Zaterdag 26/11/2022

De gsm's van het verzet

In de oorlog heetten ze 'Agnes' en 'Jenny'. De koeriersters van de partizanen ontmoetten elkaar wekelijks, tot in oktober 1943 het hele korps van Heist-op-den-Berg werd opgerold. Als Jenny alias Simone Roelandts er vandaag nog bij is, dan heeft ze dat aan Marie Liekens te danken. Op de valreep van een bewogen leven brachten we ze nog een keer samen: twee heldinnen van het vaderland.

Door Erik Raspoet Foto Stephan Vanfleteren

Voor een 85-jarige komt Marie Liekens verrassend kwiek voor de dag. Kaarsrecht figuur, witte krullenpracht, wakkere oogopslag. Ze fietst nog wekelijks met de gepensioneerden van Heist-op-den-Berg. Leer haar de binnenwegen van haar geboortestreek kennen. Haacht, Putte, Schriek, Hallaar, Wiekevorst, Keerbergen, als 19-jarige banjerde ze over kasseistroken en zandwegels. Zonder hydraulische voorvork of versnellingen, maar gedreven door een levensbelangrijke missie. Marie alias 'Agnes' was de koerierster van Korps 037, een afdeling van het Belgische partizanenleger die in de zomer van 1943 in Heist-op-den-Berg werd opgericht. De gsm van het verzet, zo had mijn contactpersoon haar omschreven. Marie kan de boutade wel waarderen. "Een gsm", grinnikt ze in de auto op weg naar Linden. "Dat zou in die tijd goed van pas gekomen zijn."

Wellicht heeft ze ook haar frêle verschijning aan de oorlogsjaren te danken. Bij de bevrijding in Mauthausen woog ze nog 37 kilo. Het was mei 1945, ze had in 20 maanden tijd een half dozijn concentratiekampen overleefd. "De eerste Amerikaan die ik zag, heeft me een vuistslag in mijn gezicht gegeven", vertelt ze. "Hij dacht dat ik een Duitse was, omdat ik naar hem gelachen had. Toen iemand hem het misverstand uitlegde, heeft hij zich wel honderd keer geëxcuseerd. Ik was er erg aan toe. Voor ze mij konden repatriëren, moest ik een paar weken naar Zwitserland om aan te sterken. Zelfs eten heb ik opnieuw moeten leren. Met kleine beetjes tegelijk, die gewoonte heb ik nooit meer afgeleerd."

Begijnendijk, Itegem, Aarschot, Pellenberg. Villawijken, kmo-zones en randstedelijke shoppingcenters schieten voorbij. Het landschap als barometer: Vlaanderen heeft na de jongste wereldbrand goed geboerd. Niet dat Marie Liekens het anders zou wensen, maar ze heeft zo haar bedenkingen bij al die weelde. "De jongere generaties zijn verwend", zo komt ze cultuurpessimistisch uit de hoek. "Ze krijgen alles in de schoot geworpen. Welvaart, vrijheid, het is allemaal vanzelfsprekend. Ze moesten eens weten welke offers wij daarvoor hebben gebracht. Maar dat willen jonge mensen niet horen. Ja, nu extreem rechts weer komt opzetten, hebben de politici het verzet weer ontdekt. We zouden lezingen moeten geven om de jeugd te waarschuwen voor de fouten uit het verleden. Maar het is veel te laat. Van de partizanen van Heist zijn er nog drie in leven. Drie van de zeven die levend uit de kampen zijn teruggekeerd, zeven op zevenentwintig weggevoerden. Dat is de prijs die wij voor de vrijheid hebben betaald."

Marie Liekens, telg uit een eenvoudig arbeidersgezin, was de enige vrouw van de Heistse partizanen. Hoe ze erin gerold is? Thuis, voor ons vertrek naar Linden, had ze die vraag met veel schouderophalen en relativerende ach ja's beantwoord. De rol van haar leven is haar overkomen, moeten we tussen de lijnen lezen, net zoals de hele oorlog overigens. "Ik werkte voor Winterhulp, we kookten soep voor wezen en kinderen. Bij Winterhulp liepen enkele gedemobiliseerde beroepsmilitairen rond die al contacten met het verzet hadden. Zo ben ik erin verzeild. Waarom ik en niet de andere vrouwen van Winterhulp? Ik kwam uit een liberaal nest, zoals de meeste partizanen van Heist. Vader was oud-strijder, we waren thuis patriotten en hevig anti-Duits gezind.

