Woensdag 18/05/2022

De 'grote witte plek van droog water'

Petra Quaedvlieg had voor alle veiligheid maar een paar kranten naar het wildpark meegenomen, ze was bang dat ze zich zou vervelen. Maar toen 's avonds bij de poel de lichten aanfloepten, werd het ook voor haar onvergetelijk theater.

Ach Etosha!' Bij het noemen van de naam van het Namibische wildpark vervallen Zuid-Afrikaanse vrienden in een respectvol, geheimzinnig stilzwijgen. Ze zijn unaniem: het mooiste park dat ze ooit hedden gezien. De leegte, de stilte en dan het grote aantal dieren dat je kunt zien vanwege die eindeloze lege vlakten: de Gemsbokvlakte, het Olifantsbad, het witte zand van de Etosha Pan. Een vriend e-mailde nog haastig vlak voor ons vertrek: "Logeer in het Okaukuejo-kamp. Daar heb je een waterpoel middenin het kamp, het is uniek. Sta op als het nog donker is en ga bij de poel zitten. Het is pure magie. Het is de enige keer dat ik een leeuw een koedoe heb zien doden van begin tot eind."

Nu moet u weten dat ik geen enthousiaste wildparkbezoeker ben. Uren in de auto zitten, rijden over gebaande, ja geasfalteerde wegen middenin de bush, logeren in een kamp vol toeristen, 's avonds langs het lopend buffet schuifelen. Ik zie er de bijzondere Zuid-Afrikaanse ervaring niet van in.

Het eerste wildpark dat ik hier bezocht, was het park van de diamantmijn in het dorpje Cullinan, waar wij het eerste jaar woonden. Onze buurman was opzichter in het park - ooit opgezet als zondags verzetje voor het blanke personeel van de mijn - en nodigde ons op een dag uit voor een gamedrive. Onze buurvrouw was daags van te voren al druk in de weer om de lunch voor te bereiden die we in het park zouden nuttigen. Ze bakte koeken en brood, plukte aardbeien, sneed groente uit haar moestuin. Echte Afrikaners, onze oude buren, die ervan houden dingen zelf te maken. Ongetwijfeld een overblijfsel van het heimwee naar het Voortrekkersleven dat je bij zoveel Afrikaners aantreft: toen het brood nog onderweg in een kuil in de grond werd gebakken, het vlees zelf werd geschoten en het eten in een grote pot boven het vuur werd gekookt.

Zo, net als de oude Voortrekkers, zouden wij 's middags ook eten: geroosterd vlees van de 'braai' (barbecue) en 'potjekos' (eten van de pot op het vuur). Die grote zwarte ijzeren pot met drie poten en ijzeren hengsel die boven het vuur wordt gehangen, is een bijzonder instrument, dat inmiddels in heel zwart ruraal Afrika terug is te vinden. Een echte Afrikaanse pot dus, maar eigenlijk afkomstig uit Europa: hij werd ooit door Europese handelaren in Afrika geïntroduceerd. (Zo brengt de zwarte driepoot Afrikanen en Afrikaners bij elkaar, vaak zonder dat deze laatsten dat goed beseffen.)

In een grote open truck maakten we de hele dag ritten door de bush. Familie van onze buren - een echtpaar met twee kinderen - was ook uitgenodigd. Het was verbazingwekkend hoe wild enthousiast ze reageerden op de minste beweging in het veld.

"Daar, daar, achter die struiken op de heuvel een rood hartebees (rode antilope), ik zeg het je!"

"Gauw, geef mij die verrekijker!"

"Nee man, het is een impala (bok) !"

"Maar kijk dan toch naar die horens!"

En zo ging dat de hele dag. Horens, vachten, kleuren, staarten, vleugels - er werd mee gegooid alsof het gezelschap dagelijks op jacht ging. De waarheid is dat een Afrikaner (thuis en op school) opgroeit met wildparken, met natuurbehoud. De Afrikaner is verknocht aan het Afrikaanse land, aan de bush, de dieren, de hemel, het licht. De Afrikaner is met het land vergroeid, zeggen de (plattelandse) Afrikaners zelf.

