Maandag 18/10/2021

De grond onder haar voeten

Het was een huis zonder privé-leven, waar de kinderen met zijn drieën of vieren per kamer in stapelbedden boven elkaar lagen. Sommigen groeiden zwijgend, in zichzelf gekeerd, afwerend op. Nissy verwilderde.Nissy Poe zong nooit voor haar moeder; ze ging om alleen te zijn naar de Jefferson Zoutpan en liet alleen dan, ver van de wereld, beschermd door een apocriefe boeman, de stem die haar diepste verlangens openbaarde de vrije loop.

Salman Rushdie / foto tim dirvenExclusieve voorpublicatie uit de nieuwste roman van de meesterverteller

Vina Aspara, een beroemde en alom geliefde zangeres, komt terecht in een verwoestende aardbeving. Daarna is ze nooit meer door iemand gezien. 'De grond onder haar voeten' is haar verhaal, en dat van Ormus Cama, de minnaar die zijn hele leven in de muziek naar haar is blijven zoeken. Het relaas van een liefde die zich zelfs uitstrekt tot na de dood, verteld door de fotograaf Rai, Ormus' jeugdvriend en Vina's vroegere geliefde.

Zo word je een meisje dat niet deugt: geboren Nissa Sjetty, groeide ze op in een keet midden in een maïsakker buiten Chester, Virginia, ten noorden van Hopewell, tussen Screamersville en Blanco Mount, aan het einde van een landweggetje van niets dat zich vanaf de 295 in oostelijke richting kronkelde. Maïs aan weerskanten en geiten achter. Haar moeder, Helen, Grieks-Amerikaans, alles erop en eraan, zenuwachtig, een lezeres van boeken, een droomster, een vrouw van nederige afkomst die het hoofd geheven hield en haar verwachtingen hoog had gesteld, viel tijdens het mannentekort in de Tweede Wereldoorlog voor een zoete woordjes fluisterende heer uit India, een advocaat - hoe kwam hij daar zo helemaal terecht? Indiërs komen overal, zo is 't toch? Net als zand - die met haar trouwde, in drie jaar tijd drie dochters verwekte (Nissa, geboren tijdens de landing in Normandië, was de middelste), wegens kwade praktijken de gevangenis in draaide, geroyeerd werd door de orde van advocaten, na Nagasaki uit de gevangenis kwam, zijn vrouw vertelde dat hij zijn seksuele voorkeuren had herzien, naar Newport News vertrok om met zijn vlezige minnaar 'als de vrouw in de relatie', om met Vina te spreken, een slagerij te beginnen en niet schreef en niet opbelde en zijn dochters met hun verjaardag of Kerstmis geen geld of cadeautjes stuurde.

Tijdens die liefdeloze vrede tuimelde Helen Sjetty in een neerwaartse spiraal van drank, pillen en schulden en werd overal ontslagen en de kinderen gingen op topsnelheid naar de verdoemenis tot ze werd gered door een manusje-van-alles in de bouw, John Poe, een weduwnaar met zelf vier kinderen, die haar dronken uithuilend in een bar ontmoette, haar liet uitpraten, vond dat ze dik reden tot wanhoop had, haar een knappe vrouw noemde die het verdiende een kans te krijgen, zwoer dat hij voor haar zou zorgen, haar van de drank kreeg, haar en haar drie kinderen opnam in zijn eenvoudige woning en nooit onderscheid maakte tussen haar kinderen en de zijne, nooit opmerkingen maakte over hun donkere huid, de meisjes zijn naam gaf (zodat Nissa Sjetty op haar derde Nissy Poe werd), met hard werken geld verdiende om alle magen te vullen en zijn gezin in de kleren te houden, van Helen daarvoor niet meer verlangde dan traditioneel vrouwenwerk en de afspraak dat ze geen kinderen meer zouden krijgen, en hoewel haar hoop in het leven hoog gevestigd was geweest, besefte ze hoe dicht ze de goot was genaderd, dus had ze geluk dat ze in plaats ervan dit gevonden had, stabiliteit, een gemelijke, eenlettergrepige, doorsneesoort liefde, een grootmoedige man, vaste grond onder haar voeten, en als hij het ouderwets wilde, was dat een aanpassing waartoe ze zonder klagen bereid was, dus werd de hut smetteloos schoon gehouden, werden de kleren gewassen, de kinderen gevoed en gebaad, stond John Poe's eten elke avond als hij thuiskwam warm op tafel, en wat die kinderen betreft had hij ook gelijk, dus liet ze zich in de stad opereren, en ook dat was best, het was echt best zo, ze had haar handen vol en dit maakte het haar gemakkelijk, hij was even ouderwets in bed als erbuiten, hij vond condooms en dat gedoe maar niets, en alles was nu prima in orde, het was beter dan prima in orde, het was in orde. Eens per week gingen ze met z'n allen in Johns open bestelwagen naar de drive-in-bioscoop en keek Helen Poe niet naar de sterren op het doek maar naar die boven haar hoofd en dankte deze, met een zeker voorbehoud, dat ze het zo goed getroffen had.

