Woensdag 24/04/2019

De grote muil van de oppergod

Herman Brusselmans. 'De man die werk vond'

Johan Vandenbroucke

Een kleine anekdote uit het rijke Vlaamse letterenleven: in 1982 debuteerde een jonge Vlaming bij de kleine Nederlandse uitgeverij In de Knipscheer met de verhalenbundel Het zinneloze zeilen. Op het achterplat keek de nieuwbakken schrijver de lezer half verlegen, half trots aan: een keurige jongen, duidelijk een middenstandszoon, met een wat pokdalig gezicht en braaf kortgeknipt haar, de oren bloot, alsof Vlaanderen hippies noch punkers had gekend. Geen drie jaar later zou deze wat sullig lijkende jongen zich met branie en ironie de mooie jonge oppergod van de Vlaamse literatuur noemen. Het prentje accordeerde niet met de inhoud: Het zinneloze zeilen bevatte vier verhalen vol absurde ontregeling en hilariteit. De schrijver, Herman Brusselmans, werkte met een in Vlaanderen nog ongekende lef aan zijn imago, en meteen ook aan zijn marktwaarde, onder meer door onwelvoeglijke columns in het satirische weekblad De Zwijger. De uitgeverij verwachtte dan ook veel van zijn eerste roman Prachtige ogen, die in 1984 verscheen, dit keer met een foto van een iets zelfbewuster kijkende auteur, het haar gecultiveerd halflang. Maar het boek liep niet zoals verhoopt en de uitgever weigerde de nieuwe roman die Brusselmans aanbood, De man die werk vond. Bij uitgeverij Bert Bakker werd het boek een bestseller, waar een kleine uitgeverij als In de Knipscheer zelfs niet van durfde te dromen.

Voor Brusselmans betekende De man die werk vond de doorbraak. Die viel niet toevallig samen met een heuse vernieuwing in het Vlaamse proza, zoals ook bleek uit een verhalenbundel waarvan vooral de titel, overigens een vondst van Brusselmans, spraakmakend werd: Mooie jonge goden (Kritak, 1986). Vlaanderen had opeens een nieuwe lichting jonge auteurs - de generatie Brusselmans-Lanoye - die resoluut koos voor het vak, marktgericht dacht en de schrijverij professioneel aanpakte. Al verliep dat laatste voor Brusselmans niet zonder gepieker en getob. De stap naar het fulltime schrijverschap zette hij pas na maandenlang dubben. Later verklaarde hij in een interview: "Toch dacht ik er ook in 1985 nog niet over om uitsluitend van de literatuur te gaan leven. Ik was toen 28 en had een job als bibliothecaris in de bibliotheek van de RVA te Brussel."

