Woensdag 21/04/2021

De grootste fabriekvan het land

Ze vervuilt niet, ze staakt nooit, ze doet zelden van zich spreken. Toch is de kerkfabriek met haar vierduizend afdelingen het grootste bedrijf van ons land. Morgen, op de eerste zondag van het jaar, start een nieuw seizoen. Zo'n vijfentwintigduizend vrijwilligers zullen zich na de hoogmis naar de openingszitting van de kerkfabriek begeven, aldus gehoorzamend aan de wet van Napoleon Bonaparte. Voor de Vlaamse kerkmeesters kan het wel eens het begin van een lange zwanenzang betekenen. Het keizerlijk decreet op de kerkbesturen uit 1809 heeft zijn tijd gehad, er is een nieuwe regeling op komst. De toekomst ziet er beroerd uit voor klokkenluiders, stoelenzetters, suisses en andere exotische begrotingsposten.

Erik Raspoet / Foto's Stephan Vanfleteren

Kaaskerke, nabij Diksmuide. De naam klinkt als een hapklare brok, maar de Duitsers hebben er tijdens de Groote Oorlog hun tanden op stukgebeten. Niet toevallig ligt hier, aan de oever van de IJzer, de beroemde Dodengang. Tonnen munitie werden op Kaaskerke afgeschoten, na de wapenstilstand stonden er geen twee stenen meer op elkaar. Alles moest heropgebouwd worden, ook de Sint-Bartholomeuskerk. Het bescheiden resultaat openbaart zich langs de steenweg Diksmuide-Nieuwpoort. Weinige automobilisten zullen op de rem gaan staan voor dit stuk neogotiek van dertien in een dozijn. Ik was gewaarschuwd: vooral niet te laat komen, want begrafenissen duren hier nooit lang. Na de offergang, zo willen het de lokale mores, loopt de kerk leeg en blijven familie en verwanten achter met lijk en verdriet. Vandaag zal het wel meevallen met dat verdriet. Irma Pauwels is vijfennegentig geworden, wie zou daar niet willen voor tekenen? Dichte drommen mensen stromen het kerkportaal uit, ik ben net op tijd om me van een massale opkomst te vergewissen.

De toeloop is niet alleen een hart onder de riem voor de nabestaanden, ook Raf Goemaere is ermee in zijn nopjes. Al maandenlang is de voorzitter van de kerkfabriek in een bitter dispuut verwikkeld met de stad Diksmuide en het bisdom Brugge. Achter zijn rug hadden beide instanties een deal gesloten. De Sint-Bartholomeuskerk wordt aan de eredienst onttrokken en krijgt een nieuwe bestemming als stadsarchief van Diksmuide. Dat is echter buiten Raf Goemaere gerekend. 'Handen af van onze kerk', waarschuwt de affiche waarmee hij zijn oude Mercedes heeft getooid. In feite mogen we hem zowel tot winnaar als tot verliezer van de dag uitroepen. Winnaar, want het beeld van een volle kerk is pure propaganda voor zijn zaak. Verliezer, want al was Irma Pauwels dan niet meer zo kwiek, met haar verscheiden is de tanende Sint-Bartholomeusparochie alweer een zieltje armer. En cijfers, dat is waar het dispuut om draait. Volgens de abolitionisten is de Sint-Bartholomeuskerk overbodig geworden. De enige mis die er wekelijks wordt gehouden, zou gemiddeld tien tot twaalf gelovigen lokken. Die kunnen net zo goed hun heil zoeken in de Sint-Niklaaskerk te Diksmuide, die hier maar anderhalve kilometer vandaan ligt.

"Onzin", maakt Goemaere zich boos. "Enkele jaren geleden was het aantal kerkbezoekers inderdaad naar een dramatisch dieptepunt gezakt. Maar dat lag aan onze vorige pastoor. Geen kwaad woord over die brave man, maar hij kon als herder niet overweg met zijn kudde. Of laat het me anders formuleren: hij kon beter overweg met de zes schapen die hij in de tuin van zijn pastorie hield dan met zijn parochianen. Maar sinds de zaterdagmis door een jonge pastoor wordt gelezen, komt er weer volk in de kerk. Zeker vijftig, als het er geen zestig zijn. Met Allerheiligen waren er zelfs stoelen te kort."

