Vrijdag 27/01/2023

De grote kleine schrijver

Louis Paul Boon 'Mijn kleine oorlog'

Koen Peeters

Voorbij een recreatiepark met superwaterglijbaan en drie verwarmde zwembaden, midden in de dennenbossen van Lommel, ligt een groene egale vlakte. Kortgeschoren, rasiert. Op de vlakte staan 20.000 kruisen, geometrisch uitgezet. Twee namen per kruisje, soms ook gewoon Ein deutscher Soldat. Dat maakt 40.000 zielen, in overzichtelijke cohorten over 16 hectaren. Hier en daar een berkje en een dennetje, ogenschijnlijk lukraak maar perfect ongepland neergeplant, volgens principes van Duitse romantische poëzie. Er valt pluis van de wilgen.

Verweg klinken stemmen van Duitse jongens. Het zijn vrijwilligers van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge. Zij onderhouden hier in de Limburgse Kempen het kerkhof. In het toegangsgebouw liggen de boeken met duizenden soldatennamen. Na de Tweede Wereldoorlog werden 38.962 Duitse gesneuvelden van voorlopige kerkhoven naar hier gebracht. Dat getal is te groot en te luguber om nog aan individuele soldaten te kunnen denken.

In het midden van de vlakte staat een crypte, met daarboven in basaltsteen een vriendelijk gekruisigde Christus. Hij wordt geflankeerd door een wenende Maria en een Johannes die het staat uit te leggen. Bovenaan is het gebouw geheel afgedekt met koper en lood: materialen met een mythologische lading, zoals bij Josef Beuys en Anselm Kiefer. Het dennengroengeoxideerde koper, het lood dat oorlog connoteert en het zwarte, harde basalt, doorrookt van een vulkanische woede.

Binnen in de crypte ligt een beeld. Een dode, witte man met de armen op het lichaam geplaatst. Licht valt door twee bronzen tralievensters. Een operadecor, waarin de symbolen vakkundig zijn geregisseerd. Hoe schoon kan oorlog zijn, denk ik, niet geheel politiek correct.

Er schittert iets op de grond. Ik raap een onregelmatig kubusje van glas op, met een scherp felgoud vlakje. Het komt uit de grote muurmozaïek, die hier en daar zijn steentjes blijkt te lossen. Als tanden die uitvallen. Terug buiten wacht de formatie van kruistekens en duizenden dode soldaten. Hoe volmaakt geadministreerd is deze dodenakker. En ook: hoe esthetisch kan men weg met oorlogservaringen?

Het boek, de eerste druk van Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon, verscheen aanvankelijk zonder veel pretentie als feuilletonafleveringen in Zondagspost, van december 1944 tot augustus 1945. Het was een wekelijks krantenstukje van de broodschrijver Boon, die net begonnen was aan zijn meesterproef De Kapellekensbaan. Als boek verscheen het in 1947 bij uitgeverij Manteau. Het was door Boon zelf licht geredigeerd.

Boon beschrijft de oorlog zoals hij die beleeft en observeert. Als soldaat maakt hij de oorlog mee aan het Albertkanaal, wordt gevangengenomen te Veldwezelt en belandt in het krijgsgevangenkamp te Fallingbostel. Als hij thuiskomt, verbergt zijn zoontje zich voor de vreemde man. Boon geeft de redenen: "mijn kapotte kapoot en mijn baard en mijn zeer mager gezicht". Hij is pacifist en antimilitarist, en daardoor is dit boek geen strijdepos over de groten der aarde of de krijgsmanskunst. Dit gaat over de kleine oorlog van Albertine, Franske, Prosken, de vrouw van Alfred en van Vieze. Boon recupereerde, zoals in zijn andere boeken, gewoon de mensen en de verhalen uit zijn omgeving. In de titel van het boek klinken anekdotiek en bescheidenheid, zelfs een zekere vrolijkheid zoals bij Titaantjes van Nescio.