Terwijl ik in de truck zat, dacht ik aan de woorden van de Zuid-Afrikaanse schrijver JM Coetzee, die eens venijnig opmerkte dat de excessieve manier waarop Afrikaners over hun liefde voor Zuid-Afrika praten altijd gericht is op het land, nooit op de mensen. Coetzee's gelijk werd onlangs weer eens bevestigd door de bijna hysterische drukte die blanken in Zuid-Afrika maakten toen bleek dat een tiental olifanten in een privépark mishandeld was. De olifanten werden er getraind voor buitenlandse dierentuinen en circussen en de Indiase trainers hanteerden daarbij wrede methoden. Het luidkeelse protest dat volgde (overigens niet alleen van Afrikaners, maar ook van Engelstalige blanken) was zo buiten alle proporties dat de radiopresentator van de dagelijkse ochtendtalkshow de volgende dag de vraag stelde of Zuid-Afrikanen zich ook zo druk zouden maken als het om mishandeling van mensen ging. De zwarte presentator liet diplomatiek een andere opmerking achterwege: als al die blanken zich nu eens net zo luidkeels hadden laten horen tijdens de apartheid... Veel zwarte Zuid-Afrikanen trouwens hebben nog nooit een olifant in levenden lijve gezien. Hoeveel zwarte gezinnen hebben het geld om naar een wildpark te gaan? Maar dit alles terzijde. Op naar Etosha, het mooiste wildpark in zuidelijk Afrika.

We reden de achthonderd kilometer van Johannesburg naar Upington, een slaperig stadje aan de Oranje-rivier in de verder kurkdroge Noord-Kaap. Vanuit Upington is het een kleine honderd kilometer naar de grens met Namibië en dik duizend naar Windhoek, de hoofdstad. Als je vaart maakt, kun je in twee dagen van Johannesburg naar Windhoek rijden. Er is, eenmaal in Namibië, weinig verkeer op de weg en het wegdek is uitstekend onderhouden (Duitse netheid in Afrika; Namibië, ooit kort een Duitse Kolonie, voor WO I, wordt ook wel het 'Zwitserland van Afrika' genoemd).

Wij maakten een omweg en namen een kijkje bij de Fish River Canyon, de op een na grootste natuurlijke canyon in Afrika. Hij is 161 kilometer lang, 27 kilometer breed en ongeveer 550 meter diep en ligt in een prachtig woest en zanderig gebied. Op verschillende plaatsen heb je een spectaculair uitzicht over een deel van de canyon. Voor wandelliefhebbers is het een uitstekend gebied om de prachtigste tochten te maken. Gevaarlijk wild zit hier niet, wel dassen, apen, bokken en een enorme variëteit aan vogels, waaronder de zeldzame Afrikaanse zwarte eend. Een gebied om te onthouden: voor wie liever rustig wandelt dan vanuit de auto naar leeuwen tuurt. Er is bovendien een prachtige lodge om te overnachten, de Fish River Canyon Lodge, een oase middenin de woestijn, smaakvol opgezet (met geld van de Europese Unie, bedoeld om de werkgelegenheid te bevorderen in dit deel van Namibië).

Via Grünau, Keetmanshoop en Mariëntal gaat de weg naar Windhoek, een stad op de rand van twee woestijnen, de Namib en de Kalahari. Vanaf het terras van kasteel Heinitzburg op een van de heuvels rond de stad zijn de grenzen van Windhoek goed te zien. De hoofdstad is eigenlijk niet meer dan een uit de kluiten gewassen provincieplaats: een centrumpje, wat blanke suburbs en dan (precies als in Zuid-Afrika) de uitgestrekte zwarte buitenwijken. Achter de laatste huizen gaapt het niets: leegte en droogte. Daarachter, voor ons oog onzichtbaar: de eindeloze hoogvlakte van centraal Namibië.