De strijd is nog niet gestreden, maar één slag heeft hij gewonnen. Op 4 november werd op verzoek van bisschop Van Gheluwe een bijzondere bijeenkomst van de kerkfabriek belegd. Aanwezig waren vier van de vijf verkozen leden, alsmede de pastoor en de VLD-schepen van erediensten, die in dit orgaan van rechtswege zitting hebben. Pikant detail: de voorganger van de aanwezige schepen is niemand minder dan... Raf Goemaere, die na de vorige gemeenteraadsverkiezingen met CD&V naar de oppositiebanken werd verwezen. Aan de vergadering werden drie punten ter goedkeuring voorgelegd: het opdoeken van de parochie Sint-Bartholomeus, het onttrekken aan de eredienst van de gelijknamige kerk, en de overdracht van de kerkgoederen aan de naburige kerkfabriek Sint-Niklaas. Jammer voor de bisschop en helaas voor de schepen van erediensten, maar de hele agenda werd verworpen, met drie tegenstemmen en twee onthoudingen tegen één. "Ze hadden geen been om op te staan", kraait Raf Goemaere victorie. "Je kunt geen kerk opdoeken tegen de zin van de kerkfabriek."

Kerkfabrieken. Ze vervuilen niet, ze staken nooit, ze doen zelden van zich spreken. Als ze de krant al halen, raken ze niet verder dan de regionale pagina's. Zo vernemen we dat in Mielen, bij Aalst, een opstand tegen de kerkfabriek broeit. Reden: de plannen van de kerkmeesters om op het huis Gods een gsm-mast te laten installeren. In Merem, bij Bilzen, liggen omwonenden dan weer in de clinch met de kerkfabriek omdat de klokken hun nachtrust verstoren. Het bericht spreekt boekdelen, zowel over de tanende rol van de kerk in de maatschappij als over de steeds langer wordende tenen van de burger. De meeste dorpsbewoners liggen immers niet wakker van de nachtelijke klokkengalm, de klachten komen uit een nieuwe woonwijk, die ironisch genoeg op het terrein van een voormalig klooster werd opgetrokken. Meestal zijn de berichten stukken saaier. De gemeenteraad die zich over de begroting van de kerkfabriek buigt, de restauratie van het kerkorgel die aanmoddert, een lid van de kerkfabriek dat na vijftig jaar trouwe dienst een portret in de krant en een stek aan Gods eretafel heeft verdiend.

Onbekend zijn ze zeker, maar daarom niet onbelangrijk. De kerkfabriek moet zowat de grootste vrijwilligersclub van het land zijn. België telt 3.894 rooms-katholieke parochies met kerk en kerkfabriek. Die tellen vijf of negen verkiesbare leden, al naargelang de parochie minder of meer dan vijfduizend inwoners telt. Samen maakt dat algauw vijfentwintigduizend vrijwilligers die zich morgen, op de eerste zondag van het jaar, naar de bijeenkomst van de kerkraad zullen begeven. Als ze tenminste het keizerlijke decreet van 1809 naar de letter uitvoeren. Volgens dat organieke reglement houdt de kerkfabriek jaarlijks vijf gewone zittingen, in een lokaal behorende tot de kerk of de pastorie, telkens op een wettelijk bepaalde zondag, na de hoogmis of de vespers. Nog volgens dat keizerlijke decreet is het aan de pastoor om de leden van de kerkfabriek van op de kansel bijeen te roepen. Dat vele kerkfabrieken in de praktijk op een weekdag verzamelen, dat sommigen gebruikmaken van ultramoderne communicatiemiddelen zoals telefoon of zelfs e-mail om de leden op te trommelen, het doet allemaal niets af aan het archaïsche karakter van het hele gebeuren. Alle handelingen van de kerkfabriek berusten op een set wetten en besluiten die ons ver in de tijd terugslingeren.

