstandige onderdelen en maakt elk van de kunstenaars gebruik van alle denkbare en ondenkbare media, vermengd in ontelbare tussenvormen en zonder een rangorde aan te brengen in de waardering van deze media.

Er is echter ook een maar. Bij het aanschouwen van zoveel virtuositeit in de vormgeving van de lichtheid van het bestaan, gaat de bezoeker op een gegeven ogenblik een punt van oververzadiging bereiken en verlangen naar het ernstigere werk. Het is geen toeval dat kunstenaars uit niet-westerse culturen, waar de vrijetijdseconomie minder prominent is geprofileerd, zo goed als afwezig blijven. Het spreekt voor zich dat de deelname van deze of gene kunstenaar in een groepstentoonstelling betwist kan worden, maar het valt te betwijfelen of het publiek veel boodschap heeft aan banale acts zoals die van Pierrick Sorin of de Duitse Brigitte Zieger. Figuren als Peter Fischli & David Weiss, Damien Hirst of Carsten Höller, om er maar enkele te noemen, hadden hier duidelijk meer leven in de brouwerij kunnen brengen. Nu zijn het vooral Maurizio Cattelan en Patrick Van Caeckenbergh die, op onnavolgbare wijze, de show stelen.

Dat alles neemt niet weg dat ABRACADABRA op geen enkel ogenblik vervalt in een van de geijkte methoden die zovele tentoonstellingen vandaag tot een saai of ondraaglijk gebeuren maken. Hier is geen plaats voor voorspelbare confrontaties of een op veiligheid spelende hokjesmentaliteit. Voor elk van de werken werd een situatie gecreëerd die is aangepast aan de uiterst complexe en diverse vereisten. In het eindresultaat is duidelijk merkbaar dat dit gebeurde in dialoog met de kunstenaars. Alleen al daarom loont de tentoonstelling de moeite van een trip naar Londen. En voor wie sowieso in de buurt is, is dit een absolute aanrader.

ABRACADABRA. International Contemporary Art is tot en met 26 september dagelijks te bezoeken in de Tate Gallery (Millbank, Londen) van 10 tot 17.40 uur (geopend tot 18 uur). Toegang 6 pond (met reductie 4 pond). De catalogus kost 14,99 pond. Inlichtingen op tel. 0044/171/842.22.33.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234