Als John Poe een droom had, dan was het van geiten. In de omheining achter zijn huis hield hij een witte Saanense geit, die het gezin van melk voorzag, en een kleine, afwisselende fokkolonie myotonische Spaanse geiten voor de slacht. Nissy Poe groeide op zonder de smaak van koeienmelk te kennen. John Poe zei dat geitenmelk lichter verteerbaar was en moedigde haar zelfs aan om er, zoals vroeger koningin Cleopatra, bij wijze van schoonheidsbehandeling haar gezicht mee te wassen. Ze had van haar moeder geleerd om deze grote, vriendelijke maar dominante man nooit tegen te spreken en dronk gedwee de dunne, blauwige, ranzig smakende vloeistof die ze was gaan haten. En nadat de ten dode opgeschreven Spaanse geiten als hun moment daar was naar het slachthuis waren gebracht, kwam er weken achtereen alleen geitenvlees op tafel. Helen Poe was geen vrouw van grote culinaire bekwaamheden en kleine Nissy ging etenstijd nog het meest van al vrezen om de glimlach die ze op haar gezicht moest toveren. John Poe was een man die voor de zegeningen die hij liet neerdalen regelmatig bedankt diende te worden.

Na zo'n overvloedig geitendiner schoof hij zijn stoel achteruit en voorspelde de toekomst. Die paar beesten op het achtererf, op het veldje met rondom een hek van anderhalve meter hoog, met mazen van krap twaalf centimeter, waren nog maar het begin, verklaarde Nissy's stiefvader. Hij was niet van plan zich zijn hele leven voor anderen af te beulen, denk dat maar niet. Een geitenhouderij, daar streefde hij naar. Maar niet met slachtvee; hij vond vleesgeiten eigenlijk maar niets, en zeker deze myotonen niet, die wegens hun genetische aandoening elke keer dat ze schrokken met stijve poten omvielen. Op sommige avonden verheugde John Poe zich op de dag dat hij in Oregon, of misschien in Florida, melkgeiten zou gaan houden. Hij bezong de goede eigenschappen van 'Zwitserse' alpiene en Toggenburger geiten en Nubische 'woestijn'-geiten. Hij had het over de verrukkingen van geitenkaas en geitenmelkzeep. Op andere avonden had hij visioenen van angora- en kasjmierwol en een toekomst in de wolproductie in Texas of Colorado. "Zullen jullie vast leuk vinden, met dat oosterse bloed van je", zei hij tegen Helens dochters. 'Kasjmier komt oorspronkelijk uit Kasjmier, in India, en angora kwam vroeger uit Ankara, in Turkije, en de naam mohair, zoals we de stof van de wol van angorageiten noemen, is Arabisch of zoiets en betekent wat-we-het-liefste-dragen.' De Oezbeekse zwarte geit, met de wolharen die langer waren dan hun dekharen en van prima, kasjmierachtige kwaliteit, dook vaak in deze dagdromen op. Nissy Poe ging, oosters bloed en al, alleen al de woorden mohair, kasjmier en en Oezbeeks haten. Maar ze glimlachte en zei dank u, zoals verlangd. En John Poe zweefde, bier in de hand, zijn privé-oosterse fantasie binnen.