"En ja, hoe gaat dat als je jong bent? Ik was negentien, ik had man noch kinderen, geen zorgen aan mijn hoofd. Wie of wat hield me tegen? Dat heb ik ook gezegd tegen Jules Roothooft, een buurman die ook bij het verzet was. Maar Marie toch, zei Jules toen hij vernam dat ik ook meedeed, wat heeft een jong meisje zoals jij hier te zoeken? Kijk liever naar jezelf, heb ik daarop geantwoord. Ik heb niks te verliezen, maar jij zou beter thuis blijven en voor je twee kleine kinderen zorgen. Ach Jules toch, ik moet nog vaak aan hem denken. Hoe hij me uitlachte als ik hem op de gevaren wees. En zie wat ervan gekomen is. Ze hebben hem gepakt met dat dynamiettransport en gefusilleerd."

Dynamietroof

Linden, de Nachtegaalstraat. Er zijn slechtere plaatsen om te wonen, het uitzicht op de bosrijke heuvels is zonder meer magnifiek. Hier slijt Simone Roelandts haar levensavond, nog een gewezen gsm van het verzet. Ik heb bij Marie Liekens niet lang moeten aandringen om de rit van Heist-op-den-Berg naar Linden te maken. Het is alweer drie jaar geleden dat ze Simone nog heeft gezien. In de oorlog gaven ze elkaar haast wekelijks rendez-vous, afwisselend in Mechelen en in Haacht. Duitsers noch zwarten hadden er erg in. Twee jonge vrouwen die op straat een praatje sloegen. Simone en Marie, ze kenden toen alleen elkaars schuilnaam. 'Jenny' bracht de instructies mee van 'Jean', de grote baas van de partizanen in Leuven. 'Agnes' zorgde voor de verspreiding van de instructies over de verschillende echelons van Korps 037 en gaf feedback over de wederwaardigheden op het terrein.

Pas na de oorlog leerde ze de identiteit van haar geheimzinnige correspondenten kennen, toen Jean haar een brief schreef. Jean bleek niemand minder dan Louis Van Brussel, de roemruchte commandant van de partizanen in Vlaams Brabant, Antwerpen en Limburg. Jenny heette dan weer Simone Roelandts, bekend bij de burgerlijke stand als de vrouw van Louis Van Brussel. Het stond letterlijk in de dankbrief van Louis Van Brussel, die na de oorlog jarenlang ondervoorzitter van de Belgische Communistische Partij zou zijn. Als hij en Simone de oorlog hadden overleefd, dan was dat in niet geringe mate te danken aan de doodsverachting waarmee Marie de Gestapo om de tuin had geleid.

Alles begon op die bewuste vrijdag 22 oktober 1943. In de maanden voordien had Korps 037 zich ontpopt tot een hinderlijke kiezel in de laars van de bezetter en zijn collaborateurs. Verspreiden van sluikpers, bussen van dreigbrieven en kalken van hakenkruisen bij zwarten, stelen van rantsoenbonnen voor ondergedoken werkwerkweigeraars, platbranden van voor de Duitse oorlogsindustrie bestemde koolzaadvelden. Het lijken misschien speldenprikken, maar er stonden niet toevallig zware straffen op. Iedere geslaagde speldenprik was een hart onder de riem voor de geterroriseerde bevolking. Van een zwaarder kaliber was de raid op de veiling van Heist-op-den-Berg, waarbij een typmachine werd buitgemaakt en het gebouw van de collaborerende Landbouwcorporatie in vlammen opging.