Hij schrijft met veel sympathie voor de lijdende kleine man, maar wel met enige dubbelzinnigheid: de schrijver observeert het volk in al zijn onschuld, kleinheid, egoïsme en escapisme. Hij portretteert de enkeling die zich verzet tegen de verraders en de profiteurs. Boon veroordeelt radicaal de oorlog met al zijn uitvoerders: pseudo-verzetslieden, grote steenkooldieven, flaminganten in uniform, valse intellectuelen tot en met de bakkers die zich verrijken. Het boek bestaat uit korte, compacte hoofdstukjes, telkens onder een pakkende titel. Dos Passos deed dat ook al in Manhattan Transfer. De structuur verraadt daarmee het ritme van zijn krantenbijdragen, en suggereert ook dat je na elk hoofdstuk beter even adem hapt. Eigennamen schrijft Boon consequent met kleine letters en als hij wil schreeuwen in zijn tekst, begint hij plots in hoofdletters. Vandaag is die truc niet gebruikelijk, want zoiets verstoort het leesgedrag en maakt de bladspiegel onrustig, zeggen typografen. Maar een romanpagina is gelukkig méér dan een decoratief grijs vlak in een wit kader. Het boek eindigt met de beroemde, haast dronken opdracht aan de lezer:

SCHOP DE MENSCHEN

TOT ZIJ

EEN

GEWETEN

KRIJGEN

Die conclusie paste in Boons socialistische engagement. De samenleving is maakbaar! Na een oorlog is vooruitgang mogelijk! Boon breekt buiten zijn eigen boek, en legt existentiële verantwoordelijkheid bij de lezer. Boon bewijst zichzelf hier als de betere copywriter. Met dat soort reclameslogans kan men linkse gazetten redden.

Ik ben lid van het Boongenootschap en betaal trouw mijn jaarlijkse bijdrage. Hun Berichten uit Boonland zijn sinds kort herdoopt tot Boelvaar Poef. Een zeer Booneske naam: zo noemde men vroeger in Aalst de Sint-Annalaan, waar veel onderwijzers en kantoorlui woonden die zich 'overleend' hadden. Af en toe e-mail ik met hun toegewijde hoofdredacteur Geert Goeman, voortreffelijk exponent van de Boon-verslaving. Ook al hebben wij elkaar nooit gezien of gehoord, onze e-mails hebben de openhartigheid van twee buurmannen 's zomers in de tuin.

In het tijdschrift verkopen en ruilen Boon-liefhebbers jeneverglaasjes en prentbriefkaarten met Boon-thema's, en vooral eerste drukken. Enigszins oneerbiedig gezegd, ik heb al drie meter Boon. Het is een verzameling van 167, soms licht beschadigde of wat verkleurde boeken van of over de auteur. Ik heb de eerste drukken van zijn vijf eerste boeken, ik heb vier edities van Menuet, dat soort afwijking. Dergelijke verzameldrang is niet eens sociaal, want de boeken zijn niet te ontlenen.

Vooraan bij het kostbare oud papier staat, naast De voorstad groeit, Abel Gholaerts en Vergeten straat een exemplaar van Mijn kleine oorlog. Het is een licht beschadigde eerste druk. In potlood op de eerste bladzijde: 400 frank.

Ik kocht het in Het Ivoren Aapje, aan de Brusselse Begijnhofkerk. Brussel leek die dag Brugge, zo zonovergoten en toeristisch zongen de kasseien van de stadsvernieuwing. Kantoorbedienden aten boterhammen op de bank. Alles zeer lieflijk, ik kinderachtig blij met mijn vondst. Alleen was er een vreemd lawaai dat elkeen deed opkijken. De kerk was bovenaan zwart beroet. Aan de achterkant evacueerde een kolossale kraan zwart verkoolde balken uit het hoge stenen schip van de kerk. Frederik Deflo, boekverkoper en dichter, kwam naast mij buiten staan kijken. Daarbinnen moest dat verschrikkelijk zwart geblakerd zijn, als de hel.

Sinds jaren knip ik krantenfoto's uit van grote oorlogen. Ik heb mappen van de Falklandoorlog, Kosovo en nu ook van VS-Afghanistan.

Dit zijn alvast de mooiste foto's van die laatste oorlog: de geamputeerde skyline van New York, de esthetische mist boven de rokende belt, voorts de zondvloed van vuur en rook bij een stralend blauwe hemel, waarbij het blauw met een vuile vinger werd weggeveegd, slordig en nadrukkelijk. We kennen intussen alle mogelijke perspectieven op deze ramp. Netjes imploderend, ten behoeve van camera's. Bloed van slachtoffers werd clean uit beeld gehouden. Er was hooguit een poppetje dat vloog door de lucht.