Ormus Cama en ik, die opgroeiden in India, voelden ons hart naar het Westen trekken; het is een eigenaardig idee dat Vina's vroege jeugd onder bescherming stond van die goede en eenvoudige man met zijn zucht naar het Oosten, of dan toch naar de harige dieren ervan.

Soms vertelde John Poe geitenmoppen. (Twee geiten breken in in de projectiecabine van de drive-in-bioscoop en beginnen te knabbelen. "God, da's pas een goeie film", zegt de eerste, zegt de tweede: "Mmm, ik vond het boek beter.") Maar van anderen duldde hij zo'n lichtzinnigheid niet. Er kwam een nieuwe buurman op bezoek die "Hé, geiten", zei. "Leuke beesten, we wilden er eentje als huisdier nemen maar toen zei die vent: 'Punt met geiten is wel dat ze je auto opeten.'" Toen hij weg was, verklaarde John Poe de man, diens gezin en hun grondgebied tot verboden terrein. Hij werd tot levenslang veroordeeld zonder ooit te weten wat hij gedaan had, en omdat John was wie hij was, was het een vonnis zonder mogelijkheid tot beroep.

Het was een huis zonder privé-leven, waar de kinderen met zijn drieën of vieren per kamer in stapelbedden boven elkaar lagen. Sommigen groeiden zwijgend, in zichzelf gekeerd, afwerend op. Nissy verwilderde. Ze raakte op de kleuterschool berucht als bijtster van kinderen en onderwijzers en moest van school worden gehaald. John Poe gaf haar een stevig pak slaag en ze ging terug en beet harder. De strijd escaleerde en kwam toen plotseling tot een einde omdat beide partijen beseften dat er, als dit nog even zo doorging, misschien een slachtoffer zou vallen. John Poe zei tegen Nissy dat hij van haar hield en borg zijn broekriem weg en Nissy Poe zei tegen haar getiranniseerde klasgenoten: "Rustig maar, ik zal jullie niet vermoorden."

Op het punt van ras was John Poe haast progressief te noemen. Hij ging met Helen naar het schoolbestuur om uit te leggen dat het donkere uiterlijk van de meisjes niet negroïde was, ze waren Indiërs uit India en hoefden niet te worden gediscrimineerd, ze konden met de gewone kinderen mee in de schoolbus. Een argument dat de school overnam, hoewel het zijn eigen problemen met zich bracht.

Toen Nissy ouder werd, ontdekte ze dat de andere kinderen, de blanke kinderen, haar de Zwartvoetindiaan of ook wel het geitenmeisje noemden. En dan waren er nog die drie jongens uit de buurt, die eruitzagen als negers en Spaans spraken - die wisten helemáál niet hoe ze het hadden - ze jouwden Nissy Poe uit omdat ze met de bus naar de blanke school mocht. En toen stonden, op een dag, diezelfde drie jongens op haar bus te wachten, ze herhaalden maar steeds dat er nu een wet was en dat zij ook bij haar op school kwamen, alleen wilde de chauffeur hen niet laten instappen, niet in zíjn bus. Toen ze instapte, hoorde ze hen beledigingen schreeuwen, iets over de cabrito's bij haar thuis en dat Nissy het jong van een cabronito was. Ze zocht het op. Cabrito betekende jong geitje en cabronito kleine homoseksueel. De volgende dag stonden ze weer op de bus te wachten, deze keer met hun vader, maar wat dan nog, ze nam het gewoon tegen allemaal op. De vader trok haar van zijn zoons af en ze schopte en stompte in de lucht terwijl hij haar wegsleepte, maar ze was tevreden, want ze had de lasteraars in die korte tijd een alarmerend onevenredige hoeveelheid schade toegebracht. John Poe haalde zijn riem weer uit zijn broek, maar het ging niet van harte, want hij wist dat haar wil sterker was dan de zijne. Hij begon haar te negeren en ging niet met Helen mee om de onderwijzers op school te vragen haar dochter alsjeblieft te laten blijven, en onderwijs te laten krijgen, en te laten ontsnappen uit de val van de armoede, zoals ze ook zelf gehoopt had te ontsnappen. "Een kind heeft er een harde dobber aan", zei Helen Poe tegen de onderwijzer van haar dochters klas, "om te leven zonder hoop." Geitenmeisje. Niet ver van de keet lag naar het noorden in de richting van Redwater Creek een beboste kom die de Jefferson Zoutpan heette. De plaatselijke overlevering wilde dat er een soort centaur woonde, een vluchteling uit een Canadees reizend circus, krankzinnig en gevaarlijk door alle jaren dat hij, afgeranseld en half verhongerd, ten genoegen van het publiek in een kooi had gezeten. Het Bokkenmonster van de Jefferson Zoutpan was de plaatselijke boeman waarmee kleine kinderen bang werden gemaakt om hen te laten gehoorzamen, en op het gekostumeerde bal ter gelegenheid van de zomerkermis kwam elk jaar wel een Zoutpanman of wat, de grote god Pan die in vodden gekleed naar Virginia gekomen was. Als kinderen zeker wisten dat ze ver genoeg uit Nissy Poe's buurt waren om veilig te zijn, noemden ze haar de dochter van de Geitenman en holden dan weg of de dood hen op de hielen zat.