Het Heinitzburg-kasteel is een typisch restant van het Duitse koloniale verleden van Namibië. Het werd gebouwd door Willi Sander, een Duitse architect die in het begin van de eeuw in Windhoek arriveerde en een reeks gebouwen ontwierp waaraan de hoofdstad nu nog haar Duitse karakter dankt. Erg lang heeft Duitsland overigens niet de scepter gezwaaid over Namibië: van 1884 tot 1920, toen het in handen viel van Zuid-Afrika. Maar lang genoeg om een stevig Duits stempel te drukken op het land.

In Windhoek wonen 170.000 mensen. Daarvan leeft het grootste deel in het township Katutura. In totaal telt Namibië nog geen anderhalf miljoen mensen, op een oppervlakte van 825.000 vierkante kilometer. Dat betekent een bevolkingsdichtheid van 1,7 mensen per vierkante kilometer, een van de laagste ter wereld. Het gros van de bevolking, zestig procent, woont in het uiterste noorden, in de vruchtbare Ovambo-streek op de grens met Angola. Dertig procent zit in de steden. Dat betekent dat de rest van het land zo goed als leeg is.

De in totaal 4.400 commerciële boerderijen in het zuiden en midden van Namibië zijn vrijwel allemaal in handen van Afrikaners en nazaten van Duitsers. Die boeren leven in de grootste eenzaamheid - de bevolkingsdichtheid bedraagt hier geen halve mens per vierkante kilometer. Bijna allemaal voeren de mensen daart een overlevingsstrijd. Om de zoveel jaar sterft het vee door aanhoudende droogte. Ze zitten in de schulden. De wolprijs is laag. 'De Republikein ' en de 'Allgemeine Zeitung ', de Afrikaans- en de Duitstaligekrant van Namibië, berichten geregeld en zonder schroom over zelfmoorden onder boeren.

Dergelijke informatie geeft je een idee van de leegte en de sfeer van het land beneden de Ovambo-regio. De rit van Windhoek naar Etosha duurt een uur of vier. Vier uur niets dan savanne en zand: hier en daar een pluk gras, hier en daar een boom. De Duitse erfenis is zichtbaar in de straatnamen en winkelopschriften van de plaatsjes waar we doorheen rijden. Plaatsjes met exotische namen als Okahandja en Otjiwarongo blijken teleurstellende replica's van plattelandsstadjes in Zuid-Afrika. Alleen heet de hoofdstraat hier niet Voortrekkerweg, maar Kaiser Wilhelmstrasse, of, als de emancipatie al is doorgesijpeld, Sam Nujoma Road, naar de eerste zwarte (en huidige) president van Namibië (dat in 1990 onafhankelijk werd).

In Otjiwarongo stoppen we bij Carstensen Bäckerei. Hier bakt men niet alleen Duits brood en gebak, maar bereidt men ook Eisbein met Kartoffelsalat en Sauerkraut met aardappelen en Kasslerib. Zuurkool! Zo'n buitenkans in Afrika laten wij ons niet ontgaan, al is het buiten over de dertig graden.

Dan de laatste 150 kilometer tot het Nationaal Park Etosha. Op de zandweg naar de ingang van het park tot het Okaukuejo-kamp, een kilometer of dertig, worden we begeleid door de ritmische halsbewegingen van een paar giraffen. Ze lopen naast onze auto een eindje keurig met ons op en verdwijnen dan langzaam tussen de bomen.

Er zijn drie kampen in Etosha: Okaukuejo, Halali en Namutoni. De kampen zijn eigendom van de staat. Om er te kunnen logeren moet je van tevoren boeken bij het toerismebureau in Windhoek. De bungalows en kamers in het kamp zijn niet mooi en niet lelijk, maar functioneel, precies zoals je van ouderwetse Afrikaner staatsaccommodatie mag verwachten. Maar de belangrijkste twee zaken zijn aanwezig: airconditioning en een koelkast.