"Kerkfabrieken bestaan al van in de Middeleeuwen", zegt professor administratief recht Jean Dujardin. "Ze werden in het leven geroepen tijdens het concilie van Trente in het midden van de zestiende eeuw. De katholieke kerk was organisch gegroeid. Naarmate ze groter en machtiger werd, verwierf ze alsmaar meer bezittingen waarvan het beheer varieerde van bisdom tot bisdom. Om daar een lijn in te trekken werden de kerkfabrieken in het canonieke recht geïntroduceerd." Maar dat is oude koek, het wordt pas interessant als de Franse Revolutie over ons land spoelt. De bezetters geloofden niet in halve maatregelen. De hele maatschappij moest op een nieuwe leest worden geschoeid, geen heilig huisje bleef overeind. Gilden en kloosterorden werden afgeschaft, gronden, gebouwen en kunstschatten van de kerk werden aangeslagen en openbaar verkocht.

"Dat was althans de bedoeling", vertelt professor Dujardin. "Maar veel goederen bleven onverkocht door een gebrek aan gegadigden. Er waren nochtans koopjes te doen, maar de schrik zat er diep in. Wie het waagde kerkgoederen te kopen, stond hel en verdoemenis te wachten. Napoleon Bonaparte en Pius XII hebben het dan maar op een akkoordje gegooid. De aangeslagen goederen werden teruggeschonken, maar gewoonlijk niet aan de kerk. Doorgaans werden de kerkgebouwen met alle resterende rijkdommen aan de gemeenten overgedragen. Een echt cadeau kun je dat niet noemen, want de gemeenten kregen geen enkel genotrecht op die eigendommen. Dat werd integraal toegekend aan een nieuw orgaan, de kerkfabriek, die overigens weinig gemeen heeft met haar middeleeuwse naamgenoot. De fabrique d'église van Napoleon is een publieke instelling met een bijzondere opdracht. Met de eredienst zelf mag ze zich niet inlaten, haar taak is van puur logistieke aard. Zij stelt het kerkgebouw en de kerkgoederen ter beschikking van de eredienst. Anders gezegd: ze creëert de materiële omstandigheden waarin de pastoor zijn werk kan doen. Zowel Napoleon als de paus konden zich met dat fameuze Concordaat verzoenen. De kerk mocht weer gedijen en parochies oprichten, maar in ruil moest ze een burgerlijke controle op haar bezittingen dulden. Kerkfabrieken zijn het koppelteken tussen kerk en staat."

Het Concordaat, gesloten in Parijs op 26 messidor van het jaar IX na de Franse Revolutie, was maar een eerste stap. De 18de germinal van het jaar X werden de rooms-katholieke en protestantse erediensten officieel erkend. Nog eens zeven jaar later was het revolutionaire elan al voldoende bekoeld om de aloude Juliaanse kalender in ere te herstellen. En dus verscheen op 30 december 1809 het keizerlijke decreet op de interne organisatie van de kerkfabrieken. "Na de onafhankelijkheid heeft België dat decreet geadopteerd", zegt professor Dujardin. "Het vormt nog altijd de fundering waarop onze kerkbesturen steunen."

Een professor van de vrijzinnige VUB die gespecialiseerd is in kerkbesturen en erediensten, kan dat wel? Jean Dujardin haalt de schouders op, die paradox heeft hij allang achter zich gelaten. Bisschop of vicaris-generaal, priester of kanunnik, de hele Belgische clerus kent zijn nummer. Hoe vaak wordt hij niet opgebeld door een wanhopige voorzitter of secretaris van deze of gene kerkfabriek die niet meer wijs raakt uit een of andere procedure? Professor Dujardin is er de man niet naar om de beller verwijten te maken, hij beseft beter dan wie ook dat kerkfabrieken een complexe materie zijn. Als openbare instelling met bijzonder karakter vallen ze onder het publieke, administratieve recht. Maar precies vanwege hun speciale opdracht moeten ze ook rekening houden met het canonieke recht. Die dubbele natuur vertaalt zich in een uiterst barokke voogdijregeling. Kerkfabrieken moeten hun begroting en rekeningen achtereenvolgens aan de bisschop en de bestendige deputatie ter goedkeuring voorleggen, vergezeld van een al dan niet gunstig advies van de gemeenteraad.