Helen probeerde haar dochter een betere weg te laten inslaan. Toen het meisje bijna tien was, stond haar moeder een keer (het was het weekend van Memorial Day 1954) met haar naar de melkweg te kijken die uit de avondhemel opvlamde. "Volg gewoon je ster, lieverd, laat je door niets of niemand op een zijspoor brengen", zei Helen met een huivering in haar stem waardoor Nissy haar scherp aankeek. De moeder lachte een snel, karig, hard glimlachje dat Nissy geen seconde voor de gek hield. "Niet zoals ik, mmm", grijnsde Helen, als een doodskop. "Kies een van die schoonheden uit en volg waar zij gaat."

Er flitste een meteoor. "Die neem ik", zei Nissy Poe. "Ziet eruit of hij ver zal komen." Niet doen, dacht haar moeder, een vallende ster brengt ongeluk. Maar ze zei het niet en het meisje knikte vastberaden. "Ja. Die wil ik."

Toen Nissy Poe dat weekend klaar was met haar huishoudelijke karweitjes, ging ze in haar eentje, onbevreesd, naar de Jefferson Zoutpan. Ze dacht niet dat ze er monsters zou tegenkomen maar wilde er gewoon ín zijn, zo ver ze maar komen kon. Het bos was verrukkelijk, donker en diep, en terwijl ze zich door het terugverende gebladerte een weg naar het hart van de kom drong, voelde ze iets volkomen onbekends over zich neerdalen, als een zegening. Het was eenzaamheid. Om de vogels te zien, moet je deel worden van de stilte. Wie had dat gezegd? Een stomkop. Het was hier net Sneeuwwitje. Overal vogels, als vlinderwolken, en als je zong, zongen ze prompt met je mee. Kapzangertjes, geelborstzangertjes vormden een achtergrondkoor, spechten bepaalden het ritme. Nissy Poe gooide alle remmen los en zong. Shake, rattle and roll! Dit was haar grote geheim, deze stem als de krachtuitstoot van een raket. Soms, als John Poe naar zijn werk was en John Poe's kinderen allemaal buitenshuis waren zodat ze het niet konden doorvertellen - John Poe mocht iedereen gelijk behandelen maar de kinderen waren een heel ander verhaal - zette Helen de radio aan om een zender te zoeken met de nieuwe muziek, de Driftwoods, Jack Haley, Ronnie 'Man' Ray. Soms vonden ze zelfs een neger-rhythm & blueszender en wiegde Helen met haar heupen en zong ze mee op de muziek, de muziek van de rassenscheiding, de muziek die John Poe de boogie van de duivel noemde. "Kom op", drong Helen aan, "zing nou mee lieverd", maar Nissy Poe weigerde altijd weer en perste haar mond tot een witte, bloedeloze streep, en Helen schudde haar hoofd. "Wat er voor nodig is om jou te laten genieten, weet ik niet", zei ze dan, en daarna kreeg de muziek haar weer te pakken en rolde ze met haar ogen en danste en ging onder de loyale, onbewogen blikken van haar eigen dochters uitbundig tekeer. (Twee van de drie; de jongste werd meestal in de voortuin op wacht gezet voor het geval John Poe onverwacht thuiskwam.)