Het Etosha Nationaal Park beslaat 22.270 vierkante kilometer savanne en woestijn. Karakteristiek voor het park is de Etosha Pan, een kurkdroge bedding van witte, gebarsten modder van ongeveer 5.000 vierkante kilometer. Alleen na hevige regenval staat er water in de Pan. Alle zand- en grindwegen in het park lopen in een cirkel om de Pan heen, van waterpoel naar waterpoel.

De eerste Europeanen die bij de Etosha Pan arriveerden waren de ontdekkingsreizigers Charles Andersson en Francis Galton. Dat was in 1851. Andersson maakte in zijn dagboek gewag van een 'immense holte, Etosha genaamd'. Etosha betekent in de lokale taal 'grote witte plek van droog water'. De plek bleek een grote verscheidenheid aan wild aan te trekken. Een andere ontdekkingsreiziger, McKiernan, noteerde in 1876 dat hij nog nooit zoveel wild bij elkaar had gezien als bij Etosha: 'Gnoes in grote kudden, honderden zebra's, springbokken bij tienduizenden, struisvogels, gemsbokken, steenbokken en elanden'.

Het Okaukuejo-kamp was oorspronkelijk een militaire controlepost van de Duitsers, die onmiddellijk de enigheid van het gebied inzagen en Etosha in 1907 tot 'Wildschutzgebiet' verklaarden. In 1967 kreeg het de status van nationaal park. Al vroeg was de waterpoel in het Okaukuejo-kamp befaamd onder reizigers. Oude foto's in het kantoor van het kamp tonen toeristen in de jaren veertig: in pofbroek en gewapend met geweer en verrekijker staan ze op gepaste afstand van de poel naar drinkende zebra's te kijken. Volgens oude verslagen moesten deze vroege toeristen geregeld in hun automobiel duiken wanneer onverwacht een leeuw opdook. De populariteit van de poel bracht de parkopzichters op het idee zelf een aantal waterplassen te creëren. Zo kwamen er vanaf 1956 verschillende kunstmatige drinkwaterplaatsen bij rond de Etosha Pan en werd de route langs de drinkplaatsen het bijzondere kenmerk van het Etosha-wildpark. Wanneer de zon gaat zakken, wordt het tijd om naar de beroemde waterpoel in het kamp te gaan. Mee te nemen: verrekijker, fototoestel, drank, pinda's en ja, toch een paar kranten, want misschien wordt het ondanks al die beloftes toch wel ontiegelijk saai daar aan de waterrand.

Het kamp is van de waterpoel gescheiden door een half neerliggende schutting van stevige balken, bedoeld om al te nieuwsgierige olifanten op afstand te houden. We gaan zitten op een van de bankjes die in een lange ovale cirkel rond de poel staan, als in een amfitheater. Van hieraf heb je een prachtig panoramisch breedbeeld, want je zit een meter of vier hoger dan de poel. De bankjes zijn spoedig allemaal bezet. Iedereen fluistert, om het komende wild niet af te schrikken. Af en toe klinkt het geritsel van een rugzak, het geklok van vloeistof uit een fles.

We kijken naar de poel: donker water, omringd door rotsige stenen. Daaromheen graspollen, struiken, lage doornbomen. Verder stilte. Geen dier te zien. We zitten en wachten. De zon zakt verder, de schemer zet in. De vogels beginnen harder te fluiten, de krekels harder te tsjilpen. In de struiken klinkt geritsel. Dan opeens: heel licht hoefgetrappel, een paar springbokjes komen (als op een wijdse bühne) van links op: schichtig stappen ze uit de struiken, trippelen langzaam tot aan de waterrand. Steken een poot in het water, kijken om, slurpen dan, kop omlaag, snel wat water en draven vervolgens weer weg.