We zagen brandweerlui als de helden van het eerste uur. Vervolgens kantoorlui en zakenmannetjes met het jasje in de hand, aktetas in de andere. De das losgesjord als na een zware werkdag op kantoor. Ze waren allen bedekt met grijsbruin stof, ze leken gegalvaniseerd of afgegoten in brons. Zij waren de helden van het tweede uur.

Wat meteen opviel: de foto's waren scherp, kleurrijk en reeds voorbestemd voor jaar- en eeuwoverzichten. Beauty is in the eye of the newspaper. Is het zomaar toegestaan met zo'n esthetische blik het wereldnieuws te lezen? Via webcams of CNN naar de ramp kijken, als een filmpje? Elkaar de mooiste foto's doormailen als waren het de Menzo-foto's van Phaedra Hoste?

Ik heb ook nog foto's van die andere oorlog van dit moment: de migratie. Nog zo'n koude oorlog. Het zijn foto's van container- en vrachtwagenscans waarop mensen verschijnen als grijze spoken. Hun houdingen in röntgen zijn ontroerend, als afgietsels in Pompeji.

Mijn kleine oorlog verkocht slecht. Het boek werd uitgespuwd door de katholieke pers, wegens al te chaotisch en de vuilbekkerij die erin voorkwam. Het boek werd wél positief ontvangen door de vrijzinnige media. Misschien kwam dat door het voorwoord van Elsschot, die Boontjes debuut De voorstad groeit als jurylid van de Krynprijs had gelezen. Halfweg zijn lectuur had Elsschot moe en tevreden gemeld aan de jury dat de prijs naar Boon mocht. Over Boons stijl noteert hij: "Zijn stijl is ruw, brutaal, ongeschoold, soms plat, maar dat alles is bewust en gewild, met goede, ja met edele bedoelingen." Na deze vaderlijke verontschuldiging wijst hij de lezer op de morele dimensie van het boek: "Uw diepste menschelijke waardigheid zal wakker worden." Elsschot, ook al internationalist en pacifist, roept mee op tot "de verbroedering van blanken en zwarten, van Britten, Moffen en Russen, de verbroedering die althans aan de grootste collectieve gruwel een eind zal maken: aan de oorlog."

In het exemplaar dat ik kocht zat een boekbespreking door Piet Van Aken. Er stond geen datum op, maar thuis vond ik in de bibliografie Over Boon direct de referentie: Parool, april 1947. Luie bibliofielen doen dat zo: boekbesprekingen opbergen in het boek zelf, bij wijze van klassement. Van Aken richt zich in zijn recensie tot Boon: "ik begreep opeens waarom gij zo zonder punten en komma's en hoofdletters schrijft (...) kwestie van rap-rap alles neer te schrijven wat er in uw kop steekt en een onnozele toets die kapot is aan uw corona-draagbare."

Boon heeft intussen nog meer illustere exegeten gekregen, beginnend met Herwig Leus, Julien Weverbergh, Paul de Wispelaere en vooral Bert Vanheste en Kris Humbeeck. Bert Vanheste van de Nijmeegse universiteit schreef een boek alleen al over dit boek. Het is dubbel zo dik als Mijn kleine oorlog. In 1985 werd er een symposium over gehouden. De voorbije decennia verklaarden al deze kantieke schoolmeesters het oeuvre van Boon en twistten beschaafd met elkaar, in universitaire lokalen. Zoals dat dan gaat: de nieuwe school zegt dat de ouwe school niet goed gelezen heeft. Als bewijs wordt aangehaald dat Boon zich niet begrepen voelde. Ook niet toen hij bijna de Nobelprijs kreeg. Boon zwansde met al die halve en hele wetenschappers en hij probeerde in zijn schrijven ook de laatste verklaring onderuit te halen, telkens opnieuw.

