Zondag 13/06/2021

De grote meesteres

'Maria Montessori 1870 - 1952', een onthullend portret door Marjan Schwegman

Annick Schreuder

'Kinderen zijn als klokken', zei Maria Montessori eens. "En die hebben meer nodig dan een leerkracht die de wijzers voortbeweegt. Ik wind het mechanisme op, waardoor de hele machinerie in werking wordt gezet." De Italiaanse arts en pedagoge had een uitgesproken mening over kinderen, opvoeden en zichzelf. Al is dat laatste beeld enigszins geregisseerd, want aan de bijna mythische kwaliteiten die een schare bewonderaars haar heeft toegedicht, werkte ze zelf van harte mee. De Nederlandse hoogleraar Marjan Schwegman doorbreekt als eerste een aantal van deze mythes in haar onlangs verschenen biografie Maria Montessori, 1870 - 1952. Kind van haar tijd, vrouw van de wereld.

In haar geboorteland Italië heeft Maria Montessori nooit de status gehad die zij in vele andere landen wel genoot. Toch lijkt een eerherstel in de maak: sinds enkele jaren prijkt haar portret op het 1000-lirebiljet, en een Italiaanse uitgeverij vroeg Schwegman een biografie te schrijven (die later dit jaar aldaar zal verschijnen).

Dat het juist een Nederlandse is die het levensverhaal van Montessori optekent, is minder vreemd dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Maria Montessori verbleef vanaf 1936 regelmatig in Nederland, waar veel interesse bestond voor haar onderwijsmethoden. De eerste Montessori-kleuterschool werd trouwens in Nederland opgericht. Het internationale Montessori-archief is gevestigd in Amsterdam en La Granda Maestra ligt begraven in Noordwijk.

Maria Montessori werd in 1870 geboren als enig kind in een gegoede familie. Op de lagere school blonk Maria vooral uit in lavori donnechi, 'vrouwenwerkjes' oftewel naaien, borduren en breien, maar toch verbaasde ze eenieder door op twaalfjarige leeftijd vastberaden te kiezen voor een technische opleiding. Maria was intelligent en had een passie voor wiskunde, maar ging desondanks geneeskunde studeren. "Wiskundigen bestuderen geen echte mensen", ze ze, "artsen wel."

Behalve over wilskracht, beschikte Maria ook over een rijk innerlijk leven, dat zich soms in de vorm van visioenen aan haar openbaarde. In haar vermaarde De Methode (1909) wijst Maria zelf ook al op een aantal van die cruciale momenten. Eén daarvan is de walging die zij ervaart als zij later lijken moet ontleden. Kort nadat zij kokhalzend de snijzaal is uitgelopen, is Maria getuige van een ogenschijnlijk onbetekenende scène in het park: een klein jongetje speelt met een stukje gekleurd papier. Zijn moeder kijkt met liefdevolle blik naar het kind, dat in opperste geluk volledig in zijn spel opgaat. Bij het zien van het tafereel wordt Maria bevangen door emoties en wordt het haar duidelijk dat zij een missie heeft. Waaruit die precies bestaat, is nog niet helemaal duidelijk, maar haar afkeer van de anatomielessen verdwijnt en haar belangstelling voor kinderen is definitief gewekt.

Met haar eerste openbare redevoering als aankomend dokter oogstte Maria lof en bekendheid op een pedagogisch congres in 1898. Zij betoogde dat de moord op Elizabeth van Oostenrijk (Sissi) niet zou hebben plaatsgevonden als de (Italiaanse) moordenaar - als afwijkend kind - op een speciaal instituut zou zijn opgegroeid. 'Deficiënte' kinderen hadden immers speciale eigenschappen, die bestudeerd en gerespecteerd moesten worden. Speciaal daartoe opgeleide opvoeders zouden hun slechte neigingen in goede banen kunnen leiden.