Helen leek op zulke momenten zelf een kind, alsof ze de hand toestak aan een ander ik dat vermorzeld was onder de volwassene die ze uit noodzaak was moeten worden.

Nissy Poe zong nooit voor haar moeder; ze ging om alleen te zijn naar de Jefferson Zoutpan en liet alleen dan, ver van de wereld, beschermd door een apocriefe boeman, de stem die haar diepste verlangens openbaarde de vrije loop. Muziek! Het was het enige dat ze in het leven verlangde; niet deel van de stilte te zijn, maar van het geluid.

Als er een Zoutpanmonster aanwezig was geweest, had hij geapplaudisseerd. Vina had van meet af aan haar kapitale stem en ging er meedogenloos tegenaan. Ze zong het jonge hart uit haar lijf en liet zich toen, hoewel ze wist later voor haar vuile kleren te moeten boeten, achterover op een glooiing zakken en viel in slaap, werd met een schok wakker, merkte dat het al donker was, klauterde de zoutpan uit en zette het op een rennen en merkte toen ze thuiskwam dat ze er net zo goed de tijd voor had kunnen nemen, want iedereen was dood.

De kinderen waren in hun bed vermoord, met een groot keukenmes in hun hart gestoken. Ze stierven zonder wakker te worden. Maar John Poe was de keel afgesneden en uit de ravage in de kamer bleek duidelijk dat hij nog momenten lang wankelend had rondgelopen voor hij met een klap op een oud televisiemeubel viel. Er liepen vegen bloed naar beneden over het televisiescherm en aan de voet ervan lag hijzelf in een grote, kleverige plas, het moeras van zijn verloren leven. De televisie stond aan en iemand zei iets over een beginnende oorlog die te maken had met de Vietwat? In Dienbienwaar? In Indochina, o ja. Dat lag tussen India en China? En had werkelijk niets te maken met een meisje dat in een keet bij Hopewell, Virginia, tot aan haar knieën in het bloed van haar dode familieleden stond.

Helen was niet binnen, maar het duurde niet lang of Nissy vond haar, want ook alle geiten waren dood en Helen hing met een touw om haar nek aan een van de dwarsbalken van de driezijdig gesloten loopstal die John Poe eigenhandig had gebouwd om het vee iets te geven waar ze konden staan als het guur weer werd. In de drek tussen haar bungelende voeten lag een groot keukenmes dat onder een dikke laag donker, stollend bloed zat.

Omdat ze pas 's ochtends hulp ging halen; omdat ze een trapleer neerzette om haar moeder met het moordwapen los te snijden; omdat ze daar de hele nacht, alleen met het mes en haar moeder en de dode geiten en de wereld die aan de hemel in brand stond, en de vallende sterren die naar alle kanten vielen, en de melkweg die omlaagstroomde (was waarschijnlijk van klotegeitenmelk en stonk naar klotepies) buiten in de loopstal bleef; omdat ze de reputatie had niet te deugen, het bijten, het vechten, was ze ongeveer vijf minuten verdacht, vijf minuten waarin zij, het geitenmeisje, de dochter van het Bokkenmonster van de Jefferson Zoutpan, in de ogen van de agenten zag wat daar alleen is als ze naar eersteklas moordenaars kijken. Noem het respect. Maar na vijf minuten had zelfs sheriff Henry bedacht dat het een zware klus voor het kind zou zijn geweest, haar moeder ophangen, godsamme, ze was pas tien. Het was geen moeilijk oplosbare zaak: krankzinnige vrouw die amok maakt, een forse knappe vrouw als zij, nog zat voor een man om zich aan vast te houden en troost bij te vinden, 't was erg, ze kon er niet meer tegenop, was geknapt. Doffe ellende. Wat doe je ertegen.