Toch was ook dat slechts een vingeroefening vergeleken met de operatie die in oktober 1943 op het getouw werd gezet: het overvallen van een dynamiettransport afkomstig uit munitiefabriek PRB in Balen. Drie pogingen werden voortijdig afgeblazen, maar die bewuste vrijdag in Averbode was het goed raak. Drie ton dynamiet, bestemd voor de Waalse mijnbouw, viel in handen van de partizanen.

Jammer genoeg werd die grootschalige en door 'Jean' minutieus georchestreerde operatie ontsierd door een fatale blunder bij de uitvoering. Op de terugweg naar Heist werden zes partizanen door agenten van de Geheime Feldpolizei onderschept met tien kilo dynamiet op de bagagedrager als corpus delicti. Twee konden ontsnappen, maar het kwaad was geschied. Onder druk van zware folteringen noemden de arrestanten namen. In de loop van de volgende dagen - Heist was intussen hermetisch afgegrendeld - werd zowat het hele netwerk van de partizanen opgerold.

Ook Marie Liekens werd opgepakt, of liever, ze gaf zich over. "Ik had kunnen vluchten", zegt ze, "maar dan hadden mijn ouders het moeten ontgelden. Toen ik thuiskwam, stonden de limousines van de Gestapo voor de deur, vader zat al in een van de auto's. Ik ben eropaf gelopen. Laat mijn vader gerust, heb ik geroepen, het is mij dat jullie zoeken."

Over het verloop van de ondervragingen op de Kommandatur in Antwerpen wil ze niet veel kwijt. Ja, dat er klappen vielen en erger. Haar grootste beul was Antoon Brinkel, een uit Nederland ingeweken bakker die zich in Heist tot de gesel van de Nieuwe Orde had opgeworpen. Eén anekdote uit die donkere dagen wil ze ons niet onthouden. Hoe ze Brinkel eens in zijn gezicht had gespuwd. En hoe er een Duitse officier binnenstapte, net op het moment dat Brinkel zich met een muilpeer revancheerde. "Herr Brinkel", had die Duitser de overijverige collaborateur teruggefloten. "Zo behandel je geen jonge vrouwen. Beseft u dan niet dat vrouwen zoals deze jongedame de trots van een volk zijn?"

Marie Liekens geeft het graag toe: hoe erg het ook was, als jonge vrouw werd ze enigszins gespaard. "Ik heb in Antwerpen Henri Versluys gezien, kort voor ze hem gefusilleerd hebben. Ze hadden die jongen zo erg toegetakeld dat ik hem haast niet meer herkende. Weet je, de vraag werd vaak gesteld, toen we met de hele bende uit Heist op weg waren naar de kampen in Duitsland. Wie zou ons toch verraden hebben? Ik weigerde dat spelletje mee te spelen. Wie het ook was die onze namen heeft genoemd, ik heb hem vergeven. Als je wordt gemarteld zoals Henri Versluys, dan praat iedereen."

Voor ze op transport naar Duitsland werd gezet, heeft ook Marie gepraat. Brinkel en co. hadden immers grootse plannen met haar. Via Marie zouden ze de koerier van Leuven klissen, en die zou hen weer naar de beruchte 'Jean' leiden. De inzet was enorm: als de truc met het lokaas werkte, konden ze de partizanen in Vlaams Brabant, Antwerpen en Limburg een dodelijke slag toebrengen. Marie proeft nog altijd de bittere triomf als ze het vertelt. Ze heeft gepraat, inderdaad, maar dan zonder de waarheid te vertellen.

"Ze waren erachter gekomen dat ik twee keer per week, dinsdag en vrijdag, contacten had met de koerierster uit Leuven. Alleen wisten ze niet op welke dag ik in Haacht en op welke dag ik in Mechelen moest zijn. Ik heb de dagen omgewisseld. Ze namen me op dinsdag mee naar het station van Mechelen, terwijl ik goed wist dat Simone of Elza (De Craecker, de tweede koerierster van 'Jean', ER) die dag in Haacht zou staan. Alle jonge vrouwen die in de buurt passeerden, werden naar onze auto gebracht. Ik bleef maar nee schudden. Ken ik niet. Nooit gezien. Vrijdag, in Haacht, heb ik die komedie nog eens gespeeld. Toen is hun frank gevallen. Ik kan je verzekeren, die vrijdag heb ik mijn peren gezien."