Boon schrijft een boek over zijn oorlog, maar ook over dat schrijven zelf. Hij noemt zichzelf, met valse bescheidenheid, een kleine schrijver. Vanheste: "het kleine schrijven is een alternatief voor vloeken, voor met je hoofd tegen de muur lopen; schrijven lucht op, schrijven verplaatst de pijn." Maar Boon stelt zichzelf meteen de vraag: "welke groote schrijver gaat er nu opstaan om ons Zijn-Boek-Over-Den-Grooten-Oorlog - allemaal met een hoofdletter - aan te bieden?" Hij geeft zelf het antwoord: "Gij misschien die geteisterd werd in uw have en goed, lijk ze dat noemen, maar die nog veel meer geteisterd werd in uw ziel, zijnde geëvacueerd geweest lijk een stuk vee en gedeporteerd lijk een misdadiger, en gebombardeerd en gemitrailleerd en gefusilleerd en mee-geamuseerd lijk met een blikken pot waar de kinderen op schoppen, en 100 maal gestorven verminkt den mond gesnoerd en de tanden uitgeklopt met een ijzeren sleutel, zoodat ge, daar zittend lijk job met zijn zweren..." Enzovoort enzovoort. Ik heb altijd al gedacht dat Jean-Marie Berckmans de enige wettige erfgenaam is van Boon.

"Mijn huis is te klein", zegt Ben Cami in zijn blauwgeruit hemd en debardeur. "Ik geef alles opnieuw een plaats." De dichter (in 1999 won hij nog de Herman Gorterprijs) wijst naar de stapels op het dressoir, en hij somt alles op wat hij deze week las: Naipaul, Berger, Gore Vidal. Dat doet hij elke keer als ik hem bezoek. Ik ga naast hem zitten en hij wijst naar de aquarellen en de olieverfschilderijen aan de wand. "Nee, ik schrijf niet veel meer, ik ben gepensioneerd. Vissen en schilderen zijn moeilijk geworden. Ik lees nog veel. Lowieke heeft mij nog leren tekenen."

Lowieke. Hij vertelt me hoe hij Louis Paul Boon leerde kennen, hoe ze naast elkaar woonden in Erembodegem. In zijn asbak stapelt hij de uitgedoofde Marlboro-peuken in dikke rijen op elkaar. De lieve vrouw Micheline schenkt koffie.

Hij vertelt me van zijn Engelse moeder, zijn vader die douanier was en opklom tot klerk. "Ik ben British born en enig kind", zegt hij. Cami vertelt over de oorlog. Over het verzet, hoe hij de eerste keer opgepakt werd, daarna vrijgelaten en een vriend belde hem op: "Zekommenaahoele", en Cami dook onder. Het grootste deel van de tijd zat hij bij Boon, soms ook bij kennissen of thuis. In twaalf, dertien seconden kon hij wegraken door het raam. Hij heeft toen veel gelezen, zegt hij, en geschreven aan een verhaal. Hij vermagerde. Hij las La peau de chagrin van Balzac. Zocht de onbekende woorden op in het woordenboek en daardoor kan hij nu Le Monde lezen. "En toen gebeurde het. Ken je dat geluid, als het stil is en je hoort de regen naderen: het was exact hetzelfde geluid. De Engelsen waren daar. Ik kwam naar buiten, maar mijn knieën wilden niet meer mee van het lange stilzitten." De dag na de bevrijding ging Cami de stad in. Haat drukte zich uit in smeerlapperij, zag hij. Hij keerde terug naar huis en in geen acht dagen kwam hij buiten.

Hij vertelt me hoe hij vandaag nog de daver voelt in zijn lijf soms gewoon door het nieuws op CNN.

Boon nam zijn boek Mijn kleine oorlog vijftien jaar later nog 's onder handen en herwerkte het, uit eigen beweging. In 1960 kwam deze tweede, herziene druk uit, als Salamanderpocket bij Querido. Herzien is niet het meest adequate woord. Boon kuiste de taal grondig, schrapte, voegde toe en verving. Met de aanpassingen wilde Boon een bredere doelgroep bereiken, vooral dan in Nederland.

Hij veranderde woorden: farce werd grap, stoof werd kachel, beenhouwer werd slager, naphtebak werd benzinetank. De taal van het boek werd braver en preutser. In de tweede druk dansen de corpsgrootten niet meer. Echte hoofdletters zijn vervangen door schattige klein kapitalen. Het ongehinderde schrijven bleek niet meer mogelijk, de etiquette van de roman sloeg toe.