Ook Louis Tinner, de neurotische antiheld in De man die werk vond, vult zijn dagen onzinnig als bibliothecaris in de kelder van een groot gebouw. Pure autobiografie volgens Brusselmans, die toen in een interview zei: "Dat is wellicht mijn probleem: ik kan moeilijk anders dan autobiografisch schrijven. Als ik het niet doe, verzand ik in bullshit, in Kamagurkiaanse toestanden." Heel de roman door kankert Tinner met Brusselmanse spitsheid en brutaliteit over de zinloze verveling. Zijn dagen vult hij voornamelijk met roken, Jupiler drinken, lullen en somberen over het bestaan. De dagelijkse bezoeken van het aandoenlijk lelijke koffiemeisje en de hoop op een glimp van het okselhaar van het kopieermeisje bieden hem al eens een terloopse verstrooiing. En de schaarse bezoekers aan de bibliotheek natuurlijk, die meestal door hem afgeblaft worden en met wat geluk een boek meekrijgen, hetzij met een rokersfluim erin, hetzij met een uitgescheurde pagina. Ondertussen blijft hij kankeren: over zijn ontlasting, rookgedrag, angsten en natuurlijk over de onbetamelijke domheid van de medemens. Tussendoor gaat het ook over Brusselmans' gevecht met de literatuur. "Wat later, langs de rekken wandelend, zag hij plots (...) het grote gezicht van Nabokov opdoemen. De verschrikkelijke ogen staarden in de zijne." En over de angst voor de toekomst: "Hij zat, en rookte. Neen, dacht hij, onmogelijk. Zo verlies ik de kans op uitkering, op ziekteverzekering, pensioen en dergelijke. Het is niet te verwezenlijken." De man die werk vond werd terecht een succes. Met plezier heb ik het herlezen, meer dan andere romans van Brusselmans bezit het de spankracht om te blijven boeien, de juiste dosering tussen verhaal, melig gezeur en sardonische humor. In 1985 reageerde de kritiek, zoals steeds bij Brusselmans, verdeeld. Vooral uit Nederland kwamen mooie kritieken, zoals van Tim Krabbé ("Het beste boek van 1985") en van Eddy Mielen in Vrij Nederland: "Een subliem werkje dat, handelend over verveling, geen seconde verveelt! Integendeel." De laatste vergeleek het boek met De avonden van Gerard Reve, waarop De man die werk vond inderdaad gemodelleerd is. Dat deed Jan Braet ook in een vernietigende recensie in Knack ("Gefixeerd op de anale processen, een nogal fletse imitatie van Gerard Reve"), die begon met: "Ten derde - en wat ons betreft laatste - male: melige troep van 'punk' Brusselmans." De man die werk vond werd zowat een cultroman op Vlaams niveau. Door velen wordt het nog steeds als het beste boek van Brusselmans beschouwd, zelfs door een geroutineerd Brusselmans-criticaster als Herman Jacobs, die het "hier en daar bijna geniale boekje" onbetwistbaar het hoogtepunt van het oeuvre vindt. Ook Brusselmans zelf lijkt het als zijn chef-d'oeuvre te beschouwen, wat dan weer enigszins in tegenspraak is met zijn mening dat recensenten zijn evolutie negeren. Zelf weet ik het niet zo goed. Brusselmans is in de loop der jaren vooral stilistisch gegroeid. In zijn recente boeken is hij gewoon een betere vakman: met een feilloos gevoel voor ritme en timing, en om een detail te noemen een betere aanwending van bijvoorbeeld archaïsmen, is hij bij momenten onweerstaanbaar geestig of ontroerend. Toch blijft De man die werk vond een van zijn sterkste boeken. Dat bleek bijvoorbeeld toen dit jaar Nog drie keer slapen en ik word wakker verscheen, volgens de flaptekst "het langverwachte en onvermijdelijke vervolg" op zijn klassieker. Opnieuw gaat het over Louis Tinner, ondertussen dertien jaar ouder en boekhandelaar geworden, die als weleer mensen afblaft, boeken verscheurt, Jupiler drinkt en zich zorgen maakt over de kwaliteit van zijn schijterij. Toegenomen stijlgevoel en metier zijn blijkbaar niet voldoende om een meesterwerk te schrijven. Dat heeft toch ook met inhoud te maken, en met de noodzaak om te schrijven, een andere dan die waarmee Brusselmans nu zijn twee vaardig gefabriceerde romans per jaar produceert. Variaties op steeds hetzelfde gaan vervelen, en worden even voorspelbaar als de latere romans van verguisde iconen van de vorige generatie zoals Lampo, Ruyslinck en Vandeloo. Voor Brusselmans lijkt het me de uitdaging (hier past deze door VTM-coryfeeën geliefde term) om dieper te gaan. Misschien moet hij daartoe de wereld in, zeker moet het anders zijn dan het veilige spel met weer een fantasie over het beffen van een gelikte tv-presentatrice. Desnoods schrijft hij maar een eerlijk, pijndoend verhaal over een sullige puber die zo graag zijn haar lang had laten groeien, maar dat niet mocht van zijn vader.

De man die werk vond verscheen oorspronkelijk bij uitgeverij Bert Bakker en werd ook opgenomen in de pocket Trilogie voor beginners, uitgeverij Ooievaar.

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.