De rol van de gemeenten in dit alles is merkwaardig. Zij hebben van rechtswege zitting in de kerkraad, zeg maar het parlement van de kerkfabriek. In principe neemt de burgemeester de honneurs waar, op voorwaarde dat hij katholiek is. Vaak echter laat hij zich vertegenwoordigen door een schepen of gemeenteraadslid, desnoods zelfs een lid van de oppositie. Hoe dan ook, meer dan een rol als waakhond zit er niet in. Als de bestendige deputatie de begroting in weerwil van een negatief advies goedkeurt, dan is de gemeente verplicht de tekorten aan te zuiveren. Dat kan aardig aantikken. Zo moet Riemst dit jaar 368.000 euro ophoesten om zijn elf kerkfabrieken uit het rood te houden. De Limburgse gemeente besteedt gemiddeld 6 procent van haar uitgaven aan erediensten, een nationaal record.

Veel vaker dan de kerkraad vergadert het bureau van kerkmeesters, dat uit de rangen van de kerkraad wordt gekozen. Voorzitter, secretaris, penningmeester, ervaring met bureaucratie strekt tot aanbeveling. Er kan in de kerkfabriek geen paperclip worden gekocht zonder dat de papiermolen gaat draaien. Hosties, wijn, wierook en olie voor de godslamp zijn allemaal vaste posten op de begroting. Sommige rubrieken roepen onwillekeurig het beeld op van het rijke Roomse leven uit de tijd van pastoor Munte. Onder wedden en lonen van kerkbedienden ressorteren behalve kosters en organisten ook exotica als klokkenluiders, kruisdragers en stoelenzetters. Op het nummer 25 van diezelfde rubriek prijkt voorwaar nog de suisse, een vervaarlijk ogende figuur in een middeleeuws kostuum die, gewapend met een forse staf, de orde tijdens de mis handhaafde. Eén welgerichte blik van de suisse was voldoende om rumoerige onverlaten tot de orde te roepen.

Het echte papierwerk begint pas als er belangrijke geldzaken op het spel staan. De verkoop van een pand of stuk grond, de aanvaarding van een schenking, het zijn aangelegenheden waarmee zowel de burgemeester, de bisschop, de gouverneur als de minister zich inlaten. En dan zwijgen we nog over de monumentenzorg, waarin kerkfabrieken een prominente rol spelen. Klasseringsdossiers, aanvragen van restauratiepremies, meer dan een kerkmeester heeft er een punthoofd van gekregen.

Misschien wordt het in de nabije toekomst allemaal een stuk eenvoudiger. Als gevolg van Lambermont II werden kerkfabrieken begin vorig jaar naar de gewesten overgeheveld. Aan Vlaamse zijde heeft minister van Binnenlandse Zaken Paul Van Grembergen onlangs een ambitieus plan aangekondigd. Nog voor het einde van de legislatuur in juni 2004 wordt de hele wetgeving op kerkbesturen grondig herzien. De leden van de voorbereidende commissie zullen met heimwee aan de tijd van Napoleon terugdenken, toen het levensbeschouwelijke aanbod beperkt bleef tot een katholieke meerderheid en een protestantse minderheid. Dat is nu wel even anders. Het nieuwe decreet moet voor de zes erkende erediensten gelden. "De belangen lopen ver uiteen", zegt professor Dujardin, die uiteraard zelf in de commissie zit. "Alleen al de terminologie is een heikele zaak. In de oude wetgeving wemelt het van de bisschoppen, pastoors en kerkfabrieken. Dergelijke termen zijn natuurlijk volstrekt onaanvaardbaar voor joden en moslims."