Erna kwam haar vader, slager Sjetty, met zijn minnaar, maar Newport News klonk haar slecht in de oren en ze had genoeg slagerspraktijken gezien voor een mensenleven, ze zou de rest van haar bestaan vegetariër blijven. Ze stemde er ten slotte in toe bij Helens verre verwanten de Egiptussen in Chickaboom te gaan, wonen, ergens bij de Finger Lakes in het westen van de staat New York; en de hele weg ernaartoe, alleen in de bus, vroeg ze zich af waarom haar moeder precies dat moment, die Memorial Day dat haar middelste dochter in de Jefferson Zoutpan in slaap was gevallen, had uitgekozen om in te storten. Misschien had ze niet in een impuls gehandeld. Misschien had Helen gewacht tot Nissy geen gevaar liep. Ze was uitgekozen om te overleven, door haar moeder uitverkoren tot enige van het gezin die het verdiende te leven. Haar moeder had iets in haar gezien of gehoord, iets anders dan haar wildheid en gewelddadigheid, en dus had ze haar leven gespaard. Nissa, haar vallende ster.

"Ze heeft me gehoord!" De kracht van dit plotselinge besef maakte dat ze de woorden hardop uitschreeuwde. De passagiers die het dichtstbij zaten keken naar haar en gingen verzitten op hun stoel, maar ze merkte niets van hun onbehagen. Helen heeft me gehoord. Ze moet me een keer nagelopen zijn naar de Jefferson Zoutpan, en ik het het nooit geweten, en daarom wachtte ze, ze wist dat ik een hele tijd zou wegblijven. Ik leef omdat zij wilde dat ik zou zingen.

Welkom in Chickaboom, stond er op een bord.

Van ongeveer het jaar dat ze in dat noordelijke klimaat, in die Egiptische ballingschap, doorbracht, heeft Vina nooit, tegen niemand, veel verteld. Je stelde haar één vraag te veel en ze viel als een slang naar je uit. Ze heeft er maar een paar keer in haar leven iets tegen me over gezegd. Ze begroef de arme Nissy Poe onmiddellijk bij aankomst, dat weet ik wel. Egiptus bood haar het gebruik van zijn familienaam en zei dat hij altijd een dochter had willen hebben die Diana heette. Ze werd zonder spijt Diana Egiptus. Maar de nieuwe naam bracht haar geen geluk. "Er was een vrouw die niet aardig tegen me was", zei ze. "Ik werd in dat gezin niet goed behandeld." Ik kreeg haar amper zover dat ze hun voornamen noemde. "De vrouw bij wie ik toen woonde", noemde ze haar grootste kwelgeest, mevrouw Marion Egiptus; de andere gezinsleden waren "die mensen bij wie ik niet gelukkig was". Deze mensen, lukte het me vast te stellen, dreven de Egypte, een sigarenwinkeltje met op de stoep de half levensgrote, staande figuur van een faraonische wagenmenner, die in één hand de teugels van zijn enige paard hield en in de andere hand een bundel dunne sigaren. "Het was een stadje met ruimte voor één paard", zie Vina, "en dat ene paard was nog van hout." Dit stadje was haar eerste Troje. Bombay zou haar tweede worden, en de rest van haar leven haar derde; en overal waar ze ging, was strijd. Mannen vochten om haar. Ook zij was, op haar manier, een Helena.

Wat gebeurde er in Chickaboom? Veel kan ik u niet vertellen; Vina heeft er weinig over gezegd en degenen die het verhaal sindsdien hebben nagetrokken, gaven elkaar tegensprekende, vaak zuiver fictieve beschrijvingen. Marion Egiptus was ruw in de mond en scherp van tong en walgde van de donkere huid van de toekomstige Vina. Andere leden van het gezin Egiptus zagen in diezelfde donkere huid een uitnodiging tot seksuele betrekkingen. De jeugdige Nissy-Diana-Vina moest zich haar neven van het lijf houden.

De zaken in de Egypte liepen terug, of werden overgenomen. Er was brand, of er was geen brand. Het was verzekeringszwendel, of brandstichting, of er was niets. Marion Egiptus, de "vrouw bij wie ik toen woonde", de "vrouw die niet aardig tegen haar was", weigerde - misschien omdat het gezin werd bezocht door tegenspoed, of (als er eigenlijk helemaal geen tegenspoed was) omdat ze een diepe afkeer van het meisje had - Diana Egiptus nog langer bij zich te houden. Er wordt gefluisterd dat Vina's jeugdmisdadigheid voortduurde, het spijbelen, de gewelddadigheid, het overmatige gebruik van drugs.