Ook zijn levensvisie was veranderd. In die tussenliggende vijftien jaren verkavelde de verzuiling grondig de samenleving. Er waren de koningskwestie en de schoolstrijd. Na Boons kleine oorlog kwam de koude oorlog. In zijn persoonlijke leven was er het uitblijvende succes van zijn auteurschap, en Boon werd fatalistisch en zelfs nihilistisch. Boon veranderde de conclusie van het boek. De laatste zin werd nu een persoonlijke, existentiële vraag naar de betekenis van het leven:

WAT HEEFT HET

ALLES VOOR ZIN?

Nee, daarmee kun je geen gazetten verkopen.

In mijn tweede druk zit weer een krantenknipseltje. Het komt uit 'Vergeeld papier', een zomerrubriekje in Knack van 1997. Alle mensen zaten toen aan het strand, maar Reynebeau zat zich te warmen bij zijn boekenrek. Hij noemt Boon "de grote kleine schrijver die de lezer naar adem doet happen, door de kracht waarmee hij zijn ontzetting over de intrinsieke smerigheid van de oorlog uitschrijft, al hebben de slechten wel verloren, en nog even hoopt dat er iets goeds uit voort kan komen. Toen nog wel, als het snel kon gaan. Maar nee, alles vouwde weer dicht en niets had nog zin." Zelfs de titel van het boek klinkt, na al die aanpassingen, als een cynische grap.

Enfin, het is daarmee bewezen. Bibliofilie is geen vals fetisjisme, geen verkeerde boekenliefde. Voortaan is er absolutie voor die afwijking, want van dit boek alvast moet een mens minstens twee versies in huis hebben. (Tussen haakjes, in alle Vlaamse kranten stond onlangs dat men schrijvers beter wantrouwe als zij het hebben over afwijkingen in de liefde. Arme Boon! Wie zal de politieke correctheid van zijn zogenaamd pornografische boeken bepalen.)

In het Boonjaar 1999 werd Boon definitief gesacraliseerd. Er kwam weer een lelijk standbeeld bij en binnenkort is er wellicht nog een excellente biografie. Er werd een straat genoemd naar een verfilming van een herdruk van een boek, of zoiets. Ondertussen blijft in Mijn kleine oorlog de romantekst schreeuwen.

Wat te doen? Hooguit kunnen schrijvers het kwaad accuraat beschrijven, elk in zijn stijl. Dat kwaad lijkt wel een aanzuigend zwart gat. Het is niet te begrijpen, het is betekenisloos en betekenisvernietigend en elk jaar dient blijkbaar een vers oorlogje aangesneden. Sommige oorlogen woekeren als likkend vuur, andere mogen in geen geval zo benoemd worden. Blijkbaar moet het altijd ergens oorlog zijn. Wat te doen?

De kranten esthetiseren en verwerken dat geraffineerd, en we lezen het dan bij de ochtendkoffie. 's Avonds beweegt het nog op de tv. Er zijn van die vreemde bezweringsstrategieën in de menselijke creativiteit. Wat kan een schrijver dan nog doen?

Scanners werken op basis van het soortelijk gewicht van goederen. De container- en vrachtwagenscan geeft aan elk product een grijswaarde, en dat geldt ook voor vluchtelingen die zich tussen de lading zouden verbergen. Boon toont, als seismograaf van de tijd, waar de mensen zitten in het oorlogsverhaal en hij toont ons achter de grijswaarden, de gezichten. De mensen die letterlijk en figuurlijk sans-papiers zijn, op papier zettten. Misschien volstaat dat als morele verdienste van een schrijver.

Koen Peeters ging in zijn laatste boek Acacialaan op zoek naar de straten waar Louis Paul Boon woonde.

'Boon toont, als seismograaf van de tijd, waar de mensen zitten in het oorlogsverhaal en hij toont ons achter de grijswaarden, de gezichten'Sommige oorlogen woekeren als likkend vuur, andere mogen in geen geval zo benoemd worden. Blijkbaar moet het altijd ergens oorlog zijn. Wat te doen?

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234