Simone Roelandts (85) zit al op de uitkijk, achter het raam van een statige villa. Volgens afspraak komen we hier enkel wat foto's maken. Simone en Marie, de twee koeriersters die hun leven danken aan een gemiste afspraak, nog één keer verenigd voor de lens van onze fotograaf. Vertellen over de oorlog, daar had Simone aan de telefoon voor bedankt. De jaren wegen en de gezondheid wankelt. Niet alle tachtigplussers springen nog fluitend op de fiets. En daarbij, wat viel er nog te vertellen? Alles staat toch te lezen in Partizanen in Vlaanderen, het boek dat Louis Van Brussel in de jaren zeventig heeft geschreven?

Gelukkig zal de truc met het lokaas deze keer wel werken. Na de fotosessie installeren we ons aan de keukentafel, gedekt met een koffieservies en twee taarten die Simone speciaal voor ons bezoek heeft laten aanrukken. Twee uur lang zullen we de film van de oorlogsjaren afspelen. Simone is nu aan het woord, terwijl Marie gretig de rol van klankbord speelt.

Aanvankelijk lijkt het een heldenepos van twee mannen te worden. Simone raakt niet uitgepraat over de figuur van haar vader, wiens staatsieportret de bezoekers in de inkomhal verwelkomt. Charles Alfons Roelandts, burgemeester van Kessel-Lo, was een prominente socialist die tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Engeland vluchtte, waar hij nauw samenwerkte met Camille Huysmans. Kwam Marie uit een blauw nest, voor Simone kleurde de dageraad dieprood. "Voor de oorlog kwamen er vaak Duitsers logeren", vertelt ze. "Vakbondsmilitanten en linkse activisten die op de vlucht waren voor Hitler. We wisten dus al lang voor de oorlog uitbrak wat we van de nazi's mochten verwachten."

Dat ze zolang bij haar vader verwijlt, komt natuurlijk door de hoge prijs die ook zij voor haar verzetsrol heeft betaald. Gefrustreerd omdat ze het koningskoppel van het Leuvense verzet niet konden pakken, arresteerde de Gestapo haar vader. Na zeven maanden Breendonk begon voor burgemeester Roelandts een odyssee langs gruwelplekken met namen als Sachsenhausen, Gross-Rosen, Dora en Bergen Belsen. Kessel-Lo was al bijna een jaar bevrijd toen op het gemeentehuis een onverhoopt telefoontje binnenliep. De burgemeester leefde! De Amerikanen hadden de zieltogende man op eigen verzoek met een ambulance vanuit Bergen Belsen naar het ziekenhuis van Mol afgevoerd.

Simone kan de ontroering van dat moment nog altijd voelen. Na die telefoon brak in Kessel-Lo een frenetieke activiteit los. Nonkel Staf had na de Duitse invasie zijn auto onderdeel per onderdeel verstopt voor de vijand. De hele nacht heeft hij zijn auto staan monteren om zijn broer te kunnen ophalen. Hij zou te laat komen, want terwijl hij in de garage stond, had het gemeentehuis de enige rijklare auto van Kessel-Lo al richting Mol gestuurd. "Vader was vel over been", zegt Simone. "Hij kon niet meer rechtop staan. Ik voelde me schuldig, maar vader heeft me nooit een verwijt gemaakt. Ook op Louis is hij nooit kwaad geweest, zelfs niet toen hij in de oorlog het socialisme vaarwel zei en communist werd. Vader was daar ruimdenkend in. De communisten, zei hij altijd, zijn nodig om de socialisten op het juiste spoor te houden."