Voor een professor administratief recht is het een uitdaging: bijna op emeritaat en toch nog de kans krijgen om een eeuwenoud, vermolmd instituut in een eigentijds kleed te steken. En zeggen dat hij als kleine jongen in Zeveneken zijn ogen heeft uitgekeken op de kerkmeesters. "Ik zie ze daar nog lopen in hun chic kostuum", zegt Jean Dujardin. "Recht naar hun gereserveerde plaats, vooraan in de zijbeuk van kerk. Als kind begreep ik niet waarom de kerkmeesters als enigen vrijgesteld waren van stoelgeld. Volgens het decreet van Napoleon mochten alleen notabelen tot de kerkfabriek toetreden. In Zeveneken waren dat rijke boeren die het een hele eer vonden dat ze met de schaal mochten rondgaan. Veel meer kwam er in zo'n kleine parochie niet bij kijken, want het was de pastoor die in de kerkfabriek de lakens uitdeelde. Tegenwoordig staan nog maar weinigen te springen voor een mandaat in de kerkfabriek. De meeste leden zijn bejaard of het scheelt niet veel. Als de penningmeester of de secretaris er het bijltje bij neerlegt, mag de pastoor in het donker met zijn lantaarn de straat op om een vervanger te zoeken."

Jos De Mesmaecker is geen pastoor, en ik zie hem niet meteen met een lantaarn in de hand de straten van Steenhuffel afdweilen. Niettemin staat ook hij als secretaris van de kerkfabriek voor een dwingende opdracht: tegen april moet hij een opvolger vinden voor de ontslagnemende penningmeester, anders kan het kerkbestuur niet meer reglementair vergaderen. "In feite doe ik al geruime tijd de boekhouding", verklapt De Mesmaecker. "Onze penningmeester is de tachtig gepasseerd. Op zo'n leeftijd kun je een mens nog moeilijk met de nieuwste Windows of Excell lastigvallen. Onze penningmeester besefte zelf wel dat hij er voor spek en bonen bij zat, maar hij wilde koste wat het kost blijven om zijn droom te realiseren. Vijftig jaar bij de kerkfabriek, die heeft hij nu gehaald."

Ook Jos De Mesmaecker, een tweeënvijftigjarige bediende bij brouwerij Palm die vanuit zijn kantoor op zijn hobby uitkijkt, is aardig op weg naar een jubileum. In 1979 trad hij in de voetsporen van zijn grootvader. Fideel De Mesmaecker was niet alleen lid van de kerkfabriek maar ook peter van een van de kerkklokken. "Daar was hij erg trots op", vertelt Jos De Mesmaecker. "Grootvader was een boer. Als hij naar de kerkfabriek ging, zette hij zijn hoge hoed op en haalde grootmoeder de borstel over zijn zondagse pak. Misschien heb ik het virus van hem te pakken. Mensen denken wel eens dat je een pilaarbijter moet zijn om bij de kerkfabriek te gaan. Niets is minder waar, ik ga zelfs niet wekelijks naar de mis." Waarom hij er dan al zijn vrije tijd in steekt? "Uit verbondenheid met mijn dorp", antwoordt hij. "De Sint-Genovevakerk, dat is de ziel van Steenhuffel."

Het gaat niet goed met die ziel, zoveel wordt in één oogopslag duidelijk. Dat de spits van de Romaanse toren vervaarlijk overhelt, dat er in het torendak gaten zo groot als een volwassen man zitten, dat een van de muren in het koor een lelijke barst vertoont, het is oud zeer, net als de treurige aanblik van twee dichtgespijkerde ramen. Ooit zat daar de trots van de parochie: twee geklasseerde glasramen, die uit voorzorg werden verwijderd. Nieuw is wel het vonnis dat een gespecialiseerde ingenieur half december over de Sint-Genovevakerk velde. Er dreigde instortingsgevaar, de burgemeester zag zich verplicht tot drastische maatregelen. En dus verschenen twee weken voor Kerstmis dranghekken, die nu een wijde boog om de kerktoren beschrijven. Het koor is verboden toegang, maar het schip blijft in gebruik. Hoe lang nog, vraagt iedereen zich in Steenhuffel af. "We zijn er niet gerust op", zegt Jos De Mesmaecker. "De pastorij is al lang verkocht, we delen al tien jaar een priester met vier andere parochies. Als ze nu ook nog de kerk sluiten, dan is het helemaal afgelopen met de parochie Steenhuffel."