Nu wordt het gauw helemaal donker. De grote zaallampen rond de waterpoel flitsen aan. We zijn opgenomen in het theater van het dierenrijk. Er klinkt luid gestommel en gebalk. Ineens is daar een groep van zeker vijftig jonge zebra's die al spelend naar de poel galopperen. Ze stuiven het water in, bijten elkaar in het achterwerk, stuiven balkend het water weer uit.

Tegen de donkere avondlucht komen de giraffen op. Eerst hun schommelende halzen, dan ook hun lange benen. Beheerst bewegen ze zich naar het water. De zebra's maken respectvol plaats voor de langhalzen en stommelen met z'n allen naar één kant van de poel. Dan klinkt er luid gekraak: in de verte wordt de indrukwekkende kop van een olifant zichtbaar. Met slepende tred komt hij aansloffen, nu en dan een paar takken van een boom met zich mee sleurend. Hij keurt de zebra's en giraffen geen blik waardig en waadt tot in het midden van de poel. De slurf gaat diep het water in, dan omhoog, water spuit over z'n rug. Het lijkt een opvoering uit de ark van Noah.

"Kijk eens," fluistert iemand. Jawel, daar links opzij sluipt iets naderbij: een neushoorn. De zebra's maken nu dat ze wegkomen. Ook de giraffen trekken zich langzaam terug. De olifant blijft van zijn douche genieten. De neushoorn sluipt tot aan de rand van het water. Drinkt. In één groot panoramisch beeld hebben we nu: een douchende olifant, een slurpende neushoorn, galopperende zebra's en traag wegschommelende giraffen. Dan vertrekt ook de neushoorn. Links opzij gaat hij af, terwijl op de achtergrond de zebra's en giraffen oplossen in het donker. Ten slotte vertrekt de olifant. Zie hem gaan. Kalm, waggelend, als een zwarte vrouw die trots is op haar indrukwekkende derrière. Langzaam verdwijnt hij tussen de bomen, de nacht in. Weg. De voorstelling is afgelopen. De lichten doven.

De volgende ochtend ondernemen we de tocht langs de verschillende drinkplassen en droge vlakten van het Etosha-park. We hebben nog nooit zoveel wilde dieren bij elkaar gezien: tientallen zwart-witte gemsbokken, talloze springbokken en kleine duikers, koedoes, gnoes, grote en kleine olifanten en giraffen met hun jongen. Allemaal prachtig, maar de poel in het Okaukeujo-kamp zal in mijn herinnering als puur theater blijven hangen. En voor een natuurbarbaar als ik is dat het beste wat een mens kan overkomen in een wildpark.

Praktisch

Voor wie geen natuurliefhebber is, maar toch eens een wildpark wil bezoeken: vergeet het Krügerpark en ga naar Etosha! Er zijn veel minder toeristen en je rijdt nog gewoon over zand- en grindpaden. Je kunt vanuit België naar Windhoek vliegen en daar een auto huren. Vanuit Windhoek rij je in een uur of vier naar het park, over een prima weg.

* Fishriver Canyon Lodge, tel. (00 264) 9-264-61 230 066, website: http://namibiaweb.com/canyon

* Etosha Wildpark Reserveringen bij het Namibisch Toerisme Bureau: tel. (00 264) 9-264-61 236 975

* Autoverhuur in Windhoek, o.a.: Sandfield Car Hire (voor 4x4), tel. (00 264) 9-264-61 220 722; Kessler Autovermietung (voor gewone auto), tel. (00 264) 9-264-61 256 323

* Namibië per bus vanuit Johannesburg of Kaapstad: Intercape Mainliner, tel. (00 264) 9-264-61 227 847

In Otjiwarongo bakt men niet alleen Duits brood, maar bereidt men ook Eisbein met Kartoffelsalat en Sauerkraut

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234