Nu mevrouw Egiptus haar niet wilde hebben, werd ze naar India gestuurd omdat er geen Amerikaanse alternatieven meer over waren. Slager Sjetty in Newport News schreef een smeekbrief naar zijn rijke verwanten in de Doedhwalla's in Bandra, Bombay, waarin hij vergat te vermelden dat hij geen advocaat meer was, geen verre suikeroom die dagelijks dikker werd op een dieet van jury-stroopsmeren, maar dat verzuim was een kwestie van eer, een manier om zijn zelfrespect te bewaren. Hij maakte evenmin melding van zijn dochters vele botsingen met overheids- en andere instanties en overdreef de meisjesachtige charmes van de jeugdige Nissa Sjetty (want hij noemde haar in deze brief weer bij haar oorspronkelijke naam). Hoe dan ook, de rijke Doedhwalla's, verleid door het betoverende vooruitzicht er een uit Amerika teruggekeerd nichtje bij te krijgen, wilden haar wel in huis nemen. Nissa Sjetty's vader haalde haar af bij het eindpunt van de Greyhound voor het havenkantoor en bleef een nacht met haar dicht tegen zich aan, en ze begreep wat hij vertelde: niet alleen dat de zaken niet goed gingen maar dat hij voorgoed afscheid nam, dat ze niet meer op hem kon rekenen. Bel niet, schrijf niet, heb een fijn leven, vaarwel. De volgende ochtend ging ze alleen naar Idlewild, haalde diep adem en koerste richting Oosten. Naar het Oosten naar Bombay, waar Ormus, en ik, wachtten.

Als we Vina's woede, de motor van haar kunst en de makke van haar leven, willen begrijpen moeten we proberen ons voor te stellen wat ze ons niet wilde vertellen: de ontelbare kleine wreedheden van onrechtvaardige familieleden, het ontbreken van goede feeën en glazen muiltjes, de onbereikbaarheid van prinsen. Toen ik haar op het strand van Djoehoe tegenkwam en ze haar verbazingwekkende tirade afstak tegen India als geheel, verleden, heden en toekomst, leefde ze zich alleen maar uit in een soort maskerade, verstopte ze zich voor me achter haar bijtende ironie. In het kosmopolitische Bombay was zij het provinciaaltje; als ze ten koste van ons Amerikaanse wereldwijsheid verheerlijkte, was dit omdat het haarzelf totaal aan deze hoedanigheid ontbrak. Na levenslange armoede was het India - in de opgeblazen gedaante van Piloe Doedhwalla - dat haar een voorproefje van weelde bood; dus vulde ze, door omkering, haar dialoog met de minachting van een surrogaatrijke Amerikaanse voor de verarming van de Oriënt. De winters in Chickaboom waren barbaars geweest (een detail dat ik haar kon ontfutselen); hoewel ze de kou verafschuwde, klaagde ze in het warme Bombay over de hitte.

Ten slotte en meer dan wat ook, moeten we ons, om Vina's woede te begrijpen, voorstellen in haar schoenen te staan en te voelen wat zij voelde toen ze, na een afmattende reis naar de andere kant van de planeet, naar het vliegveld Santa Cruz in Bombay, uit de Pan American Douglas DC-6 stapte en merkte dat haar vader - o, de onvergeeflijke onnadenkendheid van de man! - haar voor de zoveelste keer, en met karige hoop op ontsnapping, in het gehate gezelschap van geiten had laten belanden.

De grond onder haar voeten van Salman Rushdie wordt uitgegeven door Contact, 624 pagina's, 995 frank (25 euro). Vanaf 13 april in de boekhandel.

Salman Rushdie (Bombay 1947) schreef acht romans, drie bundels beschouwingen en twee documentaires. Zijn werk is verscheidene keren onderscheiden met internationale prijzen, onder andere met de Booker of the Bookers, de prijs voor het mooiste werk uit de vijfentwintigjarige geschiedenis van de Booker Prize, voor zijn roman Middernachtskinderen. In 1995 won hij voor de tweede maal de Whitbread Prize, ditmaal voor De laatste zucht van de Moor. (Foto Stephan Vanfleteren)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234