Uiteraard is de malaise niet alleen van bouwkundige aard. Heilige missen voor dertig gelovigen zijn geen uitzondering, en tegenover vierentwintig begrafenissen stonden vorig jaar slechts vijf huwelijksmissen. De ontkerkelijking heeft budgettaire gevolgen. Positief zijn de besparingen op hosties. Vorig jaar werd voor 200 euro aan offerbrood besteld bij de karmelietessen van Weelde, de helft minder dan pakweg tien jaar geleden. Die meevaller weegt helaas niet op tegen de nadelen. "De schaal levert steeds minder op", klaagt Jos. "De introductie van de euro heeft er trouwens geen goed aan gedaan. Vroeger incasseerden we vooral stukken van 20 frank, tegenwoordig vissen we hoofdzakelijk koperen centjes uit de schaal. We halen geen 50 euro per week meer op, wat veel te weinig is om onze vaste kosten te dekken. Alleen al elektriciteit en verwarming kosten ons jaarlijks 4.000 euro." Van de landpachten moet hij het evenmin hebben. Steenhuffel valt in de categorie 'min 20 hectaren'. Een kleine garnaal dus, want sommige kerkfabrieken regeren over een imperium van honderden hectaren.

Niet dat Steenhuffel geen mecenassen heeft gekend. Neem nu Henriette Vanderperren, die de kerkfabriek een perceel in eeuwigdurende pacht heeft geschonken. Ze is al meer dan een eeuw dood, maar nog niet vergeten. Een keer per jaar wordt haar naam in de kerk geciteerd en in de gebeden der parochianen opgenomen. Eeuwigdurende dankbaarheid? Onbaatzuchtig mecenaat? Vergeet het maar, het opdragen van een jaargetijde is een contractuele plicht die bij de schenking hoort. "Dat heet een stichting of fundatie", legt De Mesmaecker uit. "Die formule biedt een oplossing voor mensen die op het einde van hun leven bang zijn dat hun kinderen niet voor hen zullen bidden. Meestal wordt een stichting met een forse geldsom gevestigd. Dat werkt als een telefoonkaart: na ieder jaargetijde trekken we een bedrag van de som af, tot het helemaal op is."

We maken samen een toertje rond de kerk, met gevaar voor ons leven, als we de gemeentelijke aanplakbiljetten mogen geloven. Jos De Mesmaecker is somber. Het restauratiedossier staat nog nergens en ondertussen tikt de tijdbom. Wat als deze banale kerk echt verdwijnt? Een groot verlies voor landschappen en monumenten bespeur ik niet, en voor de slinkende parochie bestaat vast wel een alternatief. Maar zo bekijkt De Mesmaecker het niet. "Ik weet het", zegt hij, "vandaag zijn de kerken leeg. Maar de ontkerkelijking heeft haar dieptepunt bereikt. We beleven onzekere tijden. Er is oorlog op komst, het is al terrorisme en geweld wat de klok slaat. De mensen hebben opnieuw een houvast nodig. Geloof me, we zullen dit gebouw nog hard nodig hebben."

Aan de opkomst in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te zien liggen de Antwerpenaren nog niet wakker van de nakende Golfoorlog. Zelf zijn we netjes op tijd gekomen, zodat we getuige kunnen zijn van het ritueel dat naar wekelijkse gewoonte in de coulissen van de kathedraal wordt voltrokken. Twee kerkmeesters hullen zich in zwarte tabbaarden en lopen vervolgens naar de sacristie, waar zich al een dozijn zwarte mantels heeft verzameld. Verwarring ligt voor de hand, maar ik ken de legende. Alleen de kerkmeesters dragen een rode band met gouden borduursel op de rug, de anderen zijn kapeldevoten die met de kerkfabriek geen uitstaans hebben. Stipt om halfelf trekt de processie zich op gang. In het spoor van de celebranten beschrijven acolieten, voorlezers, kerkmeesters en kapeldevoten een ommegang door de reusachtige kerk. Bij het altaar gekomen wordt de stoet ontbonden en kiezen de deelnemers positie. De kerkmeester mogen niet klagen over gebrek aan decorum. Zij zitten helemaal vooraan in de rechtervleugel van de dwarsbeuk, vlak onder de majestueuze kruisafneming van Pieter-Paul Rubens. Op het geëigende tijdstip zullen ze zich van hun bank losmaken om hun medeparochianen de schaal te presenteren.