Zes jaar is hij al dood: Louis Van Brussel, de tweede held in haar leven. Hij was er heel vroeg bij: toen in Leuven het Belgische leger op de vlucht sloeg voor de Duitse pletwals, ging hij op de vaartdijk achtergelaten geweren en munitie oprapen en verstoppen. Kon van pas komen, besefte Van Brussel, die al voor de oorlog in antifascistische kringen vertoefde. "Louis heeft me meegesleurd", zegt Simone. "We zijn getrouwd in volle oorlog, in 1942. Hij zat toen al tot over zijn oren in het verzet. Onze eerste grote actie was een inbraak op de werkbeurs in de Blijde Inkomststraat. Het was nacht, het gebouw werd door een agent bewaakt. Ik stond met nog iemand op de uitkijk, ondertussen zijn Louis en zijn makkers via de achterkant ingebroken. Acht zakken vol steekkaarten van opgeëiste arbeiders buitgemaakt en in de Dijle gekieperd, het was een zware klap voor de Duitse administratie.

"Een succes, maar met een vervelend staartje. Een van de onzen had tijdens de operatie zijn paspoort verloren. Een stommiteit, Louis had verboden identiteitskaarten te dragen. Soit, een student met zwarte sympathieën heeft het gevonden en aan de politie bezorgd. Louis is ijlings naar het politiekantoor vertrokken om de zaak te redden. Hadden ze dat document toen aan de Gestapo bezorgd, dan was het meteen afgelopen met ons. Maar we hadden geluk: de zaak werd in de doofpot gestopt door procureur Van Orly, een echte patriot die later in een Duits kamp werd onthoofd."

Ze zet het mes in de taart, voor mij de kans om haar van register te doen veranderen. Het gaat vandaag immers niet om Louis maar om Simone Van Brussel. Of ze nooit bang is geweest? De vraag valt in vruchtbare aarde, angst was tijdens de oorlog haar trouwste gezel. "De spanning was ondraaglijk", zegt ze op een toon alsof het klamme zweet haar nog in de handen staat. "'s Morgens opstaan en bedenken dat je misschien nooit meer zult thuiskomen. Het ergste waren de controles op de tram, vooral de lijn Haacht-Brussel was berucht. We verstopten onze papiertjes meestal in zakken met poeder van de apotheek. Ze hebben me nooit betrapt, maar ik heb doodsangsten doorstaan. Hoe vaak ik niet van kapsel ben veranderd, ik zou het niet weten. Vergeet niet dat er op ons hoofd een premie stond. De foto van Louis hing overal uit, hij was een van de meest gezochte mensen van België. Van werken of een familieleven was dan ook geen sprake. We leefden ondergedoken, op een bepaald moment pendelde ik tussen Leuven, Keerbergen, Brussel en Waterloo.

"Behalve de stress was er ook de ontbering. Vaak nam ik 's morgens om vijf uur de eerste tram van Keerbergen naar Mechelen. Soms was er luchtalarm bij Nekkerspoel (station in Mechelen, ER) en lag het tramverkeer plat. Dan konden we de hele weg te voet lopen, weer of geen weer. Op een keer, in de winter, was ik zo op van de zenuwen en de kou dat ik dacht dat ik zou sterven. Ik kon geen woord meer spreken, er kwam alleen nog een schor gepiep uit mijn keel. Ik ben toen ijlings naar een betrouwbare dokter geweest, iemand met sympathie voor het verzet. Hij vreesde het ergste, alle symptomen wezen erop dat ik de kroep had.

"Het jaar 1944 was heel erg: de arrestaties volgden elkaar op, de Gestapo zat ons constant op de hielen. Louis en ik zijn toen uit elkaar gegaan, ik heb die laatste maanden in Brussel doorgebracht. Het enige waaraan we ons konden optrekken waren de berichten van de geallieerden. De opmars van het Sovjetleger, de landing van Normandië, dat waren geweldige opstekers. We voelden dat we de oorlog gingen winnen."

De opmars van de Sovjets? De landing van Normandië? Marie haalt de schouders op. Zij zat in een strafkamp, ondoordringbaar voor heuglijke tijdingen van het geallieerde front. Ook over de angst die Simone terroriseerde, kan ze niet echt meepraten. "Ik vond mijn werk als koerier vooral spannend", neemt ze verrassend over. "Ik genoot ervan als ik de Duitsers voor de gek kon houden. De soldaten sloegen geen acht op een jong meisje dat met de fiets of met de tram op stap ging. Iedereen was in die dagen voortdurend onder weg, op zoek naar eten. Jullie moesten eens weten, lachte ik dan in mijn vuistje. Op een keer was er controle op de tram, net toen ik voor Louis twee pistolen in een zak aardappelen had meegenomen. Een van de soldaten nam mijn tas en keek erin. Aha, zei hij, Kartoffeln. Hij lachte vriendelijk toen hij mijn kabas teruggaf, de onnozele hals.