Montessori's denkbeelden, beïnvloed door het rooms-katholicisme en (hoe onverzoenlijk dat misschien ook moge klinken) door het theosofisme, ontwikkelden zich tot een methode toen zij als directrice werd aangesteld van een nieuw op te richten 'casa dei bambini' in Rome. Een rijke bankier die de vernielingen van de zich vervelende arbeiderskinderen beu was en het geld van de reparaties bij wijze van experiment wilde besteden aan opvang en vorming van de kinderen, stelde Montessori in de gelegenheid haar ideeën in de praktijk te toetsen. Maria werd direttrice en ontwierp zelf de leermiddelen. Het succes van het semi-sociale project zette Montessori ertoe aan haar opvoedingsmethoden ook toe te passen op normale kinderen.

Ondertussen hadden zich in haar persoonlijk leven ook de nodige veranderingen voorgedaan. Maria was in verwachting geraakt van een collega, maar hun verhouding liep op niets uit. In tegenstelling tot datgene wat Maria predikte - vrouwen moesten hun dikke buik tonen - hield ze haar zwangerschap geheim, en haar zoon vijftien jaar lang verborgen. Tot op hoge leeftijd zou Maria hem overal als haar neef voorstellen.

Schwegman legt in haar biografie de nadruk op de Italiaanse periode, de jaren tussen 1870 en 1916, waarover het minst geweten is. Omdat het archief in Amsterdam niet toegankelijk is voor onderzoekers heeft de historica naar eigen zeggen een aantal "omtrekkende bewegingen" gemaakt om dat probleem te ondervangen. Om te beginnen heeft ze het leven van Montessori in een breed cultuurhistorisch kader geplaatst, met veel aandacht voor de "netwerken waarbinnen Maria Montessori zich bewoog". Daarnaast licht Schwegman bepaalde thema's, zoals de crisis in het positivisme, uit de cultuurgeschiedenis en gebruikt ze die als kader voor Montessori's wetenschappelijke carrière.

Ze wijst erop dat, zoals Bell en Edison hun uitvinding en methode patenteerden, Montessori het alleenrecht opeiste van de naar haar genoemde opvoedingsmethode, hoewel het niet uitsluitend haar ontdekking was. Zowel binnen als buiten Italië werd door verschillende (mannelijke) wetenschappers geëxperimenteerd. Montessori liet zich vooral inspireren door het gedachtegoed van de negentiende-eeuwse antropoloog Edouard Séguin, die zich speciaal richtte op 'deficiënte' kinderen. Schwegman brengt ook andere zaken aan het licht. De paradoxale relatie met haar zoon Mario bijvoorbeeld, haar 'verhouding' met Benito Mussolini, haar onmin met de paus en haar (latere) hang naar het hindoeisme.

Schwegman heeft met gepaste afstand een niettemin levendige biografie geschreven van deze boeiende en intrigerende vrouw. Het boek is nadrukkelijk voor een breed publiek bestemd en is ook zeer leesbaar, op enkele al te bombastische uitglijders na. Schwegman gaat slechts zijdelings in op de eigenlijke leermethode, al is dat voor een biografie misschien nog te billijken.

De voornaamste kritiek betreft het door Schwegman zelf aangegeven kader, de (door nood) ingegeven 'omtrekkende bewegingen', die niet steeds zo verhelderend zijn als bedoeld. Dat is het geval met de veel te breed uitgesponnen en gekunstelde 'heldeninterpretatie' die Schwegman van Maria Montessori geeft "omdat met name het eerste deel van haar levensgeschiedenis in die vorm is overgeleverd". De nadruk ligt daarbij niet op het 'ontmaskeren', zegt Schwegman, maar op het onderzoeken van de redenen waarom Montessori's levensverhaal net op deze manier is overgeleverd. Ik vond juist het tegenovergestelde. Schwegman slaagt er wel in nieuw materiaal aan te dragen, maar kan dat binnen het door haar zelf geschetste heldenkader niet helemaal geloofwaardig maken. Van de 'storm der twijfels' die blijkbaar elke held heeft, is bij Maria, anders dan bij bijvoorbeeld Nietzsche, Freud en Jung, niets overgeleverd in de (beschikbare) annalen, en dat maakt de interpretatie er niet aannemelijker op.

Marjan Schwegman, Maria Montessori 1870 - 1952. Kind van haar tijd, vrouw van de wereld, University Press, Amsterdam, 256 p., 690 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234