De rituelen mogen dan preconciliair lijken, de fabriek van de kathedralenkerk is geen ouderwets instituut maar een modern bedrijf. Met achttien personeelsleden, onder wie een gediplomeerde cultuurmanager als directeur, mogen we gerust van een kmo spreken. Insiders zijn het erover eens: de Antwerpse kathedraal heeft de rijkste kerkfabriek van het hele land. Twintig winkelpanden in het historische hart van Antwerpen vormen niet eens de belangrijkste bron van inkomsten. Nog lucratiever zijn de toeristen, die zich vorig jaar massaler dan ooit aan de kunstschatten kwamen vergapen: 330.000 keer 2 euro, de truc van de vele kleintjes die een groot maken. In Steenhuffel en Kaaskerke zullen ze bij de volgende cijfers allicht watertanden. De kaarsendevotie was goed voor 125.000 euro, offerblokken en inzamelingen brachten nog eens 60.000 euro in het laatje. De kathedraal is volledig zelfbedruipend, met uitzondering van restauratiekosten, die zoals overal door de overheid worden gedragen. De hoogconjunctuur is mede te danken aan de professionele aanpak van de kerkfabriek. Hier is geen plaats voor dorpsnotabelen op zoek naar glorie en een wit voetje bij de Allerhoogste, de raad telt vooral nuttige specimens zoals advocaten, fiscalisten, accountants, architecten, kunsthistorici en experts in notarieel recht.

Professioneel gerund en zelfbedruipend, dat is het ideaal dat minister Van Grembergen voor de toekomstige kerkfabrieken in gedachten heeft. Er is veel werk aan de winkel: coherente voogdijregeling, representatieve samenstelling van de bestuursorganen... Een van de denkpistes is een grootscheepse fusie onder de zowat tweeduizend Vlaamse kerkfabrieken. Het initiatief wordt door Mechelen met argusogen gevolgd, want voor de katholieke kerk staan grote belangen op het spel. Maar misschien komt zo'n herstructurering niet helemaal ongelegen. De hervorming van de kerkfabrieken kan een prima aanleiding zijn om flink het mes te zetten in het aantal parochies. Het priestertekort begint immers zwaar te wegen, waardoor veel herders als bezetenen van de ene kerk naar de andere pendelen. Het bisdom Brugge speelt daarin een voortrekkersrol: zowel in Brugge als in Ieper werden al parochies opgedoekt. Wordt Kaaskerke het volgende slachtoffer? Dat zal dan over het lijk van Raf Goemaere zijn. Ik wacht in een woonkamer vol heiligenbeelden tot hij zijn kerkelijk wetboek heeft gevonden. Daar, wijst hij met zijn vinger, in canon 1222 van boek IV, staat het heel duidelijk. Alleen met het akkoord van de kerkraad kan de bisschop de kerk terugbrengen tot een profaan en niet onwaardig gebruik dat het zielenheil van de parochianen op geen enkele manier schaadt. "Die laatste beperking staat er niet zomaar", zegt hij. "Akkoord, een stadsarchief is geen onwaardige bestemming. Maar wat als de gemeente binnen tien jaar vaststelt dat de kerk toch geen geschikte locatie is voor haar archief? Dan heeft ze de handen vrij en kan ze het gebouw desnoods afbreken. Je weet toch wat er met de jezuïetenkerk in Brugge is gebeurd? Dat is nu een balzaal, in het weekend houden ze daar gekostumeerde fuiven."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234