"Nee, echte angst heb ik pas gekend toen ik naar Duitsland werd gedeporteerd. We waren pas in ons eerste kamp gearriveerd, toen er 's nachts gebombardeerd werd. Zes van de zeven vleugels werden in de as gelegd, alleen ons gebouw bleef gespaard. Die nacht heb ik geleerd wat angst betekent. Opgesloten zitten, terwijl overal om je heen de bommen ontploffen. Ik dacht bij mezelf: als ik dit overleef, hoef ik nergens meer bang voor te zijn."

Over de faliekante afloop van de dynamietroof hebben ze een verschillende maar complementaire uitleg. Volgens Marie heeft gebrek aan ervaring en doortastendheid de Heistse partizanen de das omgedaan. "Ze werden verraden", zegt ze. "Een jongen uit Zichem is twee keer komen kijken toen ze een hinderlaag legden. Och, dachten ze, 't zal wel geen kwaad kunnen, gewoon een nieuwsgierige jongen uit de buurt. Maar wellicht heeft die hen verklikt. Ze hadden hem onmiddellijk moeten uitschakelen." Simone luistert geboeid naar dit voor haar nieuwe inzicht, dat haar evenwel niet van haar eigen standpunt afbrengt. Hadden ze de bevelen van haar Louis beter opgevolgd, dan was de catastrofe niet gebeurd. "Hij had nochtans duidelijke richtlijnen gegeven", zegt ze met een zucht. "Alle dynamiet moest begraven worden, onder geen beding mocht er dynamiet met de fiets worden getransporteerd."

Flater of geen flater van de ondergeschikten, het oprollen van de Heistse partizanen was voor Simone en Louis de zwartste bladzijde uit hun verzetsjaren. "Al die jonge mensen die werden gefusilleerd", mijmert ze. "En dan de anderen die nooit uit de kampen zijn teruggekeerd. We hebben daar verschrikkelijk mee ingezeten, ook na de oorlog."

Waarmee de vraag rijst: was het al die offers wel waard? Zou de oorlog een dag langer hebben geduurd, als er door Belgische burgers geen gewapend verzet was gepleegd tegen de nazibezetters? Marie en Simone rechten eendrachtig de rug, de strijdlust van weleer flakkert op. "En of het verschil heeft gemaakt", zegt Simone verontwaardigd. "De Duitsers hadden de handen vol met onze aanslagen en sabotage. Ze hebben veel energie gestoken in het bekampen van het verzet, energie die ze niet aan het front konden besteden." Marie knikt instemmend. "En dat dynamiet", voegt ze er vurig aan toe. "Daar hebben we inderdaad een verschrikkelijke tol voor betaald. Maar vergeefs was het niet. Dat dynamiet heeft gediend, daar zijn nadien nog aanslagen mee gepleegd."

We hebben ons best gedaan. De koffiepot is leeg, de kriekenvlaai voor meer dan de helft verorberd. Ons aanbod om de afwas te doen wordt door Simone afgewimpeld. Bij het afscheid geven ze elkaar een knuffel. Marie Liekens en Simone Roelandts. Twee bejaarde vrouwen met voldoende rimpels om het vermoeden van achterkleinkinderen te wettigen. Op straat zou niemand er naar omkijken. Oma's van dertien in een dozijn. Ze moesten eens weten.

Bron: Partizanenkorps 037, Ward Adriaens, EPO, 2005

Simone Van Brussel:

's Morgens opstaan en bedenken dat je misschien nooit meer zult thuiskomen. Die spanning was ondraaglijkMarie Liekens:

Welvaart, vrijheid, het is nu allemaal vanzelfsprekend. De jeugd moest eens weten welke offers wij daarvoor hebben